Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1870

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
23-06-2004
Zaaknummer
03/02625
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verkoopt zijn woning in verband met de sanering en herontwikkeling van de weg waaraan zijn woning is gelegen. Er bestaat naar ’s Hofs oordeel onvoldoende causaal verband tussen de vergoeding van verhuiskosten (welke belanghebbende ontvangt van de gemeente in verband met deze verhuizing) en de hypothecaire rentelasten die uit de aankoop van de nieuwe woning voortvloeien.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120, geldigheid: 2004-05-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1094
FutD 2004-1168
FED 2004/413

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst B, met dagtekening 6 mei 2003, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 mei 2004.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.780;

- gelast verweerder het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden, en;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 654 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Belanghebbende, gehuwd, heeft zijn woning aan de A-weg te Beverwijk (verder het pand) op 17 januari 2001 aan de gemeente B (verder de gemeente) verkocht in verband met de sanering en herontwikkeling van de A-weg. Volgens de “Afrekening” van de notaris bedroeg de verkoopopbrengst van het pand ƒ 285.000 en de vergoeding voor verhuiskosten en schadevergoedingen ƒ 75.000. Laatst genoemd bedrag heeft de gemeente in een bijlage bij een brief met dagtekening 16 oktober 2002, gericht aan de belastingdienst B als volgt gespecificeerd:

“schadeberekening A-weg

hoofdbewoner X

getaxeerde waarde fl 285.000

aanvaardbare aankoopwaarde fl 313.500

verschil te financieren tegen 6,5% fl 18.525

verhuiskosten fl 4.000

aankoopschade geschat fl 22.892

totale schade fl 45.417

afgerond fl 46.000

kosten afslopen muur fl 25.000

schade muur fl 4.000

extra schadevergoeding fl 29.000

totale vergoeding fl 359.417

afgerond fl 360.000

geschatte aankoopkosten

overdrachtsbelasting fl 18.810

kadaster fl. 350

hypotheek fl. 537

notariskosten fl. 1.917

hypotheekakte fl. 1.278

fl 22.892”

2. Met betrekking tot de hierboven vermelde post “verschil te financieren tegen 6,5% fl 18.525” stelt de belastingdienst B vragen aan de gemeente. Op 5 november 2002 antwoordt de gemeente:

“Het bedrag van fl. 18.525 is 10 maal 6,5% van het verschil tussen de getaxeerde waarde (fl. 285.000) en de aanvaardbare aankoopwaarde (fl. 313.500). De factor 10 is het uitgangspunt in de Onteigeningswet en daarmee is ook de periode waarover het bedrag is berekend duidelijk, namelijk 10 jaar.”

3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2001 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van € 29.780. In totaal heeft belanghebbende in deze aangifte een bedrag van € 3.175 opgenomen als rente van schulden met betrekking tot de eigen woning in de zin van artikel 3.120, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

4. De inspecteur heeft per brief van 20 november 2002 aan de gemachtigde van belanghebbende zijn voornemen om af te wijken van de aangifte over het jaar 2001 kenbaar gemaakt. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

“Eigen woning: kosten van geldlening

In de aangifte heeft u voor deze kosten een bedrag van € 3.175 afgetrokken. (…) Volgens mijn gegevens heeft uw cliënt bij de aankoop van de nieuwe woning een financieringsvergoeding van de gemeente Beverwijk ontvangen van € 8.406 (f 18.525) voor een periode van 10 jaar. Voor een periode van 10 jaar is van de betaalde hypotheekrente € 840 per jaar niet aftrekbaar. Met ingang van het jaar 2011 is de betaalde hypotheekrente (€ 136.134,06 x 6,3% = € 8.576) weer volledig aftrekbaar.

U heeft € 840 te veel afgetrokken. Dit betekent dat het saldo voor de eigen woning dat u in de aangifte heeft berekend, te laag is. Ik ben dan ook van plan om op dit punt van uw aangifte af te wijken met € 840.”

5. Vervolgens heeft de inspecteur een definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd naar een inkomen van € 30.620. De inspecteur heeft bij het opleggen van deze aanslag een bedrag van € 840 niet in aftrek toegelaten als kosten in verband met de eigen woning.

6. In geschil is het bedrag dat in aftrek komt als kosten eigen woning.

7. Verweerder stelt kort samengevat:

De aanvaardbare aankoopwaarde van het pand is 10% hoger dan de getaxeerde waarde (zijnde ƒ 285.000), derhalve (110% x ƒ 285.000 =) ƒ 313.500. Over het verschil tussen die 2 waarden (ƒ 313.500 -/- ƒ 285.000) vergoedt de gemeente de rentelasten aan belanghebbende gedurende 10 jaren. De gemeente is daarbij uitgegaan van een rentepercentage van 6,5 (ƒ 28.500 x 10 x 6,5% = ƒ 18.525). Nu belanghebbende over een periode van 10 jaar een rentevergoeding heeft ontvangen drukt - gedurende een periode van 10 jaar - de hypotheekrente voor (1/10 x ƒ 18.525 =) ƒ 1.852 (€ 840) jaarlijks niet op belanghebbende.

8. Belanghebbende stelt samengevat:

De door de gemeente betaalde vergoeding is geen rentevergoeding, maar een tegemoetkoming in de schade en overlast die een verhuizing van de A-weg met zich mee zou brengen.

Uiteindelijk hebben de onderhandelingen ertoe geleid dat bij de verkoop van het huis één prijs van € 360.000 is overeengekomen.

Ik heb mijn huis aan de gemeente verkocht voordat ik een nieuwe woning had gekocht .

De gemeente heeft nooit om een bewijs van geldlening met betrekking tot aanschaf van de nieuwe woning gevraagd.

9. Nu belanghebbende het standpunt van de inspecteur gemotiveerd bestrijdt, rust op laatstgenoemde de last aannemelijk te maken dat de in aftrek gebrachte hypotheekrente in 2001 niet voor ƒ 1.852 (€ 840) op belanghebbende gedrukt heeft. Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur daarin niet geslaagd. Van belang acht het Hof dat door belanghebbende gesteld is en het Hof aannemelijk acht dat de gemeente het - onder 4 vermelde - bedrag van ƒ 18.525 ook zou hebben moeten betalen in geval belanghebbende geen nieuwe woning, dan wel een nieuwe woning met eigen vermogen zou hebben gekocht en dat het percentage van 6,5 - naar valt af te leiden uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft gesteld - destijds belangrijk hoger was dan het rentepercentage voor hypothecaire geldleningen met een looptijd van 10 jaar.

Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen, althans onvoldoende causaal verband bestaat tussen genoemd bedrag van ƒ 18.525 en de hypothecaire rentelasten die uit de aankoop van de nieuwe woning voortvloeien.

10. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbendes beroep gegrond is en dat het belastbaar inkomen moet worden verlaagd met € 840 (ƒ 1.852) tot (€ 30.620 -/- € 840 =) € 29.780.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) komen in het onderhavige geval hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Het Hof stelt deze kosten vast op € 10 (openbaar vervoer 2e klasse). Nu de gemachtigde belanghebbende beroepsmatig rechtskundig bijgestaan heeft komen tevens rechtsbijstandskosten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking . Het voor proceshandelingen toe te kennen aantal punten wordt met toepassing van de Bijlage bij het Besluit gesteld op 2 [beroepsschrift (1), verschijning zitting (1)] en de wegingsfactor wegens het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld). De te vergoeden proceskosten in deze zaak komen daarmee uit op € 322 x 2 x 1 = € 644. Van overige voor vergoeding in aanmerking te nemen proceskosten is niet gebleken.

De uitspraak is gedaan op 18 mei 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Thijssen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.