Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP3843

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
01/90037
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de douanewaarde van rozen uit Zuid-Afrika, die belanghebbende door verschillende aangevers heeft doen aangeven voor het vrije verkeer. Voorts is de navorderingstermijn in geding. Belanghebbende heeft de prijs op de factuur van leverancier G uit Zuid-Afrika voldaan. Nadien heeft zij creditfacturen opgemaakt en zijn onder de benaming “profit on sales” aan G nabetalingen gedaan welke op dezelfde zendingen rozen betrekking hebben. Op de aangiften is als douanewaarde uitsluitend de op eerstgenoemde facturen vermelde prijs ingevuld, verhoogd met een bedrag aan vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap. De Douanekamer is van oordeel dat ingevolge artikel 29, derde lid, onderdeel a, CDW, de voornoemde nabetalingen onderdeel uitmaken van de douanewaarde. Wat betreft de navorderingstermijn heeft de Douanekamer geoordeeld dat de inspecteur ingevolge artikel 221, derde lid, CDW jo. artikel 129 Wet inzake de douane onderscheidenlijk artikel 22e AWR, terecht deze termijn heeft verlengd tot vijf jaren; volgens de Douanekamer bestaat er geen grond voor het oordeel dat het handelen en nalaten van belanghebbende niet was gericht op ontduiking van rechten bij invoer. Het beroep is ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22e, geldigheid: 2004-05-11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52, geldigheid: 2004-05-11
Douanewet 8, geldigheid: 2004-05-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 01/90037 DK (voorheen nr. 0037/2001 TC)

de dato 11 mei 2004

1. De procedure

1.1. Op 5 januari 2001 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z, belanghebbende, ingediend door mr. B van C te Y. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 24 november 2000, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van een bedrag aan douanerechten groot f 97.529,-- (€ 44.256,73) van 6 september 1999, kenmerk ……, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- (€ 204,20) geheven.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van belanghebbende is een conclusie van repliek ingekomen, van de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 15 april 2003. Aldaar zijn namens de inspecteur verschenen mr. E en F. Belanghebbende is, als vermeld in zijn faxbericht van 10 april 2003, niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de jaren 1996 tot en met 1998 heeft belanghebbende door verschillende aangevers rozen uit Zuid-Afrika doen aangeven voor het vrije verkeer. De rozen zijn betrokken van de leverancier G. In vak 24 van de aangiften is het cijfer 1 vermeld, hetgeen aangeeft dat sprake is van een eigendomsoverdracht tegen vergoeding. Op de bij de aangiften

gevoegde facturen is steeds vermeld “sale on consignment“ en “F.O.B. value (for customs purposes only)”. De factuurprijs is door belanghebbende aan G voldaan. Onder aan de facturen van G is vermeld: “Directors: H, I, J”. Nadien zijn door belanghebbende creditfacturen opgemaakt en zijn onder de benaming “profit on sales” aan G nabetalingen gedaan welke op dezelfde zendingen rozen betrekking hebben. Op de aangiften is als douanewaarde uitsluitend de op eerstgenoemde facturen vermelde prijs ingevuld, verhoogd met een bedrag aan vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap, groot in totaal f 80.650,--.

2.2. Op verzoek van de inspecteur is op 6 en 29 april 1999 door een ambtenaar van de douanepost X, vestiging W, een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van belanghebbende in de jaren 1996 tot en met 1998. In het verslag van het onderzoek is onder meer vermeld:

“In het crediteurenbestand van de ondernemer zijn de volgende bedragen van de leveranciers buiten de EU opgenomen over de controlejaren 1996 t/m 1998. Er zijn drie leveranciers uit Zuid-Afrika getraceerd, t.w. G, H en K.

(...)

Het totaal crediteurenbestand minus de reeds ten invoer aangegeven transactiewaarde en de rechtstreeks aan derde landen geleverde artikelen wordt dan vastgesteld op: f 854.097,-- – f 16.859,-- = f 837.238,--.

(...)

Dhr. I heeft aangegeven dat aan overwinst is betaald over de jaren 1996 tot en met 1998, aan onderstammen f 227.795,-- en aan snijrozen f 500.621,--. Het verschil tussen de opgave van de heer I en de vaststelling aan de hand van de administratieve vastleggingen is f 837.238,-- - f 728.416,-- = f 108.822,--. (...)

De ondernemer bevestigt dat de facturen “profit on sales” (zgn. overwinstbedragen) betrekking hebben op de aangekochte rozen van de leverancier G te Zuid-Afrika. Over deze bedragen dienen alsnog douanerechten te worden geheven.”.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vragen:

1. of de inspecteur de douanewaarde van de voor het vrije verkeer aangegeven

rozen tot het juiste bedrag heeft vastgesteld;

2. of terecht is nagevorderd over een termijn die langer is dan drie jaar.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende heeft nagelaten nadere aangiften ten invoer in te dienen, waarin met de van G ontvangen nabetalingen rekening wordt gehouden. De douane is dan ook terecht overgegaan tot nadere vaststelling van de douanewaarde, die tot navordering van douanerechten leidt. De wijze van berekening van het in de uitnodiging tot betaling vermelde bedrag dient evenwel te worden verworpen.

4.2. De op de facturen vermelde woorden “sales on consignment” duiden erop dat sprake is van leveringen van goederen in consignatie. Er is geen sprake van een transactie(waarde) in de zin van artikel 29 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). De vermelding “F.O.B. value” wordt slechts gebruikt om in Zuid-Afrika de waarde bij uitvoer te kunnen bepalen. De omstandigheid dat de aangever, douane-expediteur L B.V., een onjuiste transactiecode en een onjuiste leveringsconditie op de aangiften heeft vermeld, kan niet aan belanghebbende worden toegerekend.

4.3. Belanghebbende crediteert de verkoper G op basis van de doorverkoopprijs die bij verkoop in Nederland tot stand is gekomen. Het te crediteren bedrag is het verkoopbedrag verminderd met de in het binnenland door belanghebbende gemaakte kosten voor handling, vervoer, overige diensten (waaronder vervoer), en de voorschotbetaling gedaan naar aanleiding van de sub 2.1. genoemde facturen. Aldus wordt op basis van de consignatieafspraken tussen partijen door belanghebbende aan G een volledige vergoeding betaald voor alle door haar geleverde goederen en gemaakte onkosten, zoals luchtvrachtkosten. Uitgangspunt van de berekening van de douanewaarde dient in casu te zijn de doorverkoopprijs, minus de binnen Nederland betaalde kosten en invoerrechten. Die prijs wordt eerst na de invoer vastgesteld. De door G gemaakte luchtvrachtkosten die betrekking hebben op de invoer in Nederland bedragen f 255.601,-- ; de in de aangegeven douanewaarde reeds begrepen vrachtkosten ad f 80.650,-- dienen hierop in mindering te worden gebracht. Deze kosten zijn niet betaald door belanghebbende; zij zijn rechtstreeks door G aan M voldaan.

Voor de vaststelling van de douanewaarde dienen de vrachtkosten uit de nabetalingen te worden geëlimineerd, ook al zijn ze op de creditfacturen niet afzonderlijk genoemd. Vast staat immers dat ze zijn vergoed.

4.4. De aangiften over de periode 1 januari tot en met 5 september 1996 vallen buiten de driejaarstermijn van artikel 221 CDW. Belanghebbende heeft niet bewust te lage aangiften gedaan. Van haar goede trouw moet onder meer op grond van het Belastingstatuut worden uitgegaan. De navorderingstermijn dient tot drie jaar te worden beperkt.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. In casu is sprake van een transactie vóór de invoer, zodat de vaststelling van de douanewaarde moet plaatsvinden met behulp van de transactiewaarde van artikel 29 CDW jo. artikel 32, eerste lid, onderdeel d, CDW. Die stelling berust op de gedane aangiften voor het vrije verkeer, de daarin vermelde aard van de transactie en leveringsconditie, en op hetgeen belanghebbende zelf heeft aangevoerd. Zij betaalt de bedragen op de aan haar gerichte facturen aan de leveranciers. Daarna vindt een doorverkoop plaats, waarvan de opbrengst (deels ?) naar de leverancier wordt doorgesluisd. Een doorverkoop impliceert dat een eerdere verkoop heeft plaatsgevonden, en wel die aan belanghebbende.

Op grond van genoemde bepalingen worden de nabetalingen opgeteld bij het voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen bedrag. Op het aldus bepaalde totaalbedrag kunnen slechts de in artikel 33 CDW genoemde elementen in mindering worden gebracht, mits zij van de werkelijk betaalde prijs zijn onderscheiden. De door belanghebbende genoemde kosten voor handling, advies, enz. kunnen niet in mindering worden gebracht, nu zij niet voldoen aan het gestelde in artikel 33 CDW. Dat de prijs van de onderhavige goederen eerst na de invoer wordt vastgesteld, doet aan het voorgaande niet af.

5.2. Zo belanghebbende wil afwijken van de in haar opdracht gedane aangiften, zal zij daarvoor bewijs moeten bijbrengen. Belanghebbende rept wel van “consignatieafspraken”, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Contracten zijn niet overgelegd. Niet precies staat vast wat tussen partijen is overeengekomen; derhalve dient te worden uitgegaan van een transactie tussen de leverancier(s) en belanghebbende, zoals uit de aangiften blijkt. Hetzelfde geldt voor de leveringsconditie. De stelling dat de vermelding “F.O.B. value” slechts voor de uitvoer uit Zuid-Afrika van belang was, is volstrekt onvoldoende.

5.3. Voor toepassing van de door belanghebbende voorgestane terugrekenmethode is gelet op het vorenstaande geen plaats. Ook als dat anders zou zijn kan de door belanghebbende bepleite berekeningswijze niet worden gevolgd. Er zou dan moeten worden uitgegaan van de doorverkoopprijs na invoer, welke niet eens bekend is. Onduidelijk is, waarop belanghebbende doelt met haar stelling dat de vrachtkosten door de leverancier G betaald zijn; eerder is immers aangevoerd dat de vrachtkosten zijn begrepen in de totaalbetalingen aan G Wat hiervan ook zij, de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap dienen in de douanewaarde te worden begrepen. Bij de navordering is zulks tot het juiste bedrag geschied.

5.4. Evenmin duidelijk is de stelling van belanghebbende inzake de toerekening van de vermelding van onjuiste codes door de aangever. Belanghebbende heeft immers erkend dat een te lage douanewaarde is aangegeven, en dat ter zake daarvan navordering bij haar dient plaats te vinden; zij bestrijdt slechts de hoogte van het nagevorderde bedrag. Zou zij toch willen stellen dat zij geen douaneschuldenaar is in de zin van artikel 201, derde lid, tweede alinea, CDW, dan dient die stelling te worden verworpen. Zij had immers afspraken met de leveranciers van de goederen op grond waarvan zij stelselmatig nabetalingen heeft gedaan. Toch heeft zij de douane-expediteur aangiften laten opstellen op basis van onvolledige gegevens en bescheiden, waarvan zij wist dat daaruit niet de juiste douanewaarde bleek.

5.5. De administratie van belanghebbende voldoet niet aan het gestelde in artikel 8 van de Douanewet. Daaruit kon niet worden vastgesteld op welke individuele zendingen de nabetalingen betrekking hadden. De nabetalingen zijn zo goed mogelijk toebedeeld aan de ingevoerde goederen, uitgaande van de verhouding tussen de diverse soorten goederen, de daarvoor geldende douanerechten en de van toepassing zijnde tariefpreferenties.

Nu belanghebbende niet volledig heeft voldaan aan haar verplichtingen ex artikel 8 Douanewet, dient de Douanekamer het beroep ongegrond te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaarschrift onjuist is. Zulks is echter niet gebleken.

5.6. De aangeven douanewaarde was ook in de periode vóór 6 september 1996 te laag. Belanghebbende ontkent dit niet, maar stelt dat zij afspraken met haar leveranciers had, op grond waarvan zij, stelselmatig, nabetalingen verrichte. Ten tijde van de aangiften moet zij er dan ook van op de hoogte zijn geweest dat de bij de aangiften overgelegde facturen nog met andere de - “profit on sales” facturen – moesten worden aangevuld; zij heeft dit evenwel nagelaten. Aldus heeft zij de douanewaarde van de ingevoerde goederen tot een te laag bedrag opgegeven.

Nu sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling en voldaan is aan het gestelde in artikel 22e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bedraagt de navorderingstermijn vijf jaar. De navordering strekt zich derhalve terecht ook uit tot de zendingen die zijn ingevoerd in de periode vóór 6 september 1996.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In de in opdracht van belanghebbende gedane aangiften van de onderhavige goederen is vermeld dat sprake is van een eigendomsoverdracht tegen vergoeding. Op grond daarvan moet er van worden uitgegaan dat deze zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 29 CDW. Haar stelling dat de op die aangiften vermelde transactiecode onjuist is en dat sprake is van consignatieleveringen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

Voor toepassing van de kennelijk door belanghebbende voorgestane methode van waardebepaling, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel c, CDW (de “terugrekenmethode”) is derhalve geen plaats, daargelaten of zulks zou moeten leiden tot de door haar bepleite douanewaarde.

6.2. De douanewaarde van de goederen, onderworpen aan de sub 6.1. bedoelde verkooptransacties, is ingevolge het derde lid, onderdeel a, van artikel 29 CDW de totale betaling die door de koper aan de verkoper is of moet worden gedaan.

Tot die betaling behoren de sub 2.1 en 2.2. bedoelde nabetalingen. Tussen partijen is niet in geschil dat die nabetalingen nopen tot een nadere vaststelling van de douanewaarde, die moet leiden tot navordering.

6.3. In de met toepassing van artikel 29 CDW vastgestelde douanewaarde dienen ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel e, CDW de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap te worden begrepen.

De stelling van belanghebbende dat de door de leverancier G aan derden betaalde vrachtkosten voor de vaststelling van de douanewaarde op de sub 6.2. bedoelde totale betaling in mindering moeten worden gebracht, dient reeds daarom te worden verworpen.

6.4. De Douanekamer verstaat het beroepschrift aldus dat belanghebbende niet bestrijdt dat zij als douaneschuldenaar, zij het voor een lager bedrag dan is nagevorderd, dient te worden aangemerkt.

6.5. Ingevolge artikel 221, derde lid, CDW is navordering niet meer mogelijk, indien vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan een termijn van drie jaren is verstreken; deze termijn kan door de lidstaten ingeval van een strafrechtelijk vervolgbare handeling verlengd worden. In artikel 129 van de Wet inzake de douane, respectievelijk vanaf 1 juni 1996 in artikel 22e AWR, is die termijn voor de Nederlandse rechtsorde verlengd tot vijf jaren; deze verlenging geldt alleen ten aanzien van schuldenaren die het oogmerk hadden om de rechten bij invoer te ontduiken.

Belanghebbende heeft aan de door haar ingeschakelde aangevers geen opgave gedaan van haar nabetalingen aan haar leverancier G Dat de aangevers hierdoor onjuiste aangiften hebben gedaan - en aldus strafrechtelijk vervolgbare handelingen hebben gepleegd, waardoor het juiste bedrag van de douaneschuld niet kon worden vastgesteld - was een voorzienbaar gevolg voor belanghebbende, die erkent dat te weinig douanerechten zijn geheven, en dat terecht een nadere vaststelling van de douanewaarde, die moet leiden tot navordering, heeft plaatsgevonden.

In het licht van deze overwegingen en van hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het handelen en nalaten van belanghebbende niet was gericht op ontduiking van rechten bij invoer.

6.6. Nu, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, niet kon worden vastgesteld op welke individuele zendingen de nabetalingen betrekking hadden, moet worden geoordeeld dat belanghebbende geen administratie heeft gevoerd op een zodanige wijze dat te allen tijde haar rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van de rechten bij invoer overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

De Douanekamer acht aannemelijk dat de inspecteur met toepassing van de sub 5.5. vermelde berekeningswijze de verschuldigde douanerechten tot een juist, althans niet te hoog, bedrag heeft vastgesteld.

Voor de in dezen vanaf 1 juni 1996 nagevorderde douanerechten geldt bovendien dat belanghebbende, nu zij niet volledig heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 AWR en artikel 8 van de Douanewet, op grond van artikel 29 AWR (tekst tot 1 september 1999) overtuigend dient aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. De Douanekamer acht haar in dit bewijs niet geslaagd.

6.7. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 11 mei 2004 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en mr. M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.