Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO9635

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
03/03894
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU3580
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3580
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat belanghebbende en haar huisgenoot ondanks de aan de huisgenoot opgelegde onherroepelijke aanslag IB 2001 nog konden kiezen voor partnerschap aangezien niet valt in te zien waarom belanghebbende in dat geval niet, en in een Besluit van de staatssecretaris genoemd geval waarin de huisgenoot nog een procedure over zijn aanslag zou voeren, wel haar rechten op de algemene heffingskorting zou kunnen effectueren.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 1.3, geldigheid: 2004-05-11
Wet inkomstenbelasting 2001 1.3, geldigheid: 2004-05-11
Wet inkomstenbelasting 2001 8.9, geldigheid: 2004-05-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 882 met annotatie van Ligthart
FutD 2004-0936 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2004/48.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 10 oktober 2003. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 september 2003, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 330 onder toekenning van een gecombineerde heffingskorting van € 105, zijnde het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bij de aanslag kwamen tot verrekening de ingehouden loonheffing ten bedrage van € 106 en de aan belanghebbende verleende voorlopige teruggaaf ter zake van de algemene heffingskorting van ƒ 3.473 (€ 1.576). De aanslag bedroeg daardoor een te betalen bedrag van € 1.470. Daarnaast werd belanghebbende bij beschikking € 60 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een waarbij een algemene heffingskorting van € 1.576 wordt toegepast.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Ter zitting van 31 maart 2004 zijn verschenen belanghebbende, tot haar bijstand vergezeld van A, en, namens de inspecteur, mr. B. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat is aangehecht aan deze uitspraak.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1974, heeft verzocht om een voorlopige teruggaaf voor het jaar 2001 ter zake van de algemene heffingskorting. Bij het verzoek werd tot uitdrukking gebracht dat zij en haar huisgenoot A, geboren in 1964, als fiscale part-ners wensten te worden aangemerkt. De teruggaaf van ƒ 3.473 (€ 1.576) is belanghebbende verleend op 15 december 2001.

2.2. Op 1 februari 2003 heeft belanghebbende door middel van een T-biljet aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001. Daarbij gaf zij aan genoten loon een bedrag van € 330 aan. Bij vraag 2 heeft belanghebbende bij de vraag "Kiest u samen met uw huisgenoot voor het fiscale partnerschap" het vakje "nee" aangekruist. Op de eerste bladzijde van het aangiftebiljet staat de tekst:

"Handtekening partner

Als u vraag 2 en 14 heeft ingevuld, en uw (fiscale) partner moet een handtekening plaatsen

U en uw partner hebben één of meer gezamenlijke verzoeken gedaan. Laat uw partner hieronder ondertekenen

Ik ga akkoord met de gezamenlijke verzoeken die op deze aangifte zijn gedaan.

Handtekening partner".

Onder deze rubriek van het aangiftebiljet is geen handtekening geplaatst.

2.3. De huisgenoot van belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 op 5 april 2002. Hij heeft het hem uitgereikte aangiftebiljet oningevuld gelaten, doch wel ondertekend en geda-teerd, en ingezonden onder bijvoeging van een print van een met behulp van een computerprogramma opgestelde aangifte. Ook dit stuk heeft hij getekend en geda-teerd. Bij vraag 1 heeft hij de vraag "Woonde u meer dan 6 maanden samen?" met "ja" beantwoord en heeft hij bij de vraag "Kiest u met uw huisgenoot voor fiscaal partnerschap?" beantwoord met "nee". Op het door de huisgenoot ingeleverde P-biljet komt op de eerste bladzijde dezelfde rubriek voor als vermeld onder 2.2 hiervóór. Ook op het biljet van de huisgenoot is onder deze rubriek geen handtekening geplaatst.

2.4. Aan de huisgenoot is met dagtekening 19 november 2002 voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd. Hij was over 2001 € 8.893 aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd. Deze aanslag staat onherroepelijk vast.

2.5. Aan belanghebbende is, in overeenstemming met de door haar gedane aangifte, met dagtekening 1 april 2003 de onder 1.2 vermelde aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 330 onder toekenning van een ge-combineerde heffingskorting van € 105, zijnde het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende de volledige algemene heffings-korting kan worden toegekend.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat zowel zij als haar huisgenoot door onbekendheid en/of onwetendheid bij de aangifte geen kruisje heeft gezet in het vakje "ja" bij de vraag "Kiest u samen met uw huisgenoot voor het fiscale partnerschap?", dat zij door het kruisje wél te plaatsen niemand zouden benadelen en door het kruisje niet te plaatsen alleen zichzelf benadelen, zodat een en ander niet bewust kan zijn gedaan.

5.2. Het Hof stelt vast dat belanghebbende, anders dan zij in beroep stelt, in haar aangifte bij de vraag over de keuze voor het partnerschap het hokje "nee" heeft aan-gekruist. Bij haar huisgenoot is evenmin sprake van het niet aankruisen van een hokje; hij heeft in zijn aangifte de vraag "Kiest u met huisgenoot voor fiscaal partnerschap" expliciet beantwoord met "nee". Het is dus niet zo dat belanghebbende en haar huisgenoot in hun eigen aangiften in het geheel geen keuze hebben uitgebracht.

5.3. Artikel 1.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt:

"De gezamenlijke keuze van de belastingplichtige en de andere ongehuwde meerderjarige voor de kwalificatie als partner wordt gemaakt bij verzoek om voorlopige teruggaaf of bij de aangifte."

In overeenstemming met deze bepaling is het aangiftebiljet zodanig ingericht dat het uitbrengen van de keuze om als fiscale partner te worden aangemerkt dient te worden bevestigd door ondertekening van de desbetreffende rubriek op de eerste bladzijde van het aangiftebiljet.

5.4. In het onderhavige geval heeft belanghebbende haar handtekening niet geplaatst op het aangiftebiljet van haar huisgenoot en heeft haar huisgenoot zijn handtekening niet geplaatst op het aangiftebiljet van belanghebbende. Het Hof komt dan ook tot de gevolgtrekking dat belanghebbende en haar huisgenoot bij gelegenheid van hun aan-giften geen gezamenlijke keuze hebben uitgebracht.

5.5. Nu belanghebbende in haar aangifte ervoor heeft gekozen niet te worden ge-kwalificeerd als partner, laat artikel 1.3, lid 4, van de Wet inkomstenbelasting 2001 toe dat belanghebbende van haar keuze terugkomt zolang haar aanslag niet onherroe-pelijk vaststaat. Genoemd artikel verhindert immers slechts een wijziging van keuze indien ervoor is gekozen wél als partner te worden aangemerkt. Belanghebbende kan dus ook in de onderhavige procedure nog kiezen voor het partnerschap.

5.6. De kwalificatie als fiscale partner is evenwel niet slechts afhankelijk van de keuze van belanghebbende, maar ook van die van haar huisgenoot. De vraag rijst dan in hoeverre het voor belanghebbendes huisgenoot nog mogelijk is bij te dragen aan een gezamenlijke keuze. De huisgenoot heeft immers eveneens in zijn aangifte de vraag inzake de keuze voor het fiscale partnerschap negatief beantwoord, aan hem is een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar opgelegd en tegen deze aanslag, die gedagtekend is 19 november 2002, zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze, zo is tussen partijen niet in geschil, onherroepelijk vaststaat.

5.7. Naar het oordeel van het Hof kan ook onder de zojuist genoemde omstandighe-den door belanghebbende en haar huisgenoot nog een gezamenlijke keuze voor het partnerschap worden uitgebracht. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2002, nr. CPP2002/3166M, BNB 2003/98, luiden vraag 4 en het antwoord daarop als volgt:

"Kunnen ongehuwd samenwonende meerderjarigen die bij de aangifte niet hebben gekozen voor kwalificatie als partner zoals bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de wet, die keuze alsnog doen nadat de aangifte is ingediend?

Antwoord

Ja, een bij de aangifte te maken keuze kan, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, worden gemaakt tot het moment dat de aanslag van de belastingplichtige of zijn beoogde partner on-herroepelijk vaststaat. Nadat de aanslag van de belastingplichtige of zijn beoogde partner on-herroepelijk is komen vast te staan, kan de keuze niet meer worden gemaakt voor het desbetreffende kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in het Besluit van 25 maart 1991, DB89/735, zoals laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 3 juni 1996, AFZ 96/1125M, zal, mede gelet op de wetsgeschiedenis, geen ambtshalve vermindering worden verleend indien het verzoek te laat wordt ingediend.".

Uit dit Besluit blijkt dat ook naar het oordeel van de staatssecretaris het gezamenlijke verzoek nog zou kunnen worden gedaan als de huisgenoot van belanghebbende thans nog verwikkeld zou zijn in een bezwaar- of beroepsprocedure met betrekking tot zijn aanslag voor het onderhavige jaar, en dit los van de vraag of het alsnog uitbrengen van de gezamenlijke keuze er toe zou leiden dat de huisgenoot meer belasting en premie volksverzekeringen verschuldigd zou worden. Het alsnog uitbrengen van de gezamenlijke keuze is dan, afgezien van mogelijkheden voor interne compensatie, eventueel aanleiding voor het opleggen van een navorderingsaanslag bij de huisge-noot.

In een geval als het onderhavige, waarin de aanslag van de huisgenoot al wel onherroepelijk vaststaat, zou dat dan evenzeer dienen te geschieden. In het onderhavige geval staat echter bovendien vast dat bij belanghebbendes huisgenoot geen gevolgen zijn verbonden aan het alsnog uitbrengen van de gezamenlijke keuze; het belang is uitsluitend gelegen in de toekenning van de volledige algemene heffingskorting aan belanghebbende.

Een en ander afwegende valt niet in te zien waarom belanghebbende haar rechten op de algemene heffingskorting nog wel zou kunnen effectueren als haar huisgenoot nog een procedure over zijn aanslag zou voeren, en datzelfde recht niet zou kunnen ef-fectueren nu de aanslag van haar huisgenoot onherroepelijk vaststaat.

5.8. Nu belanghebbende en haar huisgenoot in de onderhavige procedure, in ieder geval door hun beider uitlatingen ter zitting, blijk hebben gegeven van hun gezamen-lijke keuze om voor het onderhavige jaar als fiscale partners te worden aangemerkt, kan die keuze worden gehonoreerd. Uit de vaststaande feiten volgt dat, mede gelet op het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing van de partner, aan belanghebbende aan heffingskorting kan worden verleend een bedrag van € 1.576, vermeerderd met 1,751% van € 330 (arbeidskorting) = € 6, dus in totaal € 1.582.

5.9. De slotsom is dat het gelijk aan belanghebbende is.

6. Proceskosten

Nu de bestreden uitspraak wordt vernietigd, acht het Hof acht in beginsel termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu omtrent kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen evenwel niets is gesteld of gebleken, laat het Hof een proceskostenveroordeling achterwege.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een met toepassing van een algemene heffingskorting van € 1.582 (ƒ 3.486);

- gelast de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31 aan haar te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 11 mei 2004 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden ge-nomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

Proces-Verbaal

van het verhandelde ter zitting met gesloten deuren, gehouden op 31 maart 2004 in-zake het beroepschrift met bovenvermeld ken-merk van

X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

Gezeten was mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier.

Ter zitting zijn verschenen

belanghebbende, tot haar bijstand vergezeld van A,

en,

namens de inspecteur, mr. B.

Door partijen is - kort en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

belanghebbende en de heer A:

Puur uit onwetendheid en in verband met een gebrek aan kennis hebben wij de formulieren ingevuld zoals wij ze hebben ingevuld. We hebben het fiscale partnerschap verkeerd begrepen. Wel hebben we het formulier voor aanvraag van de standaardhef-fingskorting destijds twee keer ingevuld en daarop niks gehoord. Op verzoek van de Belastingdienst hebben we toen een fax gestuurd. Vervolgens hebben wij een fout gemaakt en het aangiftebiljet verkeerd ingevuld door het vereiste kruisje niet te zetten. Wij kunnen alleen maar nadeel lijden en hebben daar geen enkel voordeel van. Er zit dus ook geen andere bedoeling achter ons handelen.

de inspecteur:

In het verweerschrift zijn twee foutjes geslopen. Op de eerste bladzijde moet in de voorlaatste alinea voor "€ 160" worden gelezen "€ 106" en in de vierde regel van bladzijde 2 moet "2001" zijn: "2002".

Wat gebeurd is, is jammer, maar ik ben gehouden aan de wet. Ik erken dat belanghebbende geen belang heeft bij het niet zetten van het kruisje casu quo niet kiezen voor het partnerschap.

Inderdaad is het zo dat in de encyclopedie Vakstudienieuws wordt geconstateerd dat op basis van de tekst van de wet enkel niet kan worden teruggekomen op een positieve keuze. De staatssecretaris staat blijkens zijn besluit duidelijk een andere uitleg voor.

In tweede termijn verklaarden partijen - kort en zakelijk weergegeven - het volgende:

belanghebbende en de heer A:

Het verbaast ons dat de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag de gegevens op basis waarvan de voorlopige teruggaaf is verleend er niet bij pakt.

de inspecteur:

Aangiften worden altijd als alleenstaande behandeld.

Hierop heeft het lid van de belastingkamer het onderzoek gesloten en medegedeeld dat mondeling uitspraak zal worden gedaan over twee weken.

De griffier heeft dit proces-verbaal opgemaakt. Het is door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, en mr. Couperus, de griffier, ondertekend.

(griffier) (lid van de belastingkamer)