Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AR3192

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-003814-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vier jaar gevangenisstraf voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, (meermalen) overtreden van de Opiumwet en overtreden van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003814-02

datum uitspraak 20 april 2004

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 9 oktober 2002 in de strafzaak onder parketnummer 13/129255-01 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de basisadministratie persoons¬gegevens op het adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Zwaag” te Zwaag.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting van 6 maart 2003 niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 februari 2002, 29 maart 2002, 16 juli 2002 en 25 september 2002 en in hoger beroep van 6 maart 2003, 14 augustus 2003, 13 januari 2004 en 6 april 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daar¬door niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

-ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde-

hij op 26 juli 2001 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte en/of (een van) zijn mededaders:

- bij een woning ([adres 2]) te Amsterdam, alwaar verdachte en enkele van zijn mededaders zich voegden bij [slachtoffer] en de andere mededader, tegen die [slachtoffer] gezegd: “Waar is mijn spul, ik wil het spul nu hebben” en (nadat [slachtoffer] had gezegd dat hij het spul had weggespoeld) “Je liegt, aan wie heb je het spul nu verkocht” en “je bent onder arrest, je gaat met ons mee en je gaat morgen naar Curaçao” en “we gaan naar Maastricht en je daar vermoorden” en

- die [slachtoffer] gedwongen achter in een auto te stappen;

-ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde-

hij op 15 augustus 2001 te Schiphol en te Curaçao en te Suriname, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, in totaal 204 bolletjes, inhoudende 1.595 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

-ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde-

hij in de periode van 1 juli 2001 tot en met 20 september 2001 in Nederland en te Curaçao en te Suriname, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, en/of om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen

en voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van bovengenoemd feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) personen, te weten [koerier 1], [koerier 2] en [koerier 3], geronseld en de laatst genoemde twee een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld wanneer zij als zogenaamde bolletjeskoeriers van Curaçao naar Nederland zouden fungeren

en/of

de opvang-/verblijfplaats te Curaçao en te Nederland en het vervoer van Curaçao naar Nederland en de betalingen en de administratie en de begeleiding verzorgd voor die bolletjeskoeriers

en/of

onderling met zijn mededaders telefonisch contacten gevoerd en onderhouden omtrent het vervoer van Curaçao naar Nederland en de betalingen en de administratie en de begeleiding en het vertrek van Curaçao naar Nederland en het signalement en de ontvangst van die bolletjeskoeriers en over de hoeveelheid bolletjes die meegenomen werden door de bolletjeskoeriers

en

te Curaçao, perceel [adres], kamers gehuurd en in die kamers 254 zogenoemde bolita’s cocaïne en tal van voorwerpen dienende tot het vervaardigen en bereiden en persen van cocaïne en de zogenoemde bolita’s voorhanden gehad

en/of

bolletjes inhoudende cocaïne aan die bolletjeskoeriers verstrekt;

-ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde-

hij op 15 augustus 2001 te Rotterdam in de [adres] tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een patroonhouder voorzien van de tekst –FN- 7.65 mm, zijnde een onderdeel dat specifiek bestemd is voor een wapen en dat van wezenlijke aard is, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf¬baarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit straf¬baar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde-

Medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd houden.

-ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde-

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

-ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde-

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet door daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd.

-ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde-

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar¬heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft zij gevorderd dat de acht inbeslaggenomen GSM’s en de inbeslaggenomen agenda aan verdachte worden teruggegeven.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Nadat [slachtoffer] op 26 juli 2001 in Amsterdam door onder meer medeverdachte [medeverdachte 1] van zijn vrijheid was beroofd, hebben verdachte en zijn mededaders [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zich bij [medeverdachte 1] gevoegd en is aan [slachtoffer] gevraagd het “spul” af te geven. Door samen met zijn mededaders in een cirkel om die [slachtoffer] heen te gaan staan, bracht verdachte samen met die anderen [slachtoffer] in een benarde en beklemmende positie. Vervolgens werd [slachtoffer] – nadat men met [slachtoffer] naar diens huis was gereden om daar enige spullen van [slachtoffer] waaronder zijn paspoort op te halen - door hen gedwongen in een auto te stappen en zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] met die [slachtoffer] in de auto van [medeverdachte 4] naar Rotterdam gereden, terwijl de verdachte de “inbeslaggenomen” auto van [slachtoffer] naar Rotterdam bracht. Doel van deze vrijheidsberoving zou zijn geweest [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van drugs of van het geldbedrag dat één van verdachtes mededaders aan [slachtoffer] had uitgeleend.

Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders enige tijd de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer] belemmerd en een situatie gecreëerd die [slachtoffer] als angstig heeft ervaren.

Verdachte heeft bovendien gedurende langere tijd leiding gegeven aan een drugsorganisatie, die zich op intensieve wijze bezighield met smokkel van cocaïne. Verdachte heeft, door te bewerkstelligen dat anderen cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland vervoerden, een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van en handel in deze voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat bovendien veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit.

Voorts heeft verdachte door het voorhanden hebben van een onderdeel van een vuurwapen, gehandeld in strijd met het in de Wet wapens en munitie neergelegde verbod op het bezit van wapens of onderdelen daarvan. Indirect heeft verdachte daardoor bijgedragen aan een bedreiging van de veiligheid van personen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Docu¬mentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 9 januari 2004 is verdachte eerder ter zake van meermalen overtreden van de Opiumwet en een vermogensdelict veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, vermeld onder de nummers 1 tot en met 11 van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 2 maart 2004, te weten:

- 1 agenda, kleur paars;

- 1 vel papier, beschreven;

- 1 kwitantie, Lampi Lus;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Nokia AT&T A.4;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijs, merk: Nokia A.5;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Nokia A.6;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijszwart, merk: Nokia 8260 A.7;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Panasonic AT&T A.8;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijs, merk: Alcatel A.9;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur roze, merk: Kenko KH-8888 A.10;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur zwart, merk: Samsung A.11;

die aan de verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten dan wel de feiten waarvan hij werd verdacht zijn aangetroffen, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 2 en/of 3 bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuit¬voerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 agenda, kleur paars;

- 1 vel papier, beschreven;

- 1 kwitantie, Lampi Lus;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Nokia AT&T A.4;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijs, merk: Nokia A.5;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Nokia A.6;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijszwart, merk: Nokia 8260 A.7;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur blauw, merk: Panasonic AT&T A.8;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur grijs, merk: Alcatel A.9;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur roze, merk: Kenko KH-8888 A.10;

- 1 GSM telefoontoestel, kleur zwart, merk: Samsung A.11.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Wijnen-Vergeer, IJland-Van Veen en Tilleman, in tegenwoordigheid van mr. Hoekstra, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 april 2004.