Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8784

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-003673-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2002:AE7243
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU4676
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU4676
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met anderen in georganiseerd verband meermalen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van handelshoeveelheden cocaïne van Suriname naar Nederland. Met zijn mededaders had verdachte daartoe afspraken gemaakt en contact gehouden, onder meer over de wijze en het tijdstip waarop de cocaïne Nederland zou worden binnengesmokkeld. Lidmaatschap criminele organisatie.

10 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2004-01-30
Opiumwet 10, geldigheid: 2004-01-30
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2004-01-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-003673-02

datum uitspraak: 30 januari 2004

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 4 september 2002 in de strafzaak onder parketnummer 15/035363-01 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de verdachte op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 6 (eerste gedeelte) tenlastegelegde, te weten vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 31 mei 2002 en 21 augustus 2002 en in hoger beroep van 12 december 2003, 19 december 2003, 9 januari 2004 en 16 januari 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voorzover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 mei 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van een pleitnota, welke pleitnota zich bij de stukken bevindt, primair verzocht om nader onderzoek, specifiek in de vorm van het horen van getuigen De Lange, [getuige 1], "[getuige 2]" en de informant(en) van de informatie die uiteindelijk aan De Lange is verstrekt.

Subsidiair verzocht de raadsman, bij gebreke van nader onderzoek en, de zijns inziens, onregelmatigheden met betrekking tot de geheime informatie die ten grondslag heeft gelegen aan onderhavig strafrechtelijk onderzoek de resultaten van dit onderzoek als "fruits of the poisoned tree" uit te sluiten van bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met betrekking tot het primair verzochte: De raadsman onderbouwt voornoemd verzoek in overwegende mate met een - óók door het hof - geconstateerde tegenstrijdigheid in de bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van enerzijds E.M. de Vries, chef Criminele Inlichtingeneenheid politie Rotterdam-Rijnmond, en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van J. de Lange, teamleider van het Schipholteam, anderzijds.

Uit de verklaring van laatstgenoemde - getuige De Lange - blijkt echter dat deze, in de door de raadsman bedoelde passages, slechts spreekt over hetgeen hem in het algemeen, op basis van zijn kennis, functie en ervaring, bekend is over de herkomst van CIE-informatie en de tactische bruikbaarheid daarvan. Met betrekking tot de onderhavige CIE-informatie, heeft De Lange uitdrukkelijk verklaard niets te weten over de herkomst van deze informatie, zodat hetgeen De Lange op dit punt heeft verklaard niet van belang is voor hetgeen zich in de voorfase van het onderhavige onderzoek heeft afgespeeld.

In dit verband verdient nog uitdrukkelijke vermelding dat getuige De Vries gelet op zijn functie, bij uitstek degene is die in casu informatie kon verstrekken over het CIE proces-verbaal.

Het hof is van oordeel dat omtrent het voortraject in voldoende mate verantwoording is afgelegd, dat de leden van het Schipholteam van de verstrekte CIE-informatie - die door De Vries als "betrouwbaar" is aangemerkt - op grond van hun douanebevoegdheden gebruik mochten maken op de wijze zoals zij dat hebben gedaan, mede in aanmerking genomen dat er pas dwangmiddelen als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering zijn toegepast na het aantreffen van verdachte pakketten in de door [betrokkene 1] in de locker geplaatste tas.

Het hof ziet derhalve geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

Het hof wijst gelet op het vorenstaande en nu ook overigens onvoldoende is gesteld en (uit het onderzoek niets is) gebleken dat twijfel kan doen rijzen over de rechtmatigheid van het voortraject, dan ook het verzoek voornoemde getuigen te horen af.

Met betrekking tot het subsidiair verzochte: De raadsman heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, noch zijn deze aannemelijk geworden, die moeten leiden tot de conclusie dat er iets onrechtmatigs is voorgevallen in het voortraject. In dit verband wordt overwogen dat het beroep op de brief van het College van procureurs-generaal van 6 juni 2002 reeds faalt, omdat die brief van later datum is dan het in casu relevante CIE proces-verbaal d.d. 16 februari 2001.

Het hof ziet derhalve geen aanleiding de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek dat naar aanleiding van de CIE-informatie is gestart uit te sluiten van het bewijs.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 8 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.561,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 2 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.571 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 22 december 2000 te Den Haag, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk

- één of meer personen heeft/hebben benaderd en [koerier 1] bereid heeft gevonden om cocaïne (vanuit Suriname) naar Nederland te vervoeren

- waarna die [koerier 1] naar Suriname is afgereisd en

- waarna die [koerier 1], alvorens zij de cocaïne in Nederland kon invoeren, met de cocaïne op 22 december 2000 te Suriname is aangehouden,

waarbij het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

hij op 31 januari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

hij op 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7.937 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 6 (tweede gedeelte) tenlastegelegde:

hij op 10 november 2001 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 483,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde:

hij in de periode van 1 juli 2001 tot en met 10 november 2001 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, om een feit, bedoeld in het derde en/of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, één of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

één of meer ontmoetingen heeft gehad aangaande en/of één of meer telefoongesprekken heeft gevoerd over en/of één of meer afspraken heeft gemaakt over:

- de wijze waarop de cocaïne, al dan niet buiten de douanecontrole om, zou kunnen

worden ingevoerd en

- de personen die behulpzaam zouden kunnen zijn bij de invoer van de cocaïne en

- de tijdstippen waarop de cocaïne zou kunnen worden ingevoerd;

ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

hij in de periode van 15 oktober 2000 tot en met 10 november 2001 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en te Den Haag en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een

hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming - onder meer - bestond uit het contacten leggen en onderhouden

en informatie vergaren en verstrekken en het verrichten van diensten, alles gericht op de invoer van cocaïne.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 (tweede gedeelte), 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2, 4 en 5 bewezengeachte levert op (telkens):

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.

Het onder 3 bewezengeachte levert op:

Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.

Het onder 6 (tweede gedeelte) bewezengeachte levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet, gegeven verbod.

Het onder 7 bewezengeachte levert op:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd.

Het onder 8 bewezengeachte levert op:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen deels verbeurd verklaard, deels onttrokken aan het verkeer, en anderdeels de teruggave aan verdachte gelast.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als de rechtbank heeft gedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich met anderen in georganiseerd verband meermalen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van handelshoeveelheden cocaïne van Suriname naar Nederland. Met zijn mededaders had verdachte daartoe afspraken gemaakt en contact gehouden, onder meer over de wijze en het tijdstip waarop de cocaïne Nederland zou worden binnengesmokkeld.

Bij de invoer van cocaïne is twee keer welbewust gebruik gemaakt van één of meer ambtena(a)r(en) van de Koninklijke Marechaussee, werkzaam bij de High Risk Beveiliging op Schiphol. Met behulp van deze medewerker(s) van de High Risk Beveiliging werd een tas of koffer met cocaïne, welke kort tevoren van een koerier was overgenomen op een nabij de luchthaven gelegen zogenaamde spotterplaats overgedragen aan verdachte en zijn mededader. Ook heeft hij met anderen nog een keer geprobeerd cocaïne in te voeren.

Daarnaast is in de woning van verdachte 483,5 gram cocaïne aangetroffen, die kennelijk bestemd was voor de handel.

Voorts heeft verdachte zich samen met anderen gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van cocaïnetransporten naar Nederland. Verdachte heeft hiertoe met mededaders (telefonische) besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt, onder meer over de wijze waarop, wanneer en door wie de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou kunnen worden gesmokkeld.

Door aldus te handelen heeft verdachte aanzienlijk bijgedragen aan de instandhouding van de markt van verdovende middelen. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof waaraan gebruikers gemakkelijk verslaafd raken, met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien, zoals het begaan van strafbare feiten die gepleegd worden om aan geld te komen voor de aanschaf van cocaïne.

De hiervoor bedoelde feiten werden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, waarbij verdachte, voor wat betreft de personen die vanuit Nederland opereerden, een centrale en coördinerende rol vervulde. Verdachte trad daarbij op als tussenpersoon tussen de opdrachtgever(s) in Suriname - met wie hij een rechtstreeks contact onderhield - en andere leden van de organisatie in Nederland. Voorts voorzag hij zijn contacten in Suriname van essentiële informatie over de actuele stand van zaken met betrekking tot de douanecontroles op Schiphol. Verder heeft verdachte de organisatie in Nederland (verder) opgebouwd en uitgebreid door daarbij meer personen te betrekken, onder meer personen die hij vervolgens mogelijke drugskoeriers liet zoeken. Ook gaf verdachte aan welke bedragen koeriers zouden ontvangen en voerde hij de betalingen uit. Verder blijkt verdachte's centrale positie binnen de organisatie uit de omstandigheid dat hij zich naast het bovenstaande kennelijk ook bezighield met de afzet van cocaïne.

De activiteiten van de organisatie zoals hierboven genoemd vormen een ernstig gevaar voor de gezondheid van personen en hebben gelet op het misdadig oogmerk van de organisatie een ondermijnende werking op de rechtsorde.

In zijn oordeel betrekt het hof voorts dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 11 oktober 2003 eerder terzake van overtreding van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie is veroordeeld, waarbij hem een aanzienlijke gevangenisstraf werd opgelegd. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij met de thans bewezengeachte feiten, zich niet alleen opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke misdrijven, maar ook dat hij daarbij anderen de transporten feitelijk heeft laten uitvoeren en hen aldus heeft blootgesteld aan een veel groter risico op betrapping en detentie, dan hij zelf liep. Naast deze omstandigheden is de rol van verdachte binnen de hierboven omschreven criminele organisatie en het feit dat hij weloverwogen gebruik heeft gemaakt van corrupte ambtenaren bepalend voor de door het hof op te leggen straf.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte rapport van M.T. Meywes van Reclassering Nederland van 28 mei 2002.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden lange duur passend en geboden. Het hof acht daarbij voorts nog van belang dat verdachte tot deze feiten welbewust is overgegaan uit winstbejag en hebzucht.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten één MAXON telefoontoestel en één MITSUBISHI telefoontoestel, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de 483,5 gram cocaïne, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 6 (tweede gedeelte) bewezengeachte is begaan en het bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 57, 140 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 (tweede gedeelte), 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 (tweede gedeelte), 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 MAXON MX-6879 telefoontoestel, imei: [nummer], zonder simkaart;

- 1 MITSUBISHI MT35X telefoontoestel, imei: [nummer], simkaart [nummer].

Onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp,

te weten:

- 483,5 gram cocaïne.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 paspoort;

- 200,92 gram wit poeder, van anorganisch materiaal, geen verdovende middelen;

- 1 treinkaart, NS dagretour route: Den Haag C - Amsterdam Lelylaan 08-11-01;

- 1 groen adresboek.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland-van Veen, Clement en Zeijl, in tegenwoordigheid van mr. Zeiss, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2004.

Mr. Zeijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.