Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP3751

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
01/90158
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geding is de tariefindeling van een Ford F550 Bergingstruck, van oorpsrong uit de USA. Belanghebbende heeft het goed aangegeven in post 8705 90 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT, douanerecht 3,7%), terwijl de inspecteur bepleit dat het goed moet worden ingedeeld in post 8704 21 31 van het GDT (douanerecht 22%).

De Douanekamer overweegt dat op grond van de vaststaande feiten en uitlatingen van partijen daarover, en mede gelet op de overgelegde kopieën van foto’s van het onderhavige voertuig, ervan moet worden uitgegaan dat de truck beschikt over een hydraulisch afschuifbaar en kantelbaar laadplateau dat niet meer dan één auto kan vervoeren, en een hydraulisch uitschuifbare sleepbril waarmee één auto kan worden gesleept. Belanghebbende heeft gesteld en toegelicht dat met het onderhavige voertuig geen auto’s worden gerepatrieerd; het afvoeren van voertuigen met pech of schade vindt niet over grote afstanden plaats en eindigt op de dichtstbijzijnde locatie waar zij kunnen worden gestald. Daartegenover heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van een repatriëringfunctie en daartoe naar voren gebracht dat het voertuig kan vervoeren in algemene zin, zodat indeling in post 8705 is uitgesloten. Gelet op het voorgaande kan volgens de Douanekamer niet gezegd worden dat het voertuig bestemd is om gestrande voertuigen over een grotere afstand te vervoeren. Niet de repatriëringsfunctie, maar de bergingsfunctie staat naar het oordeel van de Douanekamer voorop. De Douanekamer oordeelt dat het voertuig zodanige kenmerken en eigenschappen heeft, dat het in hoofdzaak bestemd is voor andere doeleinden dan het vervoer van personen of goederen. Het litigieuze goed wordt met toepassing van de indelingsregels 1 en 6 ingedeeld in post 8705 90 90 van het GDT.

Wetsverwijzingen
Douanewet 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 01/90158 DK (voorheen nr. 0158/2001 TC)

de dato 27 april 2004

1. De procedure

1.1. Op 30 mei 2001 is bij de Tariefcommissie een beroepschrift ingekomen van A te Z, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is aangevuld bij brief van 25 juli 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict C (hierna: de inspecteur) van 19 april 2001, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 19 mei 2000, nummer ……, van douanerechten, groot f 25.530,40 (€ 11.504,92), werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- (€ 204,20) geheven.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 15 april 2003.

Daar zijn namens belanghebbende verschenen D van E, gemachtigde, vergezeld door mr. F van A, alsmede namens de inspecteur mr. G, tot bijstand vergezeld van H. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de gedingstukken.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 11 mei 2000 heeft belanghebbende in opdracht van I te X (hierna: I) bij de douaneambtenaren te Amsterdam onder nummer …… een aangifte voor het vrije verkeer gedaan voor een goed in de aangifte omschreven als ‘NWE. FORD F550 BERGINGSTRUCK CHASSIS NO. …… BOUWJAAR: 2000’. Het goed is van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en aangegeven in post 8705 90 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT, douanerecht 3,7 %). De aangegeven douanewaarde is f 116.047,--. De douane heeft een bedrag van f 4.293,80 aan douanerechten geheven.

2.2. Op 19 mei 2000 is de verificatie beëindigd en heeft de inspecteur het onderhavige goed ingedeeld in post 8704 21 31 van het GDT (douanerecht 22 %) als zijnde een nieuw automobiel voor goederenvervoer. Op dezelfde dag heeft de inspecteur de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan.

2.3. Het onderhavige voertuig is voorzien van:

- Een 7,3 liter V8 turbodiesel motor.

- Een vlak, hydraulisch afschuifbaar en kantelbaar laadplateau met een draagvermogen van 10.000 lbs (omgerekend 4.536 kg) dat niet is voorzien van zijschotten of een achterklep en niet beschikt over riemen, bevestigingsogen of andere voorzieningen waarmee een lading kan worden vastgezet. Het laadplateau is vlak om te voorkomen dat lekkende olie, koel-, rem- of ruitenwisservloeistof, accuzuur, en glassplinters tijdens het afvoeren op de openbare weg terecht komen.

- Een lierinrichting, waarvan het trekvermogen 8.000 lbs (omgerekend 3.628 kg) bedraagt.

- Een hydraulisch uitschuifbare sleepbril, waarvan het laadvermogen 3.000 lbs (omgerekend 1.360 kg) bedraagt, waarmee een automobiel kan worden gesleept, nadat de voor- of achterwielen van het te verslepen voortuig in de ogen van de sleepbril zijn geplaatst;

- Een lichtbak met oranje waarschuwingslichten.

- Speciaal naar de achterzijde gerichte werklichten.

2.4. Tot de stukken van het geding behoren:

- een factuur van J in Verenigde Staten van Amerika (hierna: J) aan I inzake het onderhavige voertuig, gefaxt op 10 mei 2000;

- een Ford garantiebewijs voor het onderhavige voertuig;

- een document van J met technische gegevens voor het onderhavige voertuig;

- foto’s van het onderhavige voertuig met een auto op het laadplateau en een auto op de sleepbril geplaatst.

3. Het geschil

In geding is de tariefindeling van het onderhavige goed. De inspecteur staat indeling van het goed in post 8704 21 31 van het GDT voor. Belanghebbende bepleit dat het product moet worden ingedeeld in post 8705 90 90.

Voornoemde posten luiden als volgt:

Post 8704 21 31

“8704 Automobielen voor goederenvervoer:

(…)

- andere, met een motor met zelfontsteking (diesel- of semi-dieselmotor):

8704 21 - - met een maximaal toegelaten gewicht van niet meer dan 5 ton:

(…)

- - - andere:

- - - - met een cilinderinhoud van meer dan 2500 cm³:

8704 21 31 - - - - - nieuwe”.

Post 8705 90 90

“8705 Automobielen voor bijzondere doeleinden (bij voorbeeld takelwagens, kraanauto’s, brandweerauto’s, automobielen met menginstallatie voor beton, veegauto’s, sproeiauto’s, werkplaatsauto’s, röntgenauto’s), andere dan die hoofdzakelijk ontworpen voor het vervoer van personen of van goederen:

(…)

8705 90 - andere:

8705 90 10 - - takelwagens

(…)

8705 90 90 - - andere”.

Partijen hebben ook de GS-Toelichting op post 8704 en post 8705 in hun beschouwing betrokken, welke – voorzover hier van belang – als volgt luidt:

GS-Toelichting op post 8704

“Deze post omvat onder meer:

gewone vrachtauto’s (bijvoorbeeld met open laadvloer, met zijschotten en huif, met gesloten laadruimte); bestelwagens van alle soorten; verhuiswagens; kippers; tankwagens (ook indien uitgerust met pompen); koelwagens en isothermische wagens; (…); vrachtauto’s speciaal ingericht voor het transport van vers aangemaakt beton, andere dan vrachtauto-betonmolens als bedoeld bij post 8705; (…).

Deze groep omvat bovendien:

(…)

3. automobielen met eigen laadinrichting (lieren of andere hefinrichtingen), hoofdzakelijk voor het transport van goederen ingericht;

(…).”.

GS-Toelichting op post 8705

“Deze post omvat een groep automobielen, speciaal ontworpen of aangepast en uitgerust met diverse werktuigen, toestellen of apparaten voor het verrichten van bepaalde werkzaamheden. Het betreft hier derhalve voertuigen die in hoofdzaak bestemd zijn voor andere doeleinden dan vervoer van personen of van goederen.

Van bedoelde groep automobielen kunnen worden genoemd:

1. takelwagens, die bestaan uit een chassis van een lastwagen (al dan niet met laadvloer), waarop een takelinrichting, bestaande uit niet-draaiende kranen, hijsblokken, lieren, is aangebracht, bestemd om voertuigen met pech op te heffen en te slepen;

(…)

7. kraanauto’s, niet bestemd voor het goederenvervoer, bestaande uit een autochassis met cabine waarop een draaibare kraan blijvend gemonteerd is. De automobielen van post 87.04 met eigen laadinrichting zijn evenwel uitgezonderd.

(…)

10. vrachtauto-betonmolens bestaande uit een cabine en een vrachtautochassis, waarop een betonmolen vast is gemonteerd, waarmee zowel beton kan worden aangemaakt als beton kan worden vervoerd;

(…).”.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende heeft de onderhavige bergingstruck aangeschaft voor het bergen van voertuigen met pech en wrakken van voertuigen die betrokken zijn geweest bij verkeersongevallen (hierna: gestrande voertuigen).

4.2. De bergingstruck is opgebouwd door J, een bedrijf dat zich volledig toelegt op het opbouwen van bergingtrucks. In dat kader koopt J onderstellen met motor en cabine in die vervolgens naar de wensen van de afnemers worden opgebouwd.

4.3. Aangekomen op de locatie van een gestrand voertuig wordt de bergingstruck kort voor of achter het gestrande voertuig gemanoeuvreerd en wordt het gestrande voertuig met behulp van de hydraulisch uitschuifbare sleepbril aan de voor- of achterzijde van het voertuig van het wegdek getild. Na het zekeren door middel van een aantal kettingen kan het voertuig worden afgesleept. Dit is de meest snelle en efficiënte wijze om een gestrand voertuig, dat niet al te zeer is beschadigd, af te slepen. Het afvoeren van de gestrande voertuigen vindt nooit plaats over grote afstanden en eindigt op de dichtstbijzijnde locatie waar zij veilig kunnen worden gestald; er is geen sprake van repatriëring.

4.4. Het vlak, hydraulisch afschuifbaar en kantelbaar laadplateau dient voor het snel en tegelijkertijd afvoeren van twee voertuigen; het eerste voertuig wordt met behulp van de lierinrichting op het laadplateau getrokken, en het tweede voertuig wordt op de sleepbril geplaatst, zoals in sub 4.3 beschreven.

4.5. Uit de GS-Toelichting op post 8705 kan worden afgeleid dat het al dan niet hebben van een laadvloer niet relevant is voor de indeling van automobielen in deze post. Gelet op de tekst van post 8705 is relevant dat automobielen niet hoofdzakelijk mogen zijn ontworpen voor het vervoer van personen of goederen. De onderhavige bergingstruck is in het geheel niet ontworpen voor het vervoer van personen of goederen, maar speciaal ontworpen en bestemd voor het afvoeren en wegslepen van auto’s; dit blijkt ook uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van de truck. Het gegeven dat de bergingstruck tegelijkertijd twee voertuigen kan afvoeren, betekent niet dat deze is ingericht voor het vervoer van goederen; vrachtauto-betonmolens, puttenzuigers en veegauto’s blijven, ondanks hun beperkte vervoersfunctie, hoofdzakelijk bestemd voor andere doeleinden dat het vervoeren van goederen. Bovendien wordt in de voornoemde GS-Toelichting, onder 1, een takelwagen als de onderhavige bergingstruck genoemd, namelijk een auto, met het chassis van een lastwagen, al dan niet met een laadvloer, waarop een takelinrichting is aangebracht, bestemd om voertuigen met pech op te heffen en te slepen.

4.6. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende aangevoerd. Door het vlakke laadplateau wordt het bergen, waaronder het afvoeren van auto’s moet worden verstaan, eenvoudiger. Belanghebbende heeft de onderhavige truck, die is ontworpen als bergingsauto, nooit vergeleken met een takelwagen. De inspecteur heeft de lierinrichting als een bergingswerktuig erkend; de sleepbril krijgt een ondergeschikte rol.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Op de sub 2.4. genoemde factuur wordt de carrosserie van de auto omschreven als ‘carrier’. Bij het onderhavige voertuig is op het Ford chassis een opbouw gemonteerd van het fabrikaat Jerr-Dan, type Carrier Vector. Jerr-Dan maakt twee verschillende opbouwen voor voertuigen, ‘wreckers’ zijnde bergingsauto’s, en ‘carriers’, zijnde vervoerders. Wreckers zijn standaard voorzien van een hijskraan en een hefarm, carriers hebben in beginsel alleen een vlak laadplateau met een lier. Het onderhavige voertuig is derhalve een vervoerder en geen bergingstruck.

5.2. Het laadplateau van het onderhavige voertuig is geheel vlak en derhalve kunnen met andere werktuigen dan een lier, bijvoorbeeld een vorkheftruck, ook andere goederen dan voertuigen op het laadplateau worden geplaatst en vervoerd.

5.3. De opsomming van automobielen in de GS-Toelichting op post 8704 bevat onder meer een gewone vrachtauto met een open laadvloer. Uit de opsomming blijkt dat ook vrachtauto’s, die ingevolge hun constructie en inrichting zijn afgestemd op het vervoer van specifieke goederen in deze post worden ingedeeld. Post 8704 bevat geen beperkingen ten aanzien van de minimum te vervoeren hoeveelheid goederen, en maakt evenmin onderscheid in de soort goederen die wordt vervoerd. Volgens deze GS-Toelichting, onder 3, vallen ‘automobielen met eigen laadinrichting (lieren of andere hefinrichtingen), hoofdzakelijk voor het transport van goederen ingericht’, onder post 8704.

5.4. Automobielen voor het vervoer van goederen, die zijn voorzien van een eigen kraan als laadinrichting, zijn ingevolge de GS-Toelichting op post 8705, onder 7, daarvan uitgezonderd.

5.5. De bij post 8705 bedoelde automobielen hebben primair als functie het verplaatsen van een werktuig, dat op nader te bepalen plaatsen zal worden gebruikt. Bij een takel- of kraanauto is de werktuigfunctie het opheffen van goederen. Indien bij of na het heffen de goederen ook in horizontale richting worden verplaatst, mag het vervoer slechts bijkomend van aard zijn. De onderhavige auto heeft geen specifieke werktuigfunctie; de lier in combinatie met het afschuifbare laadplateau en de sleepbril zijn slechts aan te merken als laadinrichtingen voor goederen, waaronder gestrande auto’s en autowrakken moeten worden begrepen, die op het laadplateau of de sleepbril worden vervoerd. De afstand waarover de goederen worden vervoerd is van ondergeschikt belang.

5.6. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende aangevoerd. Het ontbreken van schotten of achterklep op het laadplateau is niet van belang; bergen betekent een auto uit een benarde situatie halen en vervolgens vervoeren. Een takelwagen trekt een auto ergens naartoe om die vervolgens te laten vervoeren. De onderhavige auto kan ook algemeen vervoeren zijnde het repatriëren van auto’s.

Desgevraagd antwoordt de inspecteur dat het onderscheid tussen een takelwagen en een voertuig met een lierinrichting hierin bestaat, dat men met een takel ook verticaal kunt trekken en met een lierinrichting alleen horizontaal. Een lier is net als een takel een werktuig, maar het voertuig wordt niet volledig door de lier beheerst, het is een hulpstuk. De gebruiksmogelijkheden van een takel zijn groter.

Een takelwagen heeft ook een laadfunctie, maar met een lier trekt men goederen horizontaal op de auto, dat is laden. Een lier is geen bergingsinstrument, maar een instrument om goederen mee te verplaatsen. Bij het onderhavige voertuig ontbreekt de overtuigende werkfunctie.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen moet volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Douanekamer (Tariefcommissie) worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in het GDT zijn omschreven, en zoals deze aan de hand van die omschrijving in concreto bij de litigieuze goederen kunnen worden vastgesteld.

6.2. Op grond van de vaststaande feiten en uitlatingen van partijen daarover, en mede gelet op de overgelegde kopieën van foto’s van het onderhavige voertuig, moet ervan worden uitgegaan dat het beschikt over een hydraulisch afschuifbaar en kantelbaar laadplateau dat niet meer dan één auto kan vervoeren, en een hydraulisch uitschuifbare sleepbril waarmee één auto kan worden gesleept. Belanghebbende heeft gesteld en toegelicht dat met het onderhavige voertuig geen auto’s worden gerepatrieerd; het afvoeren van voertuigen met pech of schade vindt niet over grote afstanden plaats en eindigt op de dichtstbijzijnde locatie waar zij kunnen worden gestald. Daartegenover heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van een repatriëringfunctie en daartoe naar voren gebracht dat het voertuig kan vervoeren in algemene zin, zodat indeling in post 8705 is uitgesloten.

6.3. Gelet op het sub 6.2. overwogene kan niet gezegd worden dat het onderhavige voertuig bestemd is om gestrande voertuigen over een grotere afstand te vervoeren. Niet de repatriëringsfunctie, maar de bergingsfunctie staat naar het oordeel van de Douanekamer voorop. Geoordeeld moet dan ook worden, dat het voertuig zodanige kenmerken en eigenschappen heeft, dat het in hoofdzaak bestemd is voor andere doeleinden dan het vervoer van personen of goederen. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

6.4. Uit het vorenstaande volgt dat het litigieuze goed met toepassing van de indelingsregels 1 en 6 moet worden ingedeeld in post 8705 90 90 van het GDT. De sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling dient deswege te worden vernietigd.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de Douanekamer het bedrag van deze kosten, overeenkomstig het in de bijlage bij genoemd Besluit opgenomen tarief, vast op 2 (beroepschrift, verschijnen zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322,-- = € 966,--.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, en de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling van douanerechten;

- stelt vast dat het onderhavige goed moet worden ingedeeld in post 8705 90 90 van het GDT;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 966,--, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 204,20 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 27 april 2004 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. M.J. Kuiper en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.