Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP1310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
21-005608-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander het plan opgevat om bij een tuincentrum een overval te plegen omdat zij dachten dat daar veel contant geld in de kluis lag. Toen de aanwezige werknemer de code niet verschafte die nodig is om de kluis te openen, besloten de twee mannen om het slachtoffer mee te nemen. Het slachtoffer werd geslagen, geschopt, vastgebonden en met een wapen bedreigd. Daarna is het slachtoffer gegijzeld en is de mededader het huis van het slachtoffer binnengegaan om een bankpas mee te nemen om op deze manier geld te kunnen pinnen. Toen ook dat niet lukte hebben de verdachte en zijn medeverdachte gebeld met de dochter van de werkgever van het slachtoffer en haar verteld dat het slachtoffer werd gegijzeld en dat zij geld voor hem moest betalen. Het slachtoffer is van de vroege ochtend tot laat in de middag gegijzeld en opgesloten in de kofferbak van zijn auto, waarna hij door de politie werd bevrijd uit zijn benarde positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-005608-03

Uitspraak dd.: 7 mei 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 13 november 2003 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 april 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 28 juli 2003 te Maarssen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [benadeelde], tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn

mededader:

- zich naar tuincentrum [benadeelde] begeven en vervolgens

- die[slachtoffer 1] gevraagd om de code van een ruimte in dat tuincentrum en vervolgens

- nadat die[slachtoffer 1] middels die code de deur van die ruimte had geopend die ruimte binnengegaan en vervolgens

- die [slachtoffer 1] gevraagd om de code van de kluis en vervolgens

- die [slachtoffer 1] gevraagd wie die code wist(en) en vervolgens

- die [slachtoffer 1] laten bellen naar een persoon die deze code in bezit zou hebben,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader als volgt heeft/hebben gehandeld, hebbende

verdachte en zijn mededader:

- die [slachtoffer 1] gedwongen op zijn buik te liggen en niet te kijken en vervolgens

- die [slachtoffer 1] meerdere malen, tegen het lichaam geschopt/getrapt en vervolgens

- een wapen aan die[slachtoffer 1] getoond en tegen de nek van die [slachtoffer 1] geduwd (gehouden) en

- die [slachtoffer 1] over de vloer/grond gesleept.

2.

hij op 28 juli 2003 te Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (mobiele) telefoon en een portemonnee en autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader als volgt heeft/hebben gehandeld:

hebben hij/zij:

- die [slachtoffer 1] met een wapen bedreigd en vervolgens

- die [slachtoffer 1] op een stoel gegooid/gesmeten en vervolgens

- die [slachtoffer 1] met tape en een vlag aan die stoel en aan zijn handen en benen vastgebonden.

3.

hij op 28 juli 2003 te Maartensdijk, gemeente De Bilt, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de Molenweg 44 aldaar) heeft weggenomen een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader als volgt heeft/hebben gehandeld:

hebben hij/zij:

- die [slachtoffer 1] gedwongen zijn echtgenote te bellen en vervolgens

- die [slachtoffer 1] met tape aan het hoofd vastgebonden en vervolgens

- die [slachtoffer 1] gedwongen in zijn auto op de achterbank plaats te nemen en vervolgens

- die [slachtoffer 1] gedwongen in de kofferbak van zijn auto plaats te nemen.

4.

hij op 28 juli 2003 te Maartensdijk, gemeente De Bilt, en te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meerdere malen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen enig geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1], tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

- zich met een gestolen bankpas toebehorende aan die [slachtoffer 1] naar de Rabobank en meerdere pinautomaten begeven en vervolgens

- getracht met die bankpas geld op te nemen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader als

volgt hebben gehandeld:

hebben hij/zij:

- die [slachtoffer 1] in de kofferbak van zijn auto gehouden en vervolgens

- die [slachtoffer 1] gedwongen de pincode van zijn bankpas af te geven/ te vertellen en vervolgens

- die [slachtoffer 1] van zijn vrijheid beroofd gehouden.

5.

hij op 28 juli 2003 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk één persoon, genaamd [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met het oogmerk anderen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [benadeelde], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander,

- die [slachtoffer 1] in de kofferbak en de achterbank van zijn auto gestopt en gehouden en vervolgens

- met die auto gaan rijden en vervolgens

- die [slachtoffer 1] meerdere malen, gedwongen te bellen met die [slachtoffer 3] met de mededeling dat die [slachtoffer 1] gegijzeld werd en vervolgens

- meerdere malen die [slachtoffer 3] te bellen met de mededeling dat het levenslot van die [slachtoffer 1] in de handen van die [slachtoffer 3] lag en dat zij geld moest geven, althans woorden van gelijke strekking en

- een bedrag van 30.000,00 euro, van die [slachtoffer 3] geëist.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Poging tot:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde:

De voortgezette handeling van:

Diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

Poging tot:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

gijzeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van tweemaal diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen in vereniging gepleegd, twee pogingen daartoe en een gijzeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot éénzelfde gevangenisstraf als in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met een ander het plan opgevat om bij een tuincentrum een overval te plegen omdat zij dachten dat daar veel contant geld in de kluis lag. Toen de aanwezige werknemer de code niet verschafte die nodig is om de kluis te openen, besloten de twee mannen om het slachtoffer mee te nemen. Het slachtoffer werd geslagen, geschopt, vastgebonden en met een wapen bedreigd. Daarna is het slachtoffer gegijzeld en is de mededader het huis van het slachtoffer binnengegaan om een bankpas mee te nemen om op deze manier geld te kunnen pinnen. Toen ook dat niet lukte hebben de verdachte en zijn medeverdachte gebeld met de dochter van de werkgever van het slachtoffer en haar verteld dat het slachtoffer werd gegijzeld en dat zij geld voor hem moest betalen. Het slachtoffer is van de vroege ochtend tot laat in de middag gegijzeld en opgesloten in de kofferbak van zijn auto, waarna hij door de politie werd bevrijd uit zijn benarde positie.

Het hof rekent verdachte zwaar aan dat hij samen met zijn mededader gedurende de hele dag een onschuldig slachtoffer heeft mishandeld, bedreigd en gegijzeld en zich kennelijk op geen enkel moment gedurende die dag heeft verzet tegen of gedistantieerd van de opeenvolgende gebeurtenissen.

Naar de ervaring leert zal het slachtoffer behalve lichamelijke klachten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hem is overkomen. Dit vindt zijn bevestiging in de brief van het slachtoffer van 17 maart 2004, waarin hij aangeeft nog steeds niet in staat te zijn om te werken en onder behandeling te staan van zowel een fysiotherapeut als een psychotherapeut. Op dergelijke ernstige feiten kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daaraan kan niet afdoen dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Over de persoon van verdachte is een rapport opgemaakt door drs. J.H. Jessurun, gz-psycholoog/psychotherapeut, gedateerd 17 oktober 2003, waarin hij het volgende concludeert: ‘Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van een achtergebleven emotionele ontwikkeling die zich vooral manifesteert in min- en meerderwaardigheidsgevoelens en een relatief onvermogen om zijn impulsen te (h)erkennen. Diagnostisch kan hij beschreven worden als ik-zwak, waarmee bedoeld wordt dat hij in wezen onvoldoende sterk is om conflicten tussen zijn driften, de eisen van de werkelijkheid en de eisen van zijn geweten goed af te handelen.

Gezien het bovenstaande kom ik tot de conclusie, dat betrokkene ten aanzien van het voorbereiden en plegen van de overval licht verminderd toerekeningsvatbaar is geweest. Toen vervolgens het stressniveau toenam bij het mislukken van de plannen en het geheel een andere wending nam ben ik van mening dat zijn beslissingskracht verder is afgenomen, waardoor hij voor de gijzeling beschouwd kan worden als verminderd toerekeningsvatbaar’.

Het hof neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het onder 1 telastegelegde en bewezenverklaarde is voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 1.000,00 ingesteld, onder voorbehoud van toekomstige schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36f, 45, 56, 57, 282a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een stuk papier.

de aan [slachtoffer 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro) met dien verstande dat indien en voorzover zijn mededader betaalt verdacht in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst verdachte in de op de vordering gevallen kosten en bepaalt deze, voorzover aan de zijde van de benadeelde partij gevallen, op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Barels, voorzitter,

mrs Van Houten en Koksma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr Apotheker, griffier,

en op 7 mei 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken.