Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ5232

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
26-07-2004
Zaaknummer
776-03 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 101 WNA door kamer van toezicht. Partijdigheid en ministerieplicht van de notaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 22 april 2004 in de zaak onder rekestnummer 776/2003 NOT van:

MR. [W],

notaris te [plaats],

APPELLANTE

advocaat: mr. L.P. Schuttelaar,

t e g e n

[G],

[B],

beiden wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 9 juli 2003 ingekomen een geschrift – met bijlagen – namens appellante, verder te noemen de notaris, waarbij zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Breda, verder te noemen de kamer, van 10 juni 2003, verzonden op 11 juni 2003, waarbij de klacht van geïntimeerden verder te noemen klagers, gegrond is verklaard met oplegging van de maatregel van waarschuwing aan de notaris.

1.2.Van de zijde van klagers is op 11 september 2003 een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen. Op 23 februari 2003 is een brief van klagers ingekomen, waarin klagers verzoeken nog twee stukken aan het dossier toe te voegen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2004. Verschenen zijn klagers, de notaris en haar advocaat. Zij hebben allen het woord gevoerd. De advocaat van de notaris en klagers aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer daaromtrent heeft vastgesteld, het hof voegt daar aan toe dat de bespreking van 15 december 1999 niet de eerste bespreking is geweest die plaatsgevonden heeft tussen de notaris en de erfgenamen. Voor het overige hebben partijen tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klagers

4.1. Klagers verwijten notaris dat zij vanaf het eerste contact - omstreeks 15 december 1999 - met klagers en de overige 14 erfgenamen de schijn heeft gewekt partijdig te zijn. Door de overige erfgenamen te verwijzen naar een advocaat heeft de notaris de belangen van [S] sr. en jr. zwaarder laten wegen dan de belangen van klagers.

4.2. Voorts heeft de notaris onzorgvuldig gehandeld door ten behoeve van de eigendomsoverdracht van de woning van mevrouw [B], verder te noemen erflaatster, aan [S] jr. gebruik te willen maken van een door erflaatster aan [S] sr. verleende omstreden volmacht. Dat deze volmacht omstreden was is naderhand in rechte vastgesteld.

4.3. Tenslotte heeft de notaris door haar partijdige opstelling bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, veel leed, twijfel, negatieve emoties en materiële schade berokkend.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist ten stelligste de stellingen van klagers. Tijdens de bespreking van 15 december 1999, waarin de notaris niet goed voorbereid inging, heeft zij - als boedelnotaris - geen oordeel willen geven over de haar ter beschikking gestelde stukken met betrekking tot de verkoop van de woning van erflaatster.

In het bijzonder heeft zij zich niet willen uitlaten over de rechtsgeldigheid van de overeenkomst. Zij heeft vermeld dat de aanwezigen zich kunnen richten tot een advocaat of een andere adviseur indien zij het niet eens zijn met een overeenkomst. Deze advocaat of adviseur zou desgewenst eveneens bij de geplande bespreking van 20 december 1999 aanwezig kunnen zijn.

5.2. De notaris meende op goede gronden aan haar ministerie plicht te moeten voldoen en kon haar werkzaamheden voor [S] sr. en jr. niet staken aangezien er nog geen duidelijkheid was over de geldigheid van de litigieuze koopovereenkomst.

De notaris is dan ook van mening dat zij zich niet partijdig heeft opgesteld ten aanzien van [S]. Zij kende beide personen niet voordat zij door hen benaderd werd. Het opstellen van een akte van non-compartitie heeft niets met partijdigheid van doen. Deze akte geeft slechts de feiten weer. Door een boedelbespreking te beleggen met alle belanghebbenden wilde zij partijen bij elkaar brengen door een ieder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar voren te brengen.

6. De beoordeling

6.1. Vooreerst dient in deze zaak aan de orde te komen of de kamer de bestreden beslissing had mogen geven, voor zover deze betrekking heeft op de bedenking omtrent de kwestie betreffende de declaratie van de notaris.

6.2. Op grond van artikel 96 WNA kan de voorzitter van de kamer van toezicht in verband met de uitoefening van het toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen op de naleving van de bepalingen van de WNA, van de op grond daarvan uitgevaardigde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen, alsmede van de verordeningen en andere besluiten van de KNB, in het bijzonder die betreffende de goede uitoefening en de eer en het aanzien van het notarisambt, een onderzoek gelasten. Artikel 6, zesde lid, WNA bepaalt dat, indien de voorzitter van de kamer op grond van het onderzoek daartoe aanleiding ziet, hij de zaak kan voorleggen aan de kamer teneinde haar te behandelen overeenkomstig de volgende bepalingen van de WNA. Artikel 101 WNA houdt in dat de kamer geen beslissing neemt dan na verhoor of behoorlijk oproeping van de notaris of kandidaat-notaris.

In het onderhavige geval heeft de kamer gemeend de bedenking staande de zitting te kunnen behandelen, aangezien het hof heeft moeten constateren dat de notaris niet te dier zake is opgeroepen alvorens de bestreden beslissing van 10 juni 2003 is gegeven.

6.3. Het vorenstaande leidt er toe dat de beslissing waarvan beroep voorzover het betreft de gegrond verklaring van de ambtshalve gerezen bedenking met betrekking tot de kwestie inzake de declaratie van de notaris niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kamer op dit klachtonderdeel vernietigen.

6.4. Voor wat betreft het bezwaar van klager met betrekking tot de partijdigheid van de notaris ten aanzien van de geldigheid van de overeenkomsten van de verkoop en de verhuur van de woning van erflaatster zal het hof de motivering van de kamer volgen.

Dat de notaris ondanks de betwisting door klagers van de geldigheid van eerder vermelde overeenkomsten toch tot afwikkeling van de boedel over wilde gaan,

geeft naar het oordeel van het hof blijk van een waardeoordeel.

Hoewel de notaris dit standpunt heeft betwist en daarbij heeft verwezen naar haar brief van 7 januari 2000, waarin zij haar handelwijze tijdens de bijeenkomst van 15 december 1999 heeft uitgelegd, kan het hof terzake niet tot een ander oordeel komen. Uit het onderzoek ter zitting is niet gebleken dat de notaris klagers specifiek heeft verwezen naar een advocaat.

6.5. Ook het oordeel van de kamer met betrekking tot het gestelde omtrent de ministerieplicht van de notaris zal het hof volgen en zich eigen maken behoudens het oordeel van de kamer dat het de notaris in het onderhavige geval geboden was haar diensten te weigeren. Het hof is van oordeel dat de kamer hier een te stringent standpunt inneemt.

6.6. Het hof acht de geconstateerde onzorgvuldigheden van de notaris dusdanig

ernstig, ongeacht dat het hof de zienswijze ten opzichte van de ministerieplicht in het onderhavige geval anders opvat dan de kamer, dat het hof de door de kamer opgelegde maatregel van waarschuwing op zijn plaats acht.

6.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld, dan als niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.8. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 10 juni 2003 voor zover het betreft de ambtshalve gerezen bedenking inzake de declaratiekwestie;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille, Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 22 april 2004.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARISSEN TE BREDA

Beslissing

op de op 3 maart 2003 ingekomen klacht van [G] en [B], namens 16 van de 18 erfgenamen in na te melden nalatenschap, zoals genoemd in de bij het klaagschrift gevoegde kopie van een verklaring van erfrecht onder nummers 1, 2 tot en met 7 en 9 tot en met 18, in hun hoedanigheid van boedelgemachtigden in die nalatenschap, tegen notaris mr. [W], gevestigd te [plaats].

1. Het verloop van de zaak

Bij beslissing van de president van het gerechtshof te Amsterdam van 27 februari 2003 is op verzoek van de kamer van toezicht te ‘s-Hertogenbosch naar analogie van artikel 98 lid 3 van de Wet op het notarisambt deze kamer belast met de behandeling van de klacht.

Na beëindiging van de tussen partijen gevoerde schriftelijke debatten heeft op 21 mei 2003 de mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden, ter gelegenheid waarvan zijn verschenen de gemachtigden van klagers en de notaris

2. De inhoud van de klacht.

Klagers verwijten de notaris het navolgende:

1. de notaris heeft vanaf haar eerste contact met de erven de schijn op zich geladen partijdig te zijn; zij is volledig afgegaan op de mededelingen van [S] sr. en jr en heeft hun belangen zwaarder laten wegen dan die van klagers;

2. de notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door ten behoeve van de eigendomsoverdracht van de woning van erflaatster aan [S] jr. gebruik te willen maken van een door erflaatster aan [S] sr. verleende omstreden volmacht, waarvan die omstredenheid ook later in rechte is vastgesteld, en

3. de notaris heeft door haar partijdige opstelling bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster veel leed, twijfel, negatieve emoties en materiële schade bij alle betrokkenen veroorzaakt.

3. De feiten.

Op grond van hetgeen uit de door partijen uitgewisselde stukken en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken naar voren is gekomen moet van de volgende feiten worden uitgegaan.

3.1 Klagers zijn tezamen met [S] en [S] de gezamenlijke erfgenamen van mevr. [S], overleden op 26 november 1999.

3.2 Kort voor haar overlijden (op 11 november 1999) en tijdens haar verblijf

in het ziekenhuis heeft erflaatster aan haar broer [S] de navolgende schriftelijke volmacht verleend:

“Hierbij machtig ik, [S], thans verblijvende in het Carolusziekenhuis te ’s-Hertogenbosch, mijn broer de heer [S], wonende te [adres], voor onbepaalde tijd tot:

1: het verrichten van alle handelingen die door mij aan hem worden opgedragen en/of verzocht;

2: het verrichten van alle handelingen welke naar het oordeel van mijn broer [S] mijn belang kunnen dienen.”

3.3 Genoemde [S] heeft op 15 november 1999 met gebruikmaking van deze volmacht de woning van erflaatster verkocht aan zijn zoon [S] jr. voor een bedrag van f. 125.000,--, waarbij alle kosten van de overdracht voor rekening zijn van erflaatster; in de koopovereenkomst is o.m. vermeld dat de notariële eigendomoverdracht uiterlijk op 16 mei 2000 zal hebben plaats te vinden.

3.4 Op 15 november 1999 heeft [S]sr. eveneens met gebruikmaking van de volmacht genoemde woning aan [S] jr. verhuurd voor onbepaalde tijd en voor een huurprijs van f. 250,-- per maand e.e.a. in afwachting van de eigendomsoverdracht van de woning aan [S] jr. uit hoofde

van voormelde koopovereenkomst.

3.5 Op verzoek van een aantal erven, waaronder [S] sr., heeft op 15 december 1999 met de notaris een bespreking plaatsgevonden over de afwikkeling door de notaris van de nalatenschap, waarbij door de overige aanwezige erfgenamen de rechtsgeldigheid van de ingevolge de hiervoor genoemde volmacht tussen erflaatster en [S] jr. tot standgekomen koop- en huurovereenkomst ter discussie is gesteld.

3.6 De notaris heeft bij brief van 22 december 2002 alle erfgenamen onder toezending van een kopie van het testament van erflaatster, in verband met de afwikkeling van de nalatenschap uitgenodigd voor een bespreking op haar kantoor op 30 december 1999.

3.7 Deze bespreking heeft geen doorgang gevonden, aangezien een 13-tal erfgenamen de notaris hadden bericht hieraan niet te willen deelnemen, omdat zij aanzienlijke bedenkingen hadden ten aanzien van de verkoop van de woning van erflaatster aan [S] jr. en voorts een andere notaris met de afwikkeling van de nalatenschap belast wensten te zien.

3.8 De notaris heeft hierop bij brief van 7 januari 2000 de erfgenamen -kort samengevat- bericht dit besluit, dat in haar visie een mogelijk gevolg was van haar benadering van de gerezen problemen rond de woning van erflaatster, te respecteren en heeft daarbij die benadering verduidelijkt.

3.9 De afwikkeling van de nalatenschap is nadien opgedragen aan notaris mr. L.W. Groeneweg te Heesch.

3.10 In opdracht van [S] jr. heeft de notaris in het kader van de eigendomsoverdracht van de woning uit hoofde van genoemde overeenkomst de erfgenamen, onder toezending van een concept van de leveringsakte, bij brief van 9 maart 2000 uitgenodigd voor het passeren van die akte op 27 maart 2002.

3.11 Klagers hebben hun medewerking geweigerd en door de notaris is op verzoek van [S] jr. een akte van non-comparitie opgemaakt.

3.12 Het tussen klagers en [S] jr. vervolgens gevoerd overleg heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst, waarbij -samengevat- [S] jr. afstand heeft gedaan van zijn rechten voortvloeiende uit de door klagers betwiste huur- en koopovereenkomst tegen een vergoeding ten laste van de nalatenschap van f. 60.000,--.

3.13 De woning van erflaatster is na het sluiten van deze vaststellingovereenkomst verkocht voor f. 501.075,--.

3.14 Tussen klagers en [S] sr. is vervolgens voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch een procedure gevoerd; in die procedure is door die rechtbank vastgesteld dat [S] sr. op grond van de aan hem door erflaatster verleende schriftelijke volmacht niet bevoegd was om namens haar met betrekking tot haar woning met [S] jr. een koop- en huurovereenkomst aan te gaan. Nadat door die rechtbank voorts was vastgesteld dat [S] sr. niet was geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat erflaatster hem heeft opgedragen cq. verzocht haar woning te verkopen aan [S] jr. voor een koopprijs van f. 125.000,-- kosten verkoopster, en in afwachting van de notariële levering de woning aan [S] jr. voor f. 250,-- per maand te verhuren, is [S] sr. bij vonnis van 8 juni 2001 veroordeeld tot betaling aan klagers van een schadevergoeding, gelijk aan het bedrag dat aan [S] jr. ingevolge de hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst ten laste van de boedel is voldaan.

3.15 Tussen de notaris en notaris mr. Groeneweg, laatstgenoemde namens klagers in zijn hoedanigheid van boedelnotaris, heeft nog een discussie plaatsgevonden over de hoogte van het door de notaris aan de gezamenlijke erfgenamen gedeclareerde honorarium. Ten aanzien daarvan hebben klagers zich immers op het standpunt gesteld dat daarin was begrepen kosten/werkzaamheden, uitsluitend gemaakt/verricht in opdracht en ten behoeve van [S] jr. Klagers hebben op die grond geweigerd de declaratie ten laste van de boedel te voldoen, waarna de notaris haar vordering ter incasso in handen heeft gegeven van een deurwaarder, hetgeen

heeft geleid tot betaling van het door klagers erkende deel van de declaratie. De notaris heeft in die discussie het door notaris mr. Groeneweg gedane voorstel om de declaratiekwestie voor te leggen aan de ringvoorzitter van de hand gewezen.

4. Het standpunt van klagers.

Klagers stellen zich op het standpunt dat de notaris reeds tijdens haar eerste bespreking op 15 december 1999 met een aantal van hen en dus ten tijde dat zij werd aangezocht voor de afwikkeling van de nalatenschap, zich ten aanzien van de daarbij aan de orde gestelde kwestie van de verkoop en verhuur van de woning door [S] sr. aan diens zijde en derhalve partijdig heeft opgesteld.

Ofschoon aan de notaris daarbij toen is kenbaar gemaakt dat de gang van zaken rond de volmacht en verkoop/verhuur van de woning van erflaatster bij klagers zwaar op de maag lag, omdat zij een en ander een vreemde van gang van zaken vonden en dat de koopprijs veel te laag was, heeft zij geen enkel bezwaar gezien om de levering niet tot stand te brengen en klagers te verstaan gegeven dat indien zij het hiermee niet eens waren maar naar een advocaat moesten gaan.

Zij heeft hieraan, aldus klagers, niettegenstaande hun betwisting van de koop- en verhuurovereenkomst ook feitelijk uitvoering willen geven en zulks willen doorzetten door de erfgenamen voor het transport van de woning uit te nodigen en zij heeft vervolgens, na de weigering van klagers om te verschijnen, een akte van non-comparitie gepasseerd.

Deze partijdige opstelling geldt volgens klagers nog te meer, nu in rechte is vastgesteld dat [S] sr. niet bevoegd was tot verkoop van de woning aan [S] jr. en hij uit dien hoofde is veroordeeld tot betaling van de bij vaststellingovereenkomst overeengekomen vergoeding aan [S] jr. voor ontbinding van de koopovereenkomst.

Klagers voeren verder aan dat de notaris ondanks herhaalde verzoeken heeft geweigerd haar declaratie te splitsen in boedelkosten en advieskosten tbv [S] sr. en jr. en zelfs er voor heeft gekozen haar declaratie via een deurwaarder te incasseren. De notaris heeft een daarbij voorgestelde bemiddeling door de ringvoorzitter afgewezen.

5. Het standpunt van de notaris.

De notaris betwist door de klagers ingenomen standpunten en heeft daarvoor in de eerste plaats verwezen naar haar onder 2.8 aangehaalde brief van 7 januari 2000 aan de erfgenamen.

In deze brief verduidelijkt zij aan de erfgenamen haar benadering van de gerezen problemen rond het huis van erflaatster, die volgens haar mogelijk het gevolg is geweest voor het inschakelen van een andere notaris.

Voor zover relevant deelt de notaris daartoe aan de erfgenamen mede:

- dat zij noch ten tijde van haar eerste bespreking noch later enig oordeel heeft willen geven over de haar ter inzage gegeven stukken met betrekking tot de verkoop van de woning van erflaatster door [S] sr. aan [S] jr. en dat zij daartoe heeft verwezen naar een advocaat;

- dat zij er de voorkeur aangaf haar handen vrij te houden en het te willen laten aankomen op een boedelbespreking met alle belanghebbenden, omdat het haar stellige indruk was dat de verkoop van het huis nogal wat beroering in de familie veroorzaakte;

- dat zij daarbij voornemens was in die bespreking te overleggen over de mate waarin het aannemelijk was dat erflaatster wilde verkopen aan haar neef, over een eventueel motief van haar om het huis beneden de waarde te verkopen en daarbij misschien suggesties te doen om partijen bij elkaar te brengen, verondersteld dat van enig meningsverschil zou blijken;

- dat zij nog steeds van mening is dat aan een goed resultaat van het overleg in de familie in de weg zou hebben gestaan indien zij terstond een juridisch oordeel over de stukken die betrekking hebben op de verkoop van het huis zou hebben gegeven.

Verder voert de notaris aan dat zij nimmer heeft beweerd geen enkel bezwaar te zien om de levering niet te laten plaatsvinden; uit de hiervoor genoemde brief blijkt immers naar haar mening het tegendeel.

Ten aanzien van de declaratiekwestie -ofschoon niet als klachtonderdeel geformuleerd- bestrijdt de notaris dat zij heeft geweigerd haar nota te splitsen; uit deze nota blijkt volgens haar immers wel degelijk welke kosten ten laste van [S] jr zijn gemaakt, en dat die kosten ook niet door haar bij de erven in rekening zijn gebracht. Verder stelt zij dat zij logischerwijze geen afsplitsing heeft gemaakt voor gemaakte kosten ten gunste van [S] sr., omdat zij immers voor hem heeft opgetreden als boedelnotaris.

6. De beoordeling en de gronden daarvoor.

Ter zake van de voorliggende klacht staat centraal de vraag of de notaris met de wijze van haar benadering van de door klagers bestreden koop- en verhuurovereenkomst betreffende de woning van erflaatster haar in acht te nemen neutraliteit heeft geschonden en daarbij geen, danwel onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van klagers.

Voor de beantwoording van die vraag moet naar het oordeel van de kamer op de eerste plaats worden vastgesteld dat de notaris ter zake van de kwestie in verschillende hoedanigheden heeft gehandeld.

Gebleken is immers dat de notaris in eerste instantie door klagers is benaderd als boedelnotaris ter afwikkeling van de nalatenschap en vervolgens, nadat klagers die opdracht hadden ingetrokken en een andere notaris daarmee hadden belast, door [S] jr. voor de levering van de woning aan hem ter uitvoering van de betwiste koopovereenkomst.

Het standpunt van klagers dat de notaris reeds vanaf haar eerste contact met een aantal van de erfgenamen, met name ter gelegenheid van haar gesprek met hen op 15 december 1999, de kwestie van de verkoop en verhuur van de woning zodanig heeft benaderd dat zij daaruit hebben moeten afleiden dat de notaris ondanks hun betwisting van de geldigheid van die overeenkomsten toch daarvan in het kader van de afwikkeling boedel wilde uitgaan en daarmee in wezen een waarde-oordeel over de kwestie heeft gegeven, is naar het oordeel van de kamer in voldoende mate aannemelijk geworden.

De notaris heeft dit standpunt weliswaar betwist en zij heeft daarvoor verwezen naar haar brief van 7 januari 2000, waarin zij haar benadering op 15 december 1999 van de kwestie heeft verduidelijkt, doch zij heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling niet gemotiveerd weersproken dat zij klagers, althans de erfgenamen voor hun betwisting van die overeenkomsten in feite zonder meer heeft verwezen naar een advocaat.

De notaris heeft hiermee in ieder geval bij klagers de indruk gewekt dat zij reeds op 15 december 1999 van de geldigheid van de overeenkomst wilde uitgaan, hetgeen ook verklaarbaar maakt dat klagers direct daarna de notaris hebben kenbaar gemaakt dat zij niet langer van haar diensten als afwikkelaar van de boedel gebruik wensten te maken.

Het moge zijn dat de notaris daarmee niet de bedoeling heeft gehad een waarde-oordeel als voormeld uit te spreken en dat van een miscommunicatie sprake was, doch dit neemt niet weg dat klagers dit in hun beleving wel als zodanig hebben mogen opvatten. De notaris heeft daarmee bij klagers een schijn van partijdigheid gewekt, hetgeen haar kan worden aangerekend.

Geconstateerd moet verder worden dat de notaris, ofschoon zij volledig op de hoogte was van de betwisting door klagers van de door [S] sr. met [S] jr. tot stand gebrachte koopovereenkomst, op verzoek van [S] jr. haar volle medewerking aan de eigendomsoverdracht van de woning heeft willen geven, door onder toezending van een concept van de transportakte alle erfgenamen voor dat transport uit te nodigen.

Daarbij moet worden voorop gesteld dat naar heersende rechtsopvatting een notaris een ministerieplicht heeft, tenzij gegronde redenen voor dienstweigering aanwezig zijn, waarbij in geval van twijfel de notaris degene die zijn ministerie verlangt in overweging kan geven hem te dagvaarden in een kortgedingprocedure.

Tegen de achtergrond van de bekendheid van de notaris met de serieuze aard van de betwisting van de koopovereenkomst, immers gelegen in de onbevoegdheid van [S] sr. tot verkoop van de woning van erflaatster aan zijn zoon [S] jr. voor een aanzienlijk lagere koopprijs, kosten verkoper, -welke onbevoegdheid overigens later in rechte is vastgesteld- waren naar het oordeel van de kamer deze gegronde redenen in voldoende mate aanwezig.

Het had derhalve voor de notaris bij een zorgvuldige afweging van de belangen van de betrokken partijen in de rede moeten liggen dat zij de hiervoor genoemde weg had gevolgd, dan wel in ieder geval haar medewerking aan het transport had opgeschort totdat meer duidelijkheid was verkregen over de standpunten van partijen, tussen wie immers, naar de notaris eveneens bekend was, nog besprekingen gaande waren.

Door dit na te laten en haar medewerking zonder meer aan het transport te willen verlenen heeft de notaris uitsluitend oog gehad voor de belangen van [S] jr. en heeft zij daarmee over de kwestieuze koopovereenkomst een oordeel gegeven als ware zij rechter, hetgeen niet de taak van een notaris is.

Deze handelwijze laat zich dan ook niet rijmen met het door de notaris als verweer ingenomen standpunt dat zij zich van een waarde-oordeel heeft onthouden.

Uitsluitend de weigering van klagers om aan het transport hun medewerking te verlenen, heeft aan de door notaris voorgenomen levering in de weg gestaan.

De notaris heeft met dit alles jegens klagers onzorgvuldig en niet op een wijze als een notaris betaamt, gehandeld.

De klachtonderdelen 1. en 2. zijn derhalve gegrond.

Klachtonderdeel 3. ziet op de door klagers gestelde door hen ondervonden gevolgen van het als hiervoor als klachtwaardig aan te merken handelen van de notaris, hetgeen klagers aan haar toerekenen.

Voor zover klagers met dit klachtonderdeel beogen om de tengevolge daarvan door hen vermeend geleden (im)materiële schade ter verhaal op de notaris te doen vaststellen, gaat de kamer hieraan voorbij, aangezien haar als tuchtorgaan daartoe geen bevoegdheid toe komt, welke immers is voorbehouden aan de civiele rechter.

Nu dit klachtonderdeel voor het overige uitsluitend kan worden gezien in samenhang met de hiervoor besproken klachtonderdelen 1. en 2., kan hieraan geen zelfstandige betekenis worden toegekend en dient dit onderdeel onbesproken te worden gelaten.

Dit is evenwel anders ten aanzien van de nog naar voren gekomen kwestie van de declaratie van de notaris.

Hoewel deze kwestie door klagers niet expliciet als onderdeel van hun klacht is aangevoerd, behoeft deze naar het oordeel van de kamer op grond van haar toezicht houdende taak (ambtshalve) bespreking.

Op grond van de ter zake overgelegde tussen de notaris en notaris mr. Groeneweg (zijnde haar opvolger als boedelnotaris) gevoerde correspondentie moet immers worden geconstateerd dat de notaris ten aanzien van deze kwestie ieder redelijk overleg daarover van de hand heeft gewezen.

De notaris heeft zonder meer een incassoprocedure via een deurwaarder aangevangen en heeft een voorstel tot bemiddeling door de ringvoorzitter niet aanvaard.

Gebleken is dan ook dat de notaris ter zake van die kwestie zich bijzonder star en weinig collegiaal heeft opgesteld, hetgeen als klachtwaardig moet worden aangemerkt.

De kamer acht het als voormeld uit de klachtonderdelen 1. en 2. en het uit de aan de orde gekomen declaratiekwestie gebleken handelen van de notaris dermate laakbaar en in strijd met de eer en waardigheid van het ambt van notaris, dat daarop de maatregel van waarschuwing past.

De kamer heeft daarbij betrokken de haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klacht gebleken opstelling van de notaris, erop neerkomende dat zij nog steeds uitgaat van onbegrip van klagers voor haar rol in de kwestie. De kamer heeft daarbij verder meegewogen de door de notaris bij de mondelinge behandeling ten aanzien van de declaratiekwestie opgegeven reden voor haar volhardendheid bij de betaling van haar declaratie, inhoudende dat zij geen zin had in de voorgestelde bemiddeling door de ringvoorzitter.

De kamer is van oordeel dat de notaris daarmee blijk heeft gegeven onvoldoende inzicht te hebben in de ernst van de laakbaarheid van haar handelen.

7. De beslissing.

De kamer van toezicht

verklaart de klacht op de onderdelen 1. en 2. gegrond;

verklaart voorts gegrond de ambthalve gerezen bedenking tegen de notaris ter zake van de hiervoor genoemde declaratiekwestie.

legt ter zake daarvan aan de notaris de maatregel op van waarschuwing;

bepaalt dat deze maatregel zal worden uitgesproken door de voorzitter in een van de vergaderingen van de kamer, waartoe de notaris zal worden opgeroepen.

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.M. Steenbeek, voorzitter, H. Quispel, Th.G.M. de Kort en Th.H.M. Fikkers, allen leden, en C. Wallis, plaatsvervangend lid, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2003 in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong.

--

voor eensluidend afschrift

de secretaris van de kamer van toezicht over de

notarissen en kandidaat-notarissen te Breda.

Tegen deze beslissing kan binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief waarbij de beslissing is toegezonden hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, t.a.v. kamer 17A)