Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP2874

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
07-07-2004
Zaaknummer
03/04118
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur legt onrechtmatig een boete op aan overledene. Erven vragen terecht kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Waarde per punt in boetezaken € 322.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet bestuursrecht 3:30, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet bestuursrecht 3:40, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet bestuursrecht 7:15, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67i, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1111
FutD 2004-1293

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van de erven van X te Z, belanghebbenden,

tegen

de in de uitspraak op het bezwaar betreffende de boetebeschikking als vastgesteld bij de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PPV) voor het jaar 2001 opgenomen beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur, op het verzoek tot vergoeding van de kosten die belanghebbenden hebben gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 april 2004.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de in de uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing op het verzoek;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die redelijkerwijs door belanghebbenden zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar tot het beloop van € 40,25 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbenden te voldoen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot het beloop van € 80,50 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbenden te voldoen; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbenden te vergoeden.

Gronden

1. X is op 5 maart 2003 overleden. De inspecteur heeft op 4 april 2003 de aanslag in de IB/PVV met een verzuimboete van € 340 opgelegd. De gemachtigde van belanghebbenden heeft na ontvangst van het aanslagbiljet telefonisch contact opgenomen met de inspecteur en hem er op gewezen dat mevrouw X was overleden. De inspecteur heeft daarop geantwoord met de woorden “We zullen er naar kijken. We bellen u terug.” of met woorden van gelijke strekking.

2. De gemachtigde heeft op 6 mei 2003 bezwaar ingesteld tegen de aanslag. Daarin repte hij niet over het overlijden van mevrouw X, maar stelde hij dat de boetebeschikking moest worden vernietigd omdat de inspecteur hem uitstel zou hebben verleend voor het indienen van de aangifte. De gemachtigde verzoekt de inspecteur tevens om een tegemoetkoming in de kosten van de bezwaarprocedure. Bij kennisgeving met dagtekening 13 mei 2003 heeft de inspecteur de boete tot nihil verminderd. In de uitspraak op bezwaar van 9 oktober 2003 wijst hij het bezwaar en het verzoek om een kostenvergoeding af.

3. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur het verzoek tot vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure terecht heeft afgewezen.

4. De vergoeding van in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs gemaakte kosten is - gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - op zijn plaats voorzover de boetebeschikking wordt herroepen wegens aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het Hof acht aannemelijk dat het overleden zijn van mevrouw X ten tijde van het vaststellen van de boetebeschikking bij de Belastingdienst bekend was. Door in strijd met het bepaalde in artikel 67i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toch een boete op te leggen, heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof onrechtmatig gehandeld. De herroeping van de boetebeschikking is derhalve eveneens het gevolg van aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

5. Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat de gevraagde vergoeding slechts voor toekenning in aanmerking komt, als de onrechtmatigheid wordt hersteld nadat bezwaar is ingesteld. De inspecteur stelt dat de vermindering van de boete reeds op 25 april 2003 had plaatsgevonden en derhalve niet het gevolg was van het indienen van het bezwaarschrift. Dienaangaande overweegt het Hof dat de verminderingsbeschikking is aan te merken als een besluit tot wijziging of intrekking van de boetebeschikking in de zin van artikel 3:30 van de Awb. Dit besluit treedt op grond van artikel 3:40 van de Awb niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Het Hof overweegt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn besluit reeds voorafgaand aan het indienen van het bezwaarschrift op de wettelijk voorgeschreven wijze aan belanghebbenden had bekendgemaakt. De vergoeding van de kosten kan derhalve niet op de door de inspecteur gestelde grond afketsen.

6. Het Hof overweegt dat belanghebbenden voor het instellen van bezwaar in redelijkheid een deskundige in de arm hebben kunnen nemen. De inspecteur stelt echter dat de gemachtigde geen vergoeding had hoeven berekenen omdat “één telefoontje” genoeg zou zijn geweest om de boete te doen vervallen. Het Hof overweegt dat de gemachtigde heeft getracht het doen vervallen van de boete met “één telefoontje” te bewerkstelligen. De inspecteur heeft hem het vervallen van de boete echter niet toegezegd en voorts hebben belanghebbenden aannemelijk gemaakt dat de inspecteur de gemachtigde niet heeft teruggebeld om de vermindering tot nihil te bevestigen. Dat de gemachtigde met het einde van de bezwaartermijn in zicht alsnog bezwaar heeft ingesteld, is zonder meer redelijk te achten.

7. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de inspecteur ten onrechte geen vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure heeft toegekend. Het Hof zal dit alsnog doen. De gemachtigde heeft uitsluitend een bezwaarschrift ingediend. Het Hof is van oordeel dat het gewicht van het bezwaar als zeer licht is te kwalificeren. De wegingsfactor bedraagt derhalve 0,25. In onderdeel B2, eerste lid, van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat de waarde van één punt gelijk is aan € 161 voor besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen. Het Hof ontleent aan de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep de volgende passage:

Voor besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen (waaronder ook valt de Invorderingswet ’90, voorzover het betreft de gevallen waarvoor de bijzondere fiscale bestuursrechtspraak geldt) is, op basis van gegevens van de Belastingdienst over de gemiddelde daadwerkelijk gemaakte kosten, een lager forfaitair bedrag vastgesteld, namelijk: € 161. De gekozen fomulering ziet zowel op belastingen geheven door de Rijksoverheid als door decentrale overheden. Bij veel voorkomende bezwaarprocedures tegen waarderingsbeschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken geldt derhalve ook het lage tarief.

Stb. 2002,113, blz. 6.

8. Het Hof is van oordeel dat de boetebeschikking niet is aan te merken als een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen. Dit brengt mee dat de waarde van één punt op grond van onderdeel B2, tweede lid, van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht gelijk is aan € 322. Wegens samenhang tussen het bezwaarschrift in de onderhavige zaak en dat in de zaak met kenmerknummer 03/04117 betreffende de boete voor het jaar 2001 stelt het Hof de te vergoeden kosten vast op € 40,25; te weten € 322 x 1 (voor proceshandelingen) x 0,5 (wegens samenhang met het bezwaar betreffende de boete voor het jaar 2001) x 0,25 (voor het gewicht van de zaak).

9. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) die belanghebbende heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van de onderhavige procedure gesteld op € 80,50; te weten € 322 x 1 (voor proceshandelingen) x 0,5 (wegens samenhang met de zaak met kenmerknummer 03/04117) x 0,5 (voor het gewicht van de zaak).

De uitspraak is gedaan op 4 mei 2004 door mr. Beukers-van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.