Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP4536

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
28-06-2004
Zaaknummer
02/1570
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van onttrekking aan het douanetoezicht in Nederland. In beginsel staat het de inspecteur vrij, in geval van een vermis inklaring als het onderhavige, zowel afhandelaar als luchtvaartmaatschappij of beiden, tot betaling aan te spreken, mits aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Echter, gezien het op Schiphol door de douane gevoerde beleid mocht belanghebbende ervan uitgaan dat steeds de afhandelaar tot betaling zou worden aangesproken en dat het te dezen gevoerde beleid pas t.a.v. op of na 25 juni 1998 ontstane douaneschulden wegens 'vermis inklaring' zou worden gewijzigd. Het beroep van belanghebbende dat de douane in strijd handelt met beginselen van behoorlijk bestuur door haar en niet de afhandelaar tot betaling aan te spreken slaagt.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 18
Wet op de omzetbelasting 1968 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/44.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 02/1570 DK

de dato 27 april 2004

1. De procedure

1.1. Op 26 februari 2002 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z, ingediend namens B (hierna: belanghebbende).

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict C (hierna: de inspecteur) van 7 februari 2002, kenmerk ……, waarbij het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van

7 september 2001, ……, op een verzoek om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting, geheven bij de uitnodiging tot betaling van 28 april 1999, nummer ……, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van € 218,-- geheven.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft belanghebbende nadere stukken aan de Douanekamer ingezonden; deze stukken zijn in afschrift aan de inspecteur gezonden.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden met gesloten deuren tijdens de zitting van de Douanekamer van 10 februari 2004.

Namens belanghebbende zijn verschenen D, E en F; namens de inspecteur mr. G en mr. H. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 13 december 1997 heeft belanghebbende voor met vlucht nummer …… binnengekomen goederen een summiere aangifte gedaan door indiening van een “cargo manifest” (hierna: manifest). Op dat manifest was onder Airwaybill nummer …… een zending van 80 colli vermeld met als goederenomschrijving consolidated shipment. Van de binnenkomst van het luchtvaartuig is mededeling gedaan door een melding met gebruikmaking van het Centrale Informatie Systeem Schiphol (CISS). Na de lossing werden de op het manifest vermelde goederen over het platform naar het douane-entrepot van A B.V. (hierna: de afhandelaar) overgebracht. Bij de controle van de hoeveelheid door de afhandelaar werd geconstateerd dat niet voormelde 80, doch 79 colli aanwezig waren.

Van dit vermis werd melding gemaakt in een “irregularity report import”.

Op 10 december 1998 heeft de afhandelaar het vermis kenbaar gemaakt aan de douane. Deze heeft bij brief van 11 december 1998 de afhandelaar in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de ontbrekende goederen onder een douaneregeling zijn geplaatst.

2.2. Bij de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling is ter zake van het vermis f 1.995,-- aan douanerechten en f 7.331,70 aan omzetbelasting van belanghebbende geheven.

Het vervolgens door belanghebbende ingediende verzoek om terugbetaling van genoemde bedragen is door de inspecteur afgewezen.

2.3. Tot de gedingstukken behoren:

- een kopie van de aan de afhandelaar afgegeven vergunning douane-entrepot type C-sum; daarin is onder meer vermeld: “De vergunninghouder dient voor de inwerkingtreding van deze vergunning aan het douaneteam kenbaar te maken voor welke luchtvaartmaatschappijen zij de inklaringsformaliteiten zullen verrichten. Voor het juist vervullen van de inklaringsformaliteiten wordt de vergunninghouder voor deze luchtvaartmaatschappijen geacht aansprakelijk te zijn.”.

- een kopie van de op 25 juni 1998 ter vervanging van vorengenoemde vergunning afgegeven vergunning, waarin de hiervoor aangehaalde passage over de aansprakelijkheid van de vergunninghouder niet meer voorkomt.

- een brief van de inspecteur van 21 december 1998, gericht aan “Alle afhandelaren en luchtvaartmaatschappijen” waarin onder meer is vermeld:

“Tot op heden is door de douane een bepaalde procedure gehanteerd met betrekking tot de geconstateerde verschillen tijdens de check van de geloste goederen aan de hand van de summiere aangifte (het manifest van lading).

Deze procedure hebben we onlangs doorgelicht, hierbij is gebleken dat enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Enerzijds dwingt communautaire wetgeving ons hiertoe, anderzijds zijn de inzichten op bepaalde aspecten gewijzigd. De voor u van belang zijnde veranderingen worden hierna weergegeven. Deze veranderingen, behoudens de tenaamstelling van de Uitnodiging tot Betaling (deze is reeds gewijzigd) gaan in per 1 januari 1999.

1. Aansprakelijkheid.

Na de lossing van de goederen bevinden de goederen zich op grond van artikel 50 CDW formeel in een status van tijdelijke opslag. De luchtvaartmaatschappij is in deze fase aansprakelijk voor eventuele verschillen. De aansprakelijkheid gaat over op de entreposeur op het moment dat de geloste goederen (gecheckt zijn en) ingeschreven worden in de voorraadadministratie van de entreposeur (douane-entrepot 1e linie). Op dit moment wordt aan de formele verplichting van het geven van een douanebestemming aan de geloste goederen voldaan.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat een uitnodiging tot betaling wegens minderbevindingen (zogenaamde vermis inklaring), geconstateerd voor de opname in de voorraadadministratie, op naam gesteld wordt van de luchtvaartmaatschappij. De adressering blijft echter aan de desbetreffende afhandelaar geschieden daar deze als tussenpersoon optreedt. (...)

Deze werkwijze zal met ingang van 1 januari 1999 worden toegepast.

In het geval na de definitieve opname in de voorraadadministratie (is de formele plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots) een minderbevinding geconstateerd wordt zal de Uitnodiging tot Betaling wegens vermis in douane-entrepot op naam van de entreposeur gesteld worden.”

- een brief van de inspecteur van 26 april 2000, gericht aan belanghebbende, waarin onder meer is vermeld: “Medio 1999 is de procedure met betrekking tot vermissen bij inklaring van goederen uit niet-EUlanden aangepast. Vanaf dat moment is de luchtvaartmaatschappij wettelijk aansprakelijk voor het verschuldigde belastingbedrag met betrekking tot de ontbrekende goederen.”

- een brief van de Belgische Administratie der Douane en Accijnzen van 24 februari 1999.

3. Het geschil

In geschil is of het verzoek om terugbetaling door de inspecteur terecht is afgewezen.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat in casu geen douaneschuld is ontstaan; subsidiair stelt zij dat zij ten onrechte als schuldenaar is aangemerkt.

De inspecteur verdedigt tegengestelde standpunten.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Door de melding van de aankomst van het vliegtuig in het CISS wordt uitsluitend het binnenkomende vliegtuig aangebracht, niet de daarin aanwezige goederen.

Op grond van de logistieke procedure, de wijze waarop luchtvracht op een luchtvrachtpallet is afgesloten middels het gebruikelijke plastic en de netten van touw die worden gebruikt om de vracht vast te zetten, de constatering van de minderbevinding voor de eerste maal na binnenkomst tijdens de “afbraak” van het pallet, en de nauwkeurige vermelding van de minderbevinding in het “irregularity report”, is aannemelijk dat het geconstateerde verschil tussen de bevonden goederen en het op het manifest vermelde aantal colli niet in de Gemeenschap is ontstaan. Op het manifest is ten onrechte vermeld dat 80 colli aanwezig waren; er zijn nooit meer dan 79 colli aanwezig geweest.

4.2. Indien toch van 80 colli moet worden uitgegaan, staat niet vast dat deze daadwerkelijk in de Gemeenschap zijn binnengebracht, en aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Een belastbaar feit heeft zich niet voorgedaan, een douaneschuld is niet ontstaan.

4.3. Mocht toch een douaneschuld zijn ontstaan, dan dient de luchthaven Schiphol, als beheerder van het platform, als schuldenaar te worden aangemerkt.

Voordat de goederen werden ingeschreven in de administratie van het entrepot van belanghebbende, bevonden zij zich overeenkomstig artikel 50 van het Communautair douanewetboek (CDW) in tijdelijke opslag. Aangenomen mag worden dat de douane het platform daarvoor heeft goedgekeurd.

Belanghebbende is geen houdster van goederen in tijdelijke opslag geweest.

4.4. Op grond van gewijzigde inzichten heeft de douane bij de wijziging van de vergunning van de afhandelaar op 25 juni 1998 de aansprakelijkheid voor het vervullen van inklaringsformaliteiten laten vervallen. Bij brief van 21 december 1998 heeft de inspecteur de luchtvaartmaatschappijen en afhandelaren hierover ingelicht. In de brief van de inspecteur van 26 april 2000 staat dat de aanpassing “vanaf dat moment” geldt. De onderhavige douaneschuld is volgens de douane ontstaan op 13 december 1997. Overeenkomstig de toen geldende opvattingen had de afhandelaar tot betaling moeten worden aangesproken. Het is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur om het gewijzigde beleid met terugwerkende kracht toe te passen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende heeft de goederen binnengebracht, mededeling gedaan van de aankomst daarvan met gebruikmaking van het CISS, en vervolgens de summiere aangifte (luchtvaartmanifest) ingediend. Bij de telling door de afhandelaar is vastgesteld dat ten opzichte van de summiere aangifte een tekort (vermis inklaring) van één collo ontstaan.

Wat tussen de summiere aangifte en de inslag in het entrepot verdwijnt (het vermis inklaring) is op het platform op Schiphol onttrokken aan het douanetoezicht. Het is hierbij niet van belang dat de douane het vermis fysiek vaststelt. Herziening van de summiere aangifte is alleen mogelijk als wordt aangetoond dat de goederen niet met de desbetreffende vlucht op Schiphol

zijn binnengebracht.

De ervaring leert dat op Schiphol regelmatig goederen worden gestolen en dat goederen na lossing uit het vliegtuig vaak onbeheerd op het platform staan.

De wijze van verpakking van de luchtvracht biedt geen enkele waarborg dat de goederen niet aan het toezicht worden onttrokken. Overigens is niet aangetoond dat de luchtvracht was verpakt zoals op de door belanghebbende overgelegde foto’s is aangegeven.

Belanghebbende heeft geen enkel bewijs bijgebracht waaruit zou kunnen blijken dat de ontbrekende goederen niet op Schiphol zijn binnengebracht.

5.2. Zolang de goederen niet onder de regeling douane-entrepot zijn gebracht, hebben ze nog geen toegelaten douanebestemming. Tussen het tijdstip van aanbrengen en het brengen onder de regeling douane-entrepot worden de goederen op grond van artikel 50 CDW aangemerkt als goederen in tijdelijke opslag.

Deze status duidt niet zozeer op een goedgekeurde plaats, maar vormt een soort juridische paraplu die ertoe dient dat – zo lang de goederen nog geen douanebestemming hebben gekregen – een verantwoordelijke persoon, die de verplichtingen voortvloeiend uit de tijdelijke opslag dient na te komen, kan worden aangewezen. Die persoon is in dit geval belanghebbende.

5.3. In de entrepotvergunning van de afhandelaar is bepaald dat als zij de summiere aangifte doet, zij ook aansprakelijk is voor een juiste vervulling van de inklaringsformaliteiten. Op die bepaling kan in casu geen beroep worden gedaan,

nu belanghebbende zelf de summiere aangifte heeft ingediend.

In de brief van 21 december 1998 heeft de douane bekendgemaakt dat, op basis van voortschrijdend inzicht, voortaan in geval van vermissen bij de inklaring niet de afhandelaar, maar de luchtvaartmaatschappij tot betaling zou worden aangesproken.

Het onderhavige vermis inklaring was eind 1997 bekend, maar is pas op 10 december 1998 aan de douane gemeld. Onder die omstandigheid is het niet in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur dat de uitnodiging ter zake van het vermis ten name van belanghebbende is gesteld.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De Douanekamer is van oordeel dat door de melding met gebruikmaking van het CISS in de vereiste vorm een mededeling is gedaan van de aankomst van zowel het luchtvaartuig als de daarin aanwezige vrachtgoederen. Door die melding is voldaan aan de in artikel 40 CDW opgenomen verplichting tot aanbrengen van binnengekomen goederen, en hebben de goederen ingevolge artikel 50 CDW de status van goederen in tijdelijke opslag gekregen.

6.2. Voor de binnengebrachte goederen is op de voet van de artikelen 43 en 44 CDW een summiere aangifte gedaan door inlevering van het sub 2.1. bedoelde manifest. Tegenover de betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat in het luchtvaartuig minder goederen aanwezig waren dan op het manifest was vermeld. De inspecteur heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor herziening van de aangifte met toepassing van artikel 78 CDW geen plaats was.

6.3. Gelet op hetgeen sub 6.2. is overwogen moet ervan worden uitgegaan dat 80 colli goederen, als op het manifest vermeld onder Airwaybill nummer ……, zijn binnengebracht. Die goederen waren ingevolge artikel 37 CDW vanaf het ogenblik waarop zij werden binnengebracht, aan douanetoezicht onderworpen. Nu bij de controle door de afhandelaar 79 colli zijn aangetroffen, en omtrent het ontbrekende collo verder niets is gesteld of gebleken, moet worden geconcludeerd dat sprake is van een handelen of nalaten, als gevolg waarvan de douane geen toegang meer had tot de ontbrekende goederen en de in communautaire douanewetgeving voorziene controles niet meer kon uitvoeren.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 1 februari 2001, zaak C-66/99 (Wandel), Jur. blz. I-873, UTC 2001/61*, moet dan ook worden geoordeeld dat de ontbrekende goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203, lid 1, CDW.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 2002, zaak C-371/99 (Liberexim), Jur. blz. I-6227, DR 2003/45*, zijn de goederen eveneens onttrokken in de zin van artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn en artikel 18, lid 1, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet).

De onttrekking heeft plaatsgevonden op een tijdstip - gelegen tussen de binnenkomst van de goederen en de telling voorafgaand aan de inslag in entrepot - dat de goederen hier te lande aanwezig waren. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de goederen in Nederland aan het douanetoezicht zijn onttrokken, en in Nederland zijn ingevoerd in de zin van artikel 1, aanhef en letter d, van de Wet.

Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van de ontbrekende goederen zowel een douaneschuld als een omzetbelastingschuld is ontstaan, en dat Nederland bevoegd is tot heffing van douanerechten en omzetbelasting.

6.4. De inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat de douane het platform, waarop de goederen zich na lossing bevinden, niet heeft goedgekeurd als ruimte voor tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 185 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (UCDW). De beheerder van die ruimte, zijnde de Luchthaven Schiphol, kan dan ook in dezen niet als schuldenaar worden aangemerkt.

6.5. Ingevolge artikel 203, vierde streepje, CDW is douaneschuldenaar de persoon, die (onder meer) de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen, dient na te komen. Nu de goederen ingevolge artikel 50 CDW de status van goederen in tijdelijke opslag hebben, en belanghebbende in casu de summiere aangifte heeft ingediend, rustten op haar verplichtingen ingevolge artikel 183 jo. artikel 184, lid 1, UCDW; uit dien hoofde kon zij als douaneschuldenaar en, met toepassing van artikel 22, lid 1, van de Wet, als belastingschuldige voor de omzetbelasting worden aangemerkt.

Daarnaast kon ook de afhandelaar als schuldenaar worden aangemerkt, in verband met de ingevolge artikel 184, lid 2, UCDW op haar rustende verplichtingen.

6.6. Ten aanzien van het beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur overweegt de Douanekamer als volgt.

In beginsel staat het de inspecteur vrij, in geval van een vermis inklaring als het onderhavige, zowel de afhandelaar als de luchtvaartmaatschappij, of beiden, tot betaling aan te spreken, mits uiteraard aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan.

Uit de sub 2.3. weergegeven brieven van de inspecteur en de daar vermelde wijziging van de entrepotvergunning, bezien in hun onderlinge samenhang, valt evenwel af te leiden, dat de douaneautoriteiten op Schiphol het beleid voerden dat ter zake van door zogenoemde “vermissen inklaring” ontstane douaneschulden steeds de afhandelaar tot betaling werd aangesproken.

De brieven vermelden verschillende tijdstippen van ingang van wijziging van dit beleid; de Douanekamer gaat ervan uit dat de in de brief van 21 december 1998 voorkomende passage “behoudens de tenaamstelling van de Uitnodiging tot Betaling (deze is reeds gewijzigd)” teruggrijpt op de wijziging van de entrepotvergunning. Genoemde uitlatingen van de inspecteur mochten dan ook door belanghebbende worden opgevat als een toezegging dat het te dezen gevoerde beleid eerst ten aanzien van op of na 25 juni 1998 ontstane douaneschulden wegens “vermis inklaring” zou worden gewijzigd.

De onderhavige douane- en omzetbelastingschuld is ontstaan op 13 december 1997; het stond de inspecteur derhalve niet vrij in afwijking van het toen vigerende beleid ter zake daarvan belanghebbende - in plaats van de afhandelaar - tot betaling uit te nodigen. Daaraan doet niet af dat het vermis inklaring eerst op 10 december 1998 aan de douane is gemeld, en dat de uitnodiging tot betaling op 28 april 1999 - dus na de beleidswijziging - is verzonden.

6.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van de inspecteur niet in stand kan blijven.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, conclusie van repliek en verschijnen zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322,-- =

€ 1.207,50.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, en de beschikking van de inspecteur

van 7 september 2001, ……;

- verleent aan belanghebbende een teruggaaf groot f 1.995,-- aan douanerechten en f 7.331,70 aan omzetbelasting, totaal

f 9.326,70, (€ 4.232,27);

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.207,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad

€ 218,-- te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 27 april 2004 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, H. Bokhorst en mr. J.W.M. Tijnagel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Grando, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.