Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1924

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
03/01036
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beroepschrift is niet ontvangen binnen de bij artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde indieningstermijn van zes weken na de dag van dagtekening van de uitspraak. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2004-05-18
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2004-05-18
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26c, geldigheid: 2004-05-18
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22j, geldigheid: 2004-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/959

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak met dagtekening 31 december 2002 van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder, betreffende de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat te Amsterdam is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 mei 2004.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden

1. Van belanghebbende is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift, gedagtekend 12 februari 2003, ontvangen op 13 februari 2003, gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 31 december 2002, betreffende een beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak A-straat te Amsterdam is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

2. Op grond van de stukken is komen vast te staan dat het beroepschrift niet is ontvangen binnen de bij artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde indieningstermijn van zes weken na de dag van dagtekening van de uitspraak. Gelet op de dagtekening van het beroepschrift, is aannemelijk dat dat het beroepschrift niet binnen genoemde indieningstermijn, die op 11 februari 2003 eindigde, ter post is bezorgd.

3. Belanghebbende heeft gesteld dat van overschrijding van de indieningstermijn geen sprake is. Immers de uitspraak van de verweerder is - aldus belanghebbende - gedagtekend 31 december 2000, hetgeen betekent dat de eerste dag na de dagtekening (te weten 1 januari 2003) een zon- of feestdag is, zodat de indieningstermijn eerst op 2 januari 2003 is gaan lopen en derhalve eerst op 12 februari is geëindigd.

4. Nu belanghebbende niet gesteld heeft en ook niet aannemelijk is dat de dag van dagtekening van de uitspraak is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, is belanghebbendes onder 3 weergeven standpunt, gelet op artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, onjuist.

5. Belanghebbende heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Voor het op de voet van artikel 6:11 van de Awb achterwege laten van de niet-ontvankelijkverklaring omdat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest, heeft het Hof mitsdien geen reden. Het Hof komt derhalve niet toe aan de beoordeling van de inhoud van het beroep.

6. Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat hij het raadzaam acht - gelet op belanghebbendes inhoudelijke bezwaren tegen de WOZ-beschikking - dat een taxateur van de gemeente nog eens met belanghebbende over de waarde van de woning gaat praten en dat deze de woning zo nodig gaat bezichtigen.

Proceskosten

Nu belanghebbende niet ontvankelijk wordt, acht het Hof geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 18 mei 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Thijssen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.