Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ8882

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2004
Datum publicatie
02-09-2004
Zaaknummer
1345/03 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder sub 3 gelegen om klaagster tijdig in kennis te stellen van het ingetrokken zijn van het beslag. Dat de gerechtsdeurwaarder sub 3 op 13 juni 2002 met verscheidene dossiers op pad is gegaan doet daar niet aan af.

Indien een eenmaal aangekondigde beslaglegging wordt ingetrokken, dan dient dit kenbaar te worden gemaakt aan degene onder wie het beslag gelegd zou worden en aan wie dit laatste was aangekondigd. Dit geldt te meer nu de aangekondigde beslaglegging een ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van klaagster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 29 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 678/2003 GDW van:

[plaats],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: [naam], echtgenoot,

t e g e n

1. [naam],

2. [naam],

beiden gerechtsdeurwaarder te [plaats],

3. [naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 24 juni 2003 ingekomen een verzoekschrift – met een bijlage - van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij namens haar tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 20 mei 2003.

1.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 november 2002, waarin de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, met betrekking tot geïntimeerden sub 1 en 2, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2, ongegrond verklaard en met betrekking tot geïntimeerde sub 3, verder te noemen gerechtsdeurwaarder sub 3, het verzet gegrond verklaard, de bedoelde beslissing van de voorzitter vernietigd voor zover het betreft de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 3 - en deze klacht ongegrond verklaard.

1.3. De gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 hebben bij brief, ter griffie ingekomen op 14 augustus 2003, een verweerschrift – voorzien van een bijlage - ingediend.

1.4. Klaagster heeft bij brief, ter griffie ingekomen op 19 augustus 2003, een aanvullend stuk ingediend. De gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 hebben bij brief, ingekomen op 28 augustus 2003, hierop gereageerd.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2003, alwaar de gemachtigde van klaagster en gerechtsdeurwaarder sub 2 zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

Klaagster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. Het hof begrijpt dat klaagster daartoe feitelijk niet in staat is.

Gerechtsdeurwaarder sub 1 is evenmin in persoon verschenen. Hij heeft bij machtiging van 26 september 2003 gerechtsdeurwaarder sub 2 gemachtigd namens hem ter zitting te verschijnen.

Gerechtsdeurwaarder sub 3 is - abusievelijk - niet opgeroepen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de

hiervoor vermelde stukken.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer voorzover het betreft de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder sub 3 en zal deze derhalve in zoverre vernietigen. Het hof is van oordeel dat de kamer niet tot een gelijktijdige behandeling van het verzet en een inhoudelijke behandeling van deze klacht kon overgaan zonder behoorlijke oproeping van klaagster voor het tijdstip van behandeling van de klacht. Aangezien van instemming van klaagster met deze gang van zaken niet is gebleken kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

4. Ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep voor zover het betreft gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2

4.1. Uitgangspunt in de onderhavige zaak is dat in het algemeen – op grond van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, Gerechtsdeurwaarderwet (hierna: GDW) – tegen een beslissing van de kamer op een klacht, het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof openstaat. Artikel 39 eerste, tweede en vierde lid, GDW bepaalt echter, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, dat de voorzitter kennelijk niet ontvankelijke klachten dan wel kennelijk ongegronde klachten of klachten die van onvoldoende gewicht zijn, bij een met redenen omklede beschikking kan afwijzen, dat door de klager tegen een dergelijke beschikking verzet kan worden gedaan bij de kamer en dat tegen met redenen omklede beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat.

4.2. In deze zaak komt klaagster in hoger beroep van de met redenen omklede beslissing van de kamer van 20 mei 2003, waarbij het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 november 2002 – strekkende tot afwijzing van de klacht van klaagster als kennelijk ongegrond – ten aanzien van gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 ongegrond is verklaard.

4.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klaagster niet ontvangen kan worden in haar hoger beroep betreffende de klacht gericht tegen de gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2.

5. De beoordeling voor zover aan de orde

5.1.Naar het hof is gebleken is gerechtsdeurwaarder sub 3 ten onrechte niet betrokken bij de onderhavige procedure. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden, teneinde gerechtsdeurwaarder sub 3 in de gelegenheid te stellen zijn standpunt in hoger beroep nader uit een te zetten. De gerechtsdeurwaarder sub 3 zal hiertoe door de griffier worden opgeroepen.

5.2. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep voorzover het betreft de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder sub 3;

- verklaart klaagster met betrekking tot de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 niet ontvankelijk in haar beroep;

- houdt in zoverre de behandeling van de zaak aan ten einde de gerechtsdeurwaarder sub 3 in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de klacht in hoger beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 29 januari 2004.

Aanvullende beslissing, tevens houdende een herstelbeslissing, van 22 juli 2004 in de zaak onder rekestnummer 678/2003 GDW van:

[plaats],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: [naam],

t e g e n

1. [naam],

2. [naam],

beiden gerechtsdeurwaarder te [plaats],

3. [naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDEN.

2. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 24 juni 2003 ingekomen een verzoekschrift – met een bijlage – van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij namens haar tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 20 mei 2003.

1.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 5 november 2002, waarin de voorzitter van de kamer de klacht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, met betrekking tot geïntimeerden sub 1 en 2, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2, ongegrond verklaard en met betrekking tot geïntimeerde sub 3, verder te noemen gerechtsdeurwaarder sub 3, het verzet gegrond verklaard, de bedoelde beslissing van de voorzitter vernietigd voor zover het betreft de klacht gericht tegen gerechtsdeurwaarder sub 3 – en deze klacht ongegrond verklaard.

1.3. De gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 hebben bij brief, ter griffie ingekomen op 14 augustus 2003, een verweerschrift – voorzien van een bijlage – ingediend.

1.4. Klaagster heeft bij brief, ter griffie ingekomen op 19 augustus 2003, een aanvullend stuk ingediend. De gerechtsdeurwaarders sub 1 en 2 hebben bij brief, ingekomen op 28 augustus 2003, hierop gereageerd.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2003, alwaar de gemachtigde van klaagster en gerechtsdeurwaarder sub 1 zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

Klaagster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. Het hof begrijpt dat klaagster daartoe feitelijk niet in staat is.

Gerechtsdeurwaarder sub 2 is evenmin in persoon verschenen. Hij heeft bij machtiging van 26 september 2003 gerechtsdeurwaarder sub 1 gemachtigd namens hem ter zitting te verschijnen.

Gerechtsdeurwaarder sub 3 is – abusievelijk – niet opgeroepen.

1.6. Bij beslissing van 29 januari 2004 is de beslissing van de kamer van 20 mei 2003 vernietigd voor zover het betreft de klacht tegen gerechtsdeurwaarder sub 3 en is de zaak aangehouden teneinde gerechtsdeurwaarders sub 3 op te roepen onder gelijktijdige niet ontvankelijk verklaring van de klacht van klaagster ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1 en 2.

1.7. Bij brief van 4 februari 2004 heeft de gemachtigde van klaagster kenbaar gemaakt dat in de beslissing van 29 januari 2004 klaagster niet behoorlijk is opgeroepen en dat de gerechtsdeurwaarder sub 1 en 2 met elkaar verwisseld zijn.

1.8. Bij brieven van 17 februari en 3 maart 2004 handhaaft de gemachtigde van klager zijn standpunt dienaangaande.

1.9. Gerechtsdeurwaarder sub 3 heeft bij brief ingekomen ter griffie van het hof op 20 februari 2004 zijn verweerschrift ingediend.

1.10. Op 26 april 2004 is van de zijde van de gerechtsdeurwaarder sub 3 een verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling van de zaak bij de griffie ingekomen.

1.11. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 juni 2004. De gemachtigde van klager en de gerechtsdeurwaarder sub 3 zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd.

3. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de hiervoor vermelde stukken.

3. Herstel van een kennelijke verschrijving

In de beslissing van 29 januari 2004 is abusievelijk vermeldt onder punt 1.5. dat:

“De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2003, alwaar de gemachtigde van klaagster en gerechtsdeurwaarder sub 2 zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

Klaagster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. Het hof begrijpt dat klaagster daartoe feitelijk niet in staat is.

Gerechtsdeurwaarder sub 1 is evenmin in persoon verschenen. Hij heeft bij machtiging van 26 september 2003 gerechtsdeurwaarder sub 2 gemachtigd namens hem ter zitting te verschijnen.

Gerechtsdeurwaarder sub 3 is - abusievelijk - niet opgeroepen”.

Het hof zal de beslissing van 29 januari 2004 naar aanleiding van de brieven van de gemachtigde van klaagster op dit punt wijzigen.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder sub 3 dat hij ondanks zijn aanzegging tot beslaglegging bij brief van 6 juni 2002 op 13 juni 2002, zonder nader tegen- bericht, niet naar haar huis is gekomen op die bewuste 13 juni 2002.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder sub 3

De gerechtsdeurwaarder sub 3 verweert zich als volgt.

Als een aangezegd beslag wordt ingetrokken dan wordt in het algemeen de betrokkene niet ingelicht. Het was in het onderhavige geval beter geweest als er wel een bericht naar klaagster was gegaan. Daarbij komt dat hij verscheidene dossiers onder handen had op die dertiende juni 2002.

6. De beoordeling (voor zover aan de orde)

6.1. Aan het oordeel van het hof is thans onderworpen of de gerechtsdeurwaarder sub 3 in het onderhavige geval klachtwaardig gehandeld heeft door klaagster er niet van op de hoogte te stellen dat de reeds bij brief van 6 juni 2002 aangekondigde beslaglegging niet zou plaatsvinden.

6.2. Het hof is van oordeel dat klaagster terecht deze klacht heeft voorgesteld. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder sub 3 gelegen om klaagster tijdig in kennis te stellen van het ingetrokken zijn van het beslag. Dat de gerechtsdeurwaarder sub 3 op 13 juni 2002 met verscheidene dossiers op pad is gegaan doet daar niet aan af.

Indien een eenmaal aangekondigde beslaglegging wordt ingetrokken, dan dient dit kenbaar te worden gemaakt aan degene onder wie het beslag gelegd zou worden en aan wie dit laatste was aangekondigd. Dit geldt te meer nu de aangekondigde beslaglegging een ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van klaagster. Het hof acht de klacht gegrond.

6.3. Vervolgens is de vraag aan de orde of de gegrondheid van de klacht moet leiden tot het opleggen van een maatregel. Het hof is van oordeel dat zulks niet het geval is. Tijdens de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat de gerechtsdeurwaarder sub 3 de onjuistheid van zijn handeling heeft ingezien. Het hof acht daarom geen termen aanwezig om de gerechtsdeurwaarder sub 3 een maatregel op te leggen.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- wijzigt rubriek 5.1. van de beslissing zoals uitgesproken op 29 januari 2004 aldus dat deze komt te luiden:

“De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2003, alwaar de gemachtigde van klaagster en gerechtsdeurwaarder sub 1 zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

Klaagster is niet verschenen, wel is de gemachtigde van klaagster opgeroepen.

Gerechtsdeurwaarder sub 2 is evenmin verschenen. Hij heeft bij machtiging van 26 september 2003 gerechtsdeurwaarder sub 1 gemachtigd namens hem ter zitting te verschijnen.

Gerechtsdeurwaarder sub 3 is - abusievelijk - niet opgeroepen”.

- verklaart de klacht gericht tegen de gerechtsdeurwaarder sub 3 gegrond zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 22juli 2004.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 20 mei 2003 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 333.2002 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klaagster,

tegen:

1. [ ],

2. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

3. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden,

gemachtigde [ ].

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 5 november 2002 heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders beslist op de door [ ], hierna klaagster, ingediende klacht tegen de gerechtsdeurwaarders.

Bij aangetekende brief van 18 november 2002 is klaagster een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief van 28 november 2002 is klaagster tegen de beslissing van de voorzitter in verzet gekomen.

Het verzet is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 maart 2003, alwaar namens klaagster is verschenen haar echtgenoot [ ]. Voorts is verschenen [ ], mede namens [ ], [ ], , en [ ].

Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is nader bepaald op 20 mei 2003.

2. Het verzet en de gronden van de klacht

2.1. Klaagster heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in haar verzet kan worden ontvangen.

2.2. Tijdens de behandeling van het verzet heeft klaagster haar klacht nader verwoord en toegelicht. Klaagster heeft daarbij samengevat aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarders hadden moeten controleren of de nota van hun opdrachtgever – verzekeringsmaatschappij Het Groene Land – wel correct was, alvorens over te gaan tot executiemaatregelen. Klaagster verwijt gerechtsdeurwaarder [ ] voorts dat hij op 13 juni 2002 zonder bericht niet is komen opdagen op de door hem bij brief van 6 juni 2002 aangezegde beslaglegging ten huize van klaagster. Dit heeft voor grote spanningen gezorgd bij klaagster.

3. De beoordeling van het verzet

3.1 De voorzitter van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam heeft in zijn beschikking van 5 november 2002 reeds overwogen dat de gerechtsdeurwaarders, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, mochten uitgaan van de juistheid van de vordering van Het Groene Land op klaagster. De gewone rechter had zich hier immers al in twee instanties over uitgelaten. De door klaagster aangevoerde gronden wijken op dit punt niet af van hetgeen zij reeds in haar initiële klacht heeft gesteld. Deze gronden werpen geen nieuw licht op de door de voorzitter gegeven beslissing, die de Kamer juist acht, en bieden evenmin aanknopingspunten de motivering aan te passen.Voorzover het verzet van klaagster hierop betrekking heeft is het verzet derhalve niet gegrond.

3.2 Anders ligt dit voorzover het verzet van klaagster betrekking heeft op het op het laatste moment afgeblazen huisbezoek van gerechtsdeurwaarder [ ]. De voorzitter heeft ten onrechte aan dit onderdeel van de klacht niet afzonderlijk aandacht geschonken.

3.3 Gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak had het de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van de Kamer gesierd indien hij gevolg had gegeven aan zijn aankondiging dat hij op 13 juni 2002 zou langskomen en persoonlijk de stand van zaken, waarbij de noodzaak tot beslaglegging op persoonlijke bezittingen was komen te vervallen, had toegelicht. Het verzet is op dit punt derhalve gegrond. De gedraging van de gerechtsdeurwaarder is echter niet zo ernstig dat dit valt te kwalificeren als een schending van de tuchtrechtelijke norm.

4. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet ongegrond voorzover dit betrekking heeft op het controleren van de nota van de opdrachtgever alvorens over te gaan tot executiemaatregelen;

- verklaart het verzet gegrond voorzover het verzet van klaagster betrekking heeft op het op het laatste moment afgeblazen huisbezoek van gerechtsdeurwaarder [ ];

- vernietigt de beslissing van de voorzitter van 5 november 2002 op dit onderdeel;

- en opnieuw beslissend: verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend voorzitter, mr. A.H. Schotman en N.J.M. Tijhuis, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2003 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

w.g. F.C.H. Krieger w.g. J.S.W. Holtrop

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.