Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
23-004352-03
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU9125
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU9125
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie.

Bespreking van een verweer betreffende geldigheid van de telastelegging.

Het hof heeft verdachte veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2004-05-27
Opiumwet 2, geldigheid: 2004-05-27
Opiumwet 10, geldigheid: 2004-05-27
Opiumwet 10, geldigheid: 2004-05-27
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2004-05-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004352-03

datum uitspraak 27 mei 2004

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 21 november 2003 in de strafzaak onder parketnummer 13/127115-03 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende [adres]

Omvang van het hoger beroep

Het hof verstaat, in navolging van de advocaat-generaal, de tenlastelegging onder 1 aldus dat daar, na de als 1 tot en met 5 opgesomde afzonderlijke feiten, in het gedeelte vanaf de woorden "en/of buiten de onder 1 onder 1 tot en met 5 vermelde tijdstippen" cumulatief een of meer andere feiten zijn tenlastegelegd. De rechtbank heeft verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken. Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting, niet gericht tegen de ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing van de rechtbank.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2003 en in hoger beroep van 13 mei 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane aanpassing omschrijving tenlastelegging. Van die dagvaarding en die vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging - voorzover in hoger beroep nog aan de orde - wordt hier overgenomen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof zich daar niet geheel mee verenigt.

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de dagvaarding van verdachte ten aanzien van feit 2 - kort gezegd de deelneming aan een criminele organisatie - nietig dient te worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat indien, zoals hier, sprake is van een voorlopige dagvaarding als bedoeld in artikel 261, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zulks op die dagvaarding vermeld dient te worden. Nu dit in het onderhavige geval niet is gebeurd dient volgens de raadsman de dagvaarding voor de pro forma-zitting van 15 augustus 2003 als de definitieve dagvaarding te worden gezien. Uitbreiding met een nieuw feit is dan, gelet op de in artikel 313 Sv getrokken grenzen, niet meer mogelijk. In aanmerking nemende het vertrouwen dat door de verdachte in de dagvaarding moet kunnen worden gesteld, heeft de rechtbank derhalve de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging, zoals gedaan door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2003, ten onrechte toegewezen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

In de dagvaarding voor de pro forma-zitting van 15 augustus 2003 is voor de opgave van het feit volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 261, derde lid, Sv. Expliciete vermelding dat het een zodanige opgave betreft wordt noch door dat wetsartikel noch door enige andere rechtsregel voorgeschreven. Een dergelijke dagvaarding draagt een zodanig voorlopig karakter, dat een verdachte daaraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat hij voor enig feit dat daaronder zou kunnen worden gebracht niet afzonderlijk zal worden vervolgd (vgl. HR 28 mei 2002, NJ 2002/601). Het stond de officier van justitie derhalve vrij om op de terechtzitting van 7 november 2003 een aanpassing omschrijving tenlastelegging te vorderen, zoals trouwens door hem reeds op de pro forma-zitting was aangekondigd.

Redelijke wetstoepassing brengt voorts mee dat een wijziging van de voorlopige tenlastelegging ingevolge artikel 314a Sv, welke bestaat uit een uitbreiding daarvan met andere feiten, slechts dan niet toelaatbaar is indien elk verband tussen de feiten die overeenkomstig het bevel gevangenhouding zijn opgenomen in de voorlopige tenlastelegging en die in de gewijzigde tenlastelegging ontbreekt (vgl. HR 20 oktober 1998, NJ 1999/52). In het onderhavige geval staat de deelname aan een criminele organisatie, zoals onder 2 opgenomen in de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging van de officier van justitie, in direct verband met de overige tenlastegelegde gedragingen, met uitzondering van het onderdeel "het (doen) bedreigen en/of (laten) mishandelen van transporteurs". Dit laatstgenoemde onderdeel van de vordering van de officier van justitie heeft de rechtbank terecht niet toegewezen. Voor het overige leidt dit alles tot de slotsom dat feit 2 op juiste wijze is tenlastegelegd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van feit 1:

hij op/in of omstreeks

1. de periode van 1 maart 2003 tot en met 4 maart 2003 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, tenminste 20 slikbollen met cocaïne vanuit Suriname opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en die cocaïne aanwezig heeft gehad en

2. de periode van 13 maart 2003 tot en met 16 maart 2003 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, cocaïne vanuit Suriname opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (welke cocaïne werd vervoerd door [koerier 1] alias "[alias]") en die cocaïne aanwezig heeft gehad en

3. de periode van 25 maart 2003 tot en met 26 maart 2003 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, ongeveer 600 gram cocaïne vanuit Suriname opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (welke cocaïne werd vervoerd door [koerier 2]) en die cocaïne aanwezig heeft gehad en

4. 28 maart 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, ongeveer 1308 gram cocaïne vanuit Suriname opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (welke cocaïne werd vervoerd door [koerier 3]) en

5. 2 april 2003 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, 535,6 gram cocaïne vanuit Suriname opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (welke cocaïne werd vervoerd door [koerier 4]) en die cocaïne aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2:

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 6 mei 2003 te Amsterdam en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie welke werd gevormd door hem, verdachte, en

[koerier 2] en een persoon genaamd "[alias]" en [medeverdachte] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk plegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en verkopen en afleveren van hoeveelheden cocaïne, welke deelneming bestond uit:

- het medeplegen van de misdrijven en

- het verschaffen van inlichtingen en gelden en het geven van aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van de misdrijven en

- het onderhouden van contacten en het houden van besprekingen en het geven van inlichtingen met/aan transporteurs en/of afnemers van die cocaïne en

- het regelen van verblijfadressen en

- het (doen) overbrengen en/of afleveren van de cocaïne en/of transporteurs,

terwijl hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in het bewezengeachte verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder feit 1 bewezengeachte:

Eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A (oud) en het in artikel 2, eerste lid onder C (oud) van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

Eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A en het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezengeachte:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren en 6 maanden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de gevangenneming van verdachte wordt bevolen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op intensieve wijze bezighield met de invoer van cocaïne in Nederland vanuit Suriname. Deze cocaïne was voor verdere verspreiding en handel bestemd. Verdachte vervulde in deze organisatie een leidinggevende rol doordat hij zowel de voorbereiding als de uitvoering en afhandeling van de drugstransporten en het verkopen van de cocaïne in Nederland organiseerde. Voor deze transporten werden zogenoemde bolletjesslikkers gebruikt, die soms ook door geweld of bedreiging met geweld hiertoe werden aangezet. Blijkens een aantal afgeluisterde telefoongesprekken waaraan verdachte deelnam, werd op mensonterende wijze zonder enig respect over de slikkers gesproken als degenen die "volgestouwd" moesten worden en na aankomst in Nederland de bollen dienden te produceren. Verdachte heeft daarbij kennelijk gehandeld uit persoonlijk winstbejag zonder zich hierbij iets gelegen te laten liggen aan de grote risico's voor de gezondheid van de bolletjesslikkers en de gevaren voor de gezondheid van cocaïnegebruikers. Het hof rekent hem dit zwaar aan. Het handelen van verdachte berokkent ook ernstige schade aan de samenleving door de door gebruikers van verdovende middelen gepleegde criminaliteit.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 25 maart 2004, is verdachte eerder meermalen veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2 (oud), 10 en 10 (oud) van de Opiumwet.

Bevel gevangenneming

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat de gevangenneming van verdachte thans niet bevolen kan worden nu een eerder opgetreden vormverzuim daaruit bestaande dat de behandeling door dit hof van het appèl van verdachte tegen het bevel verlenging van de gevangenhouding en afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, niet tijdig voor de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg heeft plaatsgevonden thans niet meer kan worden hersteld.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat door de beschikking van de raadkamer van dit hof van 10 december 2003, waarbij de voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven om reden dat in strijd met de wet de zaak niet zo spoedig mogelijk aan het hof in hoger beroep was voorgelegd, bedoeld vormverzuim is hersteld. Nu het hof thans in de strafzaak verdachte veroordeelt tot vrijheidsstraf terzake van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en ook thans nog geldt dat de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt, kan de gevangenneming van verdachte bevolen worden.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Lingen, Van Wijnen-Vergeer en Tilleman, in tegenwoordigheid van mr. Maliepaard, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2004.