Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AP0338

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
23-002660-03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2003:AH8885
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord en poging tot doodslag na ruzie in discotheek.

8 jar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002660-03

datum uitspraak 26 februari 2004

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 26 juni 2003 in de strafzaak onder parketnummer 15/035029-03 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [adres],

feitelijk verblijvende in de penitentiaire inrichting Flevoland, huis van bewaring Almere Binnen, te Almere.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 juni 2003 en in hoger beroep van 12 februari 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

1 op 22 juni 2002 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels op die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 op 22 juni 2002 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels op die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging ten aanzien van de onder 1 bewezen geachte voorbedachte raad

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof het volgende vastgesteld.

Op 22 juni 2002, in discotheek The Challenge te Hoofddorp, krijgen de verdachte en [slachtoffer 1], die later beiden verklaard hebben dat zij tot dat moment onbekenden voor elkaar waren, ruzie, waarbij de verdachte op een gegeven moment in de richting van [slachtoffer 1] kijkt en met zijn hand een gebaar maakt, dat kan worden opgevat als een bedreiging met de dood. Korte tijd na dit voorval verlaat [slachtoffer 1] de discotheek. Buiten gekomen treft hij voor de discotheek opnieuw de verdachte, die dan in gezelschap verkeert van enkele andere personen, waarna de ruzie zich in de vorm van wat duw- en trekwerk voortzet. Na deze ruzie gaan de verdachte en [slachtoffer 1] andermaal uit elkaar, waarna [slachtoffer 1] (samen met P. [slachtoffer 2]) in zijn auto, voorzien van het kenteken 66[nummer], stapt en wegrijdt.

Enige tijd na het opstootje voor de discotheek, dat is gadegeslagen door [getuige 1], hoort deze, terwijl hij zich bij de inrit van de bij de discotheek behorende parkeerplaats bevindt, iemand achter zich zeggen: "66 dat is het kenteken". Hij ziet dan de verdachte en twee personen, in wiens gezelschap hij de verdachte eerder, te weten na voornoemd opstootje, heeft zien weglopen. Vervolgens ziet hij de verdachte naar de inmiddels bij de discotheek teruggekeerde auto van [slachtoffer 1] rennen. Daar aangekomen schiet de verdachte tien keer van korte afstand in de richting van [slachtoffer 1].

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat vast is komen te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het eerder genomen besluit om [slachtoffer 1] iets aan te doen, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Bewijsoverweging ten aanzien van de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaringen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat, nu de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2004 ten opzichte van zijn op 27 juni 2002 tegenover de politie afgelegde verklaring op onderdelen afwijkend heeft verklaard, beide verklaringen daarmee onbruikbaar zijn geworden voor het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het enkele feit dat de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1] op bepaalde punten afwijkt van zijn eerdere, tegenover de politie afgelegde - en door het hof voor het bewijs gebezigde - verklaring, leidt niet tot de door de raadsvrouw genoemde conclusie. Andere feiten of omstandigheden, die dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van voornoemde verklaringen, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezengeachte levert op:

poging tot moord.

Het onder 2 bewezengeachte levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld conform de beslissing van de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige, tegen het leven gerichte delicten.

De enkele aanleiding die uit het dossier naar voren komt voor het begaan van deze delicten ligt in een ruzie eerder die nacht in de discotheek The Challenge tussen verdachte en een andere bezoeker [slachtoffer 1], waardoor verdachte zich mogelijk in zijn trots voelde aangetast. Na het verlaten van de discotheek heeft verdachte, kennelijk enkel uit boosheid over het optreden van [slachtoffer 1], een vuurwapen gepakt en de auto van [slachtoffer 1] opgezocht. Nadat hij deze auto, welke bij de ingang stilstond, had gevonden, heeft hij van korte afstand tien kogels afgevuurd in de richting van de bestuurdersplaats waar [slachtoffer 1] zat. Verdachte heeft daarbij [slachtoffer 1] acht maal geraakt en zijn passagier [slachtoffer 2], welke met de ruzie niets van doen had, tenminste éénmaal. Dat de beide inzittenden van de auto het leven niet hebben verloren is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte is te danken.

Het schietincident vond plaats nabij de parkeerplaats rond sluitingstijd van de druk bezochte discotheek en het is slechts aan het toeval te danken dat niemand anders door de kogels is geraakt. Dat geldt met name voor de persoon die op het moment van schieten in gesprek was met en naast het portier van [slachtoffer 1] stond. Dat deze persoon aan de dood of verwondingen is ontsnapt, mag een wonder heten.

Verdachte heeft door dit handelen blijk gegeven geen maat te kunnen houden bij de oplossing van een eenvoudige ruzie en geen enkel respect te hebben voor het leven van anderen.

Door aldus te handelen heeft verdachte de lichamelijk integriteit van de slachtoffers geschonden en heeft hij de rechtsorde in hoge mate geschokt. De door verdachte gepleegde feiten veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 5 januari 2004, is verdachte eerder ter zake van een geweldsdelict veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden en zal de verdachte dienovereenkomstig veroordelen.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten hulzen, kogels en manteldelen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij(en)

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, [slachtoffer 1], heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde, ten bedrage van € 12.233,30.

In eerste aanleg is de vordering in zijn geheel toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem onder 1 tenlastegelegde.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen geachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal dan ook tot een bedrag van € 12.233,30 worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 12.233,30 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 9 kogels, 9 hulzen en 2 manteldelen.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] (wonende te Amsterdam) een bedrag van € 12.233,30 (twaalfduizend tweehonderd drieëndertig euro en dertig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot € 12.233,30 (twaalfduizend tweehonderd drieëndertig euro en dertig eurocent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 196 (honderd zesennegentig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Gonggrijp-van Mourik, De Vries en Kortenhorst, in tegenwoordigheid van Peeperkorn, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2004.

Mr. De Vries is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.