Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8160

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
03/01567
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BB3439, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is eigenaar van twee onroerende zaken. Het Hof volgt de inspecteur in zijn stelling dat in 1999 niet alleen het hoofdverblijf van belanghebbende, maar ook de andere onroerende zaak een eigen woning is in de zin van art. 42a, tweede lid, Wet IB 1964. Voorts oordeelt het Hof dat o.a. gesproken lectuur voor iemand met een visuele handicap een hulpmiddel is in de zin van art. 46, derde lid, aanhef en letter a, onder 1º van die wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 27 februari 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2004.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 69.730;

- gelast de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 31 aan hem te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 10 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1.1. Belanghebbende, geboren in 1936, is gehuwd met Y. Y heeft een visuele handicap.

1.2. De onroerende zaak a-straat 1 te Z is een eigen woning van belanghebbende als bedoeld in artikel 42a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ("Wet IB 1964"). Gedurende het gehele onderhavige jaar hadden belanghebbende en zijn echtgenote hun hoofdverblijf in deze woning. Op de dag van de zitting woonden zij daar nog steeds.

1.3. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak b-weg 10 te Q, een (woon)boerderij (hierna: b-weg 10). Een deel van b-weg 10 heeft hij tot en met 1997 als opslagruimte verhuurd. Daarna, van 1 september 1999 tot 1 maart 2000, heeft hij het voor ƒ 900 per maand als woning verhuurd. Belanghebbende heeft de huurbaten (ƒ 3.600) in zijn aangifte vermeld als inkomsten uit onroerende zaken, andere dan de eigen woning. De afschrijvings- en verbouwingskosten, in totaal ƒ 12.436, heeft hij op die inkomsten in mindering gebracht.

1.4. In zijn brief van 5 november 1998 aan R te S heeft belanghebbende geïnformeerd naar mogelijkheden in de huur- of koopsector van de C-hof te Q.

1.5. In zijn brief van 5 februari 2002 aan de inspecteur heeft belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

"Een oplossing van het probleem hebben we gezocht in het huren van een klein appartement in het (…) nieuw te bouwen en in 1999 gereed gekomen woonzorgcomplex de C-hof te Q (…). Met veel moeite is dat uiteindelijk gelukt (…).

De bedoeling was dat ik dan op korte termijn het in mijn bezit zijnde pand aan de b-weg 10 te Q zou betrekken om van daaruit de verdere zorg op me te nemen en toch zelf nog enige rust te krijgen. Daartoe moest het woongedeelte van dat pand nog eerst grondig worden gerenoveerd (…).

Een tweede hartaanval en personeelsgebrek in de bouwsector hebben voor een aanzienlijke vertraging in de uitvoering van de plannen gezorgd (…). Van een definitieve verhuizing is op dit moment dus nog geen sprake (…). In de loop van dit voorjaar komt b-weg 10 gereed en wordt de huidige woning in Z ontruimd en verkocht."

2.1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 41.378. Daarbij heeft hij buitengewone lasten ad ƒ 29.067 wegens uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit in aanmerking genomen. Die uitgaven betreffen de kosten van:

Premie czv ƒ 3.621

Eigen risico ƒ 2.000

Nota's tandarts ƒ 907

huisapotheek ƒ 150

dieet 12 maanden ƒ 490

dieet echtgenote 12 maanden ƒ 1.150

dieettoeslag 12 x 62,50 ƒ 750

thuiszorg ƒ 29

rekeningen CAK ƒ 1.215

gesproken lectuur visuele handicap ƒ 50

extra verlichting visuele handicap ƒ 250

extra kleding/beddegoed ƒ 640

patiëntenvervoer ƒ 434

arbeidsongeschiktheidsaftrek (dubbel) ƒ 2.042

huur en inrichting zorgwoning gehandicapte echtgenote ƒ 14.874

gehandicaptenvakantie zonnebloem ƒ 465

Na aftrek van een drempel van ƒ 7.661 heeft belanghebbende ƒ 21.406 als buitengewone lasten in aftrek gebracht.

2.2. In zijn brief van 11 februari 2002 aan belanghebbende heeft de inspecteur onder meer geschreven dat ter zake van de huisapotheek slechts ƒ 50 per persoon aftrekbaar is, dat voor dieetkosten ƒ 20 extra in aftrek kan komen, dat de kosten van gesproken lectuur en extra verlichting niet als ziektekosten zijn aan te merken, dat de kosten ter zake van de zorgwoning en de kosten van de gehandicaptenvakantie niet als ziektekosten kunnen worden aangemerkt.

2.3. De aanslag, gedagtekend 7 maart 2002, is naar een belastbaar inkomen van ƒ 70.780 opgelegd. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift tegen die aanslag op 9 april 2002 ingediend. In zijn brief van 13 juni 2002 aan belanghebbende heeft de inspecteur medegedeeld dat belanghebbende "wel recht heeft op de gevraagde dieettoeslag van ƒ 750". Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het belastbare inkomen op ƒ 70.030 vastgesteld.

3. In geschil is of:

a. de inspecteur de termijn voor het doen voor uitspraak op bezwaar heeft overschreden, hetgeen belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur heeft betwist;

b. de onder 1.3 genoemde kosten ad ƒ 12.436 aftrekbaar zijn; en

c. de onder 2.1 genoemde kosten ter zake van de huisapotheek, gesproken lectuur, extra verlichting, de zorgwoning en de gehandicaptenvakantie aftrekbaar zijn.

4. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij in verband met de handicap van zijn vrouw sinds 1998 bezig is om andere huisvesting te vinden, dat b-weg 10 als woning niet veel voorstelt, dat het voorstuk van b-weg 10 bewoonbaar is, dat hij van plan was om de schuur deels als woning te gaan inrichten, maar dat dat veel geld kost en de verbouwing onder meer vanwege geldgebrek is stopgezet. Voorts heeft hij verklaard dat b-weg 110 nu leegstaat, dat hij niet anders kan doen dan in Z blijven wonen, dat zijn echtgenote nog steeds bij hem in Z woont en dat hij de C-hof wel huurt, maar dat dat alleen maar geld kost.

5. Artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt dat de inspecteur, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift daarop uitspraak doet. De inspecteur heeft binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak gedaan. Met betrekking tot het onder 3a genoemde geschilpunt is het gelijk derhalve aan de inspecteur. Daaraan doet niet af dat de inspecteur belanghebbende op 29 mei 2002 aan belanghebbende heeft meegedeeld de eerder meegedeelde beslistermijn van zes weken met vier weken te verlengen.

6. Met betrekking tot het onder 3b genoemde geschilpunt heeft het volgende te gelden. Artikel 42a, tweede lid, van de Wet IB 1964 bepaalt dat onder eigen woning wordt verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met de aanhorigheden daarvan, voor zover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden ter beschikking staat. Gelet op de verklaring van belanghebbende ter zitting dat hij sinds 1998 op zoek is naar andere huisvesting en op het onder 1.5 opgenomen citaat, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in 1999 het voornemen had om b-weg 10 als woning te gaan gebruiken en het als zodanig beschikbaar te houden. Daarbij overweegt het Hof dat b-weg 110 blijkens de huurovereenkomst tijdelijk is verhuurd voor de periode van 1 september 1999 tot en met 31 maart 2000, met de mogelijkheid van verlening tot ten hoogste 1 juni 2000, dat de huurder moet toestaan dat de renovatie- en herstelwerkzaamheden normaal doorgang vinden, dat het pand na 1 maart 2000 niet meer is verhuurd en het is evenmin gesteld of gebleken dat belanghebbende pogingen heeft ondernomen om b-weg 10 na 1 maart 2000 te verhuren. Voorts stond b-weg 10 in 1999, afgezien van de laatste vier maanden van dat jaar, feitelijk aan belanghebbende ter beschikking. Een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat b-weg 10 in 1999 voor belanghebbende een eigen woning als bedoeld in artikel 42a, tweede lid, van de Wet IB 1964 was. Alsdan is het terecht dat de inspecteur de onder 1.3 genoemde aftrekpost van ƒ 12.436 heeft gecorrigeerd en is het op grond van artikel 42a, achtste lid, van de Wet IB 1964 juist dat hij de onder 2.3 genoemde correcties van ƒ 3.600 en (3/4 x ƒ 3.600 =) ƒ 2.700 heeft aangebracht. Belanghebbende heeft nog gesteld dat, conform het beleid in voorgaande jaren, ten aanzien van b-weg 10 in 1999 hetzelfde fiscale regime dient te gelden als in voorgaande jaren. Het Hof verwerpt die stelling omdat de feitelijke situatie tot en met 1997 verschilde van die in het onderhavige jaar. Belanghebbendes voornemen het pand zelf te gaan gebruiken is - naar het Hof uit de hiervoor onder 1.5 aangehaalde brief afleidt - pas in 1998 opgekomen. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende dat voornemen al eerder had. Niets is gesteld of gebleken over de vraag of belanghebbende in zijn aangifte 1998 ter zake van b-weg 10 inkomsten heeft aangegeven en zo ja, of de inspecteur de aangifte 1998 op dat punt heeft gevolgd of gecorrigeerd.

7. Met betrekking tot de onder 3c genoemde geschilpunten heeft het volgende te gelden. Op grond van artikel 46, derde lid, aanhef en letter a, onder 1º, van de Wet IB 1964 worden de totale kosten van farmaceutische en andere hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschrift van een arts, tot een bedrag van ƒ 50 per persoon in aanmerking genomen. In casu kan voor de zogenoemde huisapotheek derhalve ƒ 100 in aftrek komen.

Naar het oordeel van het Hof zijn de gesproken lectuur en de extra verlichting hulpmiddelen in de zin van artikel 46, derde lid, letter a, van de Wet IB 1964. Zowel de gesproken lectuur als de extra verlichting is namelijk een middel met een bijzondere hoedanigheid die meebrengt dat het naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie (in casu: zien) kan overnemen.

De uitgaven voor de zorgwoning en de gehandicaptenvakantie zijn geen uitgaven die zijn opgenomen in artikel 46, derde lid, van de Wet IB 1964 en zijn derhalve niet aftrekbaar.

8. Gelet op het vorenoverwogene concludeert het Hof dat de inspecteur de kosten voor de gesproken lectuur en de extra verlichting van in totaal ƒ 300 in aftrek had moeten toelaten, maar dat het bij de bestreden uitspraak vastgestelde belastbare inkomen overigens juist is.

9. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 10.

De uitspraak is gedaan op 8 april 2004 door mr. Van de Merwe, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.