Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP0469

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
02-06-2004
Zaaknummer
03/04446
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen boete voor grove schuld omdat navordering moest plaatsvinden als gevolg van onzorgvuldig handelen door de inspecteur.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67d, geldigheid: 2004-05-04
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 898 met annotatie van Thomas

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur, betreffende de boete die is opgelegd bij de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 april 2004.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende ontving in het onderhavige jaar van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een AOW-uitkering. De jaaropgave van de SVB vermeldt de volgende gegevens

Belastbaar bedrag Loonheffing

ƒ 24.524 ƒ 4.882

€ 11.128 € 2.215

Belanghebbende heeft in haar aangifte ten aanzien van de AOW-uitkering een belastbaar bedrag in aanmerking genomen van ƒ 24.524 en aan loonheffing een bedrag van ƒ 11.128. Dit leidde tot een teruggaaf van ƒ 6.204.

2. De inspecteur heeft de (primitieve) aanslag op 2 januari 2002 conform de aangifte opgelegd. Bij een vergelijking achteraf met de van de SVB ontvangen renseignementen heeft de inspecteur ontdekt dat belanghebbende een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing in haar aangifte had opgenomen. De inspecteur heeft hierover nagevorderd en daarbij een boete van 25% van het nagevorderde bedrag opgelegd.

3. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat hij ten tijde van het vaststellen van de (primitieve) aanslag reeds enkele maanden in het bezit was van de jaaropgave van de SVB ten aanzien van belanghebbende.

4. Het Hof is van oordeel dat een behoorlijke taakvervulling door de inspecteur meebrengt dat hij bij de aanslagregeling acht slaat op de aan hem gerenseigneerde gegevens. Dit volgt ook uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien de inspecteur de aan hem toevertrouwen taak naar behoren had uitgevoerd, zou hij reeds voorafgaand aan het opleggen van de aanslag hebben geweten dat belanghebbende een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing in haar aangifte had opgenomen. Hij had deze onvolkomenheid vervolgens bij het vaststellen van de (primitieve) aanslag kunnen herstellen.

5. Uit het bepaalde in artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) volgt dat de inspecteur bij het vaststellen van de (primitieve) aanslag geen boete wegens grove schuld had kunnen opleggen. Doordat de inspecteur onzorgvuldig is geweest bij het vaststellen van de (primitieve) aanslag, moest hij de onvolkomenheid bij navorderingsaanslag herstellen. De tekst van artikel 67e van de AWR biedt wel de mogelijkheid een boete wegens grove schuld op te leggen in geval van navordering. Dit zou echter betekenen dat de inspecteur voor zijn onzorgvuldig handelen wordt "beloond" met de mogelijkheid tot het opleggen van een boete. De mogelijkheid om belanghebbende te bestraffen ontstaat dan als gevolg van onachtzaamheid aan de zijde van de inspecteur. Nog afgezien van de omstandigheid dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat zij een te hoog bedrag aan ingehouden loonheffing in haar aangifte had opgenomen, acht het Hof een boete-oplegging die uitsluitend mogelijk is geworden door onzorgvuldig handelen van de inspecteur zozeer in strijd met doel en strekking van de artikelen 67d en 67e van de AWR, alsmede met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat de boetebeschikking dient te worden vernietigd.

6. Overigens is het Hof van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van niet meer dan een typefout door de gemachtigde van belanghebbende. De inspecteur heeft gesteld dat sprake was van grove schuld van de gemachtigde. Voor zover de gemachtigde al grove schuld zou kunnen worden verweten doordat hij zich niet heeft gerealiseerd dan de aangifte in een ongerijmde teruggaaf resulteerde, geldt dat naar het oordeel van het Hof in elk geval niet voor belanghebbende die niet fiscaal deskundig is en over het jaar 2000, in welk jaar haar echtgenoot was overleden, voor het eerst een eigen aangifte heeft gedaan waarvoor zij een ter zake deskundig kantoor heeft ingeschakeld. Belanghebbende behoefde niet aan de juistheid van de aangifte te twijfelen.

7. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van de onderhavige procedure gesteld op € 644, te weten € 322 x 2 (voor proceshandelingen) x 1 (voor het gewicht van de zaak).

De uitspraak is gedaan op 4 mei 2004 door mr. Beukers-van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.