Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO7850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
812/2003 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de beschrijving van de door de notaris verrichte werkzaamheden en hetgeen door hem ter zitting is aangevoerd, is er geen sprake van een passieve opstelling van de notaris bij de afwikkeling van de boedel. Het hof verwerpt het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 8 april 2004 in de zaak onder rekestnummer 812/2003 NOT van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 1 augustus 2003 ingekomen een geschrift - met bijlagen - namens appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 26 juni 2003, verzonden op 4 juli 2003, waarbij haar klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 17 september 2003 een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 maart 2004. Verschenen zijn klaagster en de notaris. Zij hebben beiden het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer daaromtrent heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen deze vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris het volgende. Klaagster stelt voorop dat men in [plaats] eigen wetten en regels hanteert met betrekking tot het erfrecht.

4.2. Voorts is klaagster van mening dat de notaris zich aan de aan hem verstrekte opdracht onttrekt: hij laat alles op zijn beloop.

4.3. Tevens onderhoudt de notaris geen contact met derden, waaronder de belastingdienst, de boekhouder en de overige erfgenamen. Doordat klaagster zelf een bezwaarschrift inzake de nalatenschap van haar moeder bij de belastingdienst heeft ingediend, heeft zij schade ter zake weten te voorkomen. Klaagster acht het evenwel de taak van de notaris om dienaangaande schade aan de boedel te voorkomen.

4.4. Bovendien wil de notaris als boedelnotaris overgaan tot scheiding en deling van de boedel op verzoek van één erfgenaam. Naar de mening van klaagster handelt de notaris veel te eenzijdig. Mocht dit niet het geval zijn, dan is het onwil of onkunde van de notaris.

4.5. Tenslotte klaagt klaagster over de behandeling in eerste aanleg. Klaagster is door de voorzitter van de kamer de mond gesnoerd toen zij de notaris verzocht haar uitleg te geven met betrekking tot haar stelling dat men in [plaats] eigen wetten en regels heeft.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist ten stelligste de stellingen van klaagster. Hij voert daartoe onder meer aan dat hij steeds nauwlettend heeft gereageerd op de ontwikkelingen in het verloop van de afwikkeling van de boedel. Zo heeft hij diverse brieven doen uitgaan naar de belastingdienst, de accountant en de erfgenamen. Uit de correspondentie met de erfgenamen blijkt dat sommige erfgenamen - onder wie klaagster - niet hebben gereageerd op zijn brieven of hebben aangegeven geen overleg te willen plegen.

5.2. Bovendien heeft de notaris reeds op 1 oktober 2002 aangeboden om zich als boedelnotaris terug te trekken indien de erfgenamen dat in het belang van de boedelafwikkeling nodig zouden achten. Tenslotte heeft de notaris getracht - op verzoek van één van de erfgenamen - een bespreking tussen alle erfgenamen tot stand te brengen.

6. De beoordeling

6.1. Voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder dat zij zich niet heeft kunnen uitlaten over haar stelling dat men in [plaats] er eigen wetten en regels ten aanzien van het erfrecht op na houdt, behoeft dit bezwaar geen nadere bespreking nu de door haar gestelde tekortkoming tengevolge van de behandeling in hoger beroep is hersteld.

6.2. Aan het oordeel van het hof is thans de vraag onderworpen of de notaris - kort samengevat - in onvoldoende mate leiding heeft gegeven aan de boedelbehandeling en niet met alle gerechtigden behoorlijk overleg heeft gepleegd teneinde tot een afwikkeling van de boedel te komen.

6.3. Het hof is met de kamer van oordeel dat - gelet op de beschrijving van de door de notaris verrichte werkzaamheden en hetgeen door hem ter zitting is aangevoerd - er geen sprake is van een passieve opstelling van de notaris. Uit de door de notaris in eerste instantie overgelegde brief van 20 februari 2003 blijkt dat er veelvuldig is gecorrespondeerd tussen hem en de belastingdienst, de accountant en de erfgenamen.

6.4. Uit de door klaagster overgelegde correspondentie dienaangaande blijkt eveneens dat de notaris de erfgenamen tijdig en op heldere wijze op de hoogte heeft gebracht van de stand van zaken bij de afwikkeling van de boedel. De stelling van klaagster dat het allemaal zo lang duurde onderschrijft het hof dan ook niet.

Het hof acht het in dit verband van belang dat klaagster niet is ingegaan op de uitnodiging van de notaris van 17 september 2002 om door middel van een bespreking bij hem op kantoor tot een afwikkeling van de boedel te komen. Het hof acht de klacht van klaagster dan ook ongegrond.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 8 april 2004.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Reg.nr.: KvT 03/2003

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna te noemen de Kamer, in de zaak van:

[naam], wonende te [woonplaats],

klaagster,

tegen

mr. [naam],

notaris te [plaats],

hierna te noemen: de notaris.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 21 januari 2003 heeft klaagster een klacht ingediend tegen de notaris. De notaris heeft schriftelijk verweer gevoerd bij brief van 20 februari 2003. Op 24 maart 2003 heeft de Kamer een nadere schriftelijke reactie van klaagster ontvangen. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 mei 2003 ter openbare vergadering van de voltallige Kamer. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en haar broer [naam]. De notaris is eveneens verschenen.

2. DE FEITEN

2.1 Op 10 oktober 1999 is de moeder van klaagster overleden met achterlating van haar echtgenoot en vijf kinderen als erfgenamen. De ouders van klaagster hadden gezamenlijk een lopend boerenbedrijf. In haar testament heeft zij haar echtgenoot[naam], benoemd tot uitvoerder van haar uiterste wilsbeschikking met het recht tot inbezitneming van haar nalatenschap. [naam] is op 13 april 2001 overleden. In juli 2000 heeft de notaris een verklaring van erfrecht betreffende de nalatenschap van klaagsters moeder aan de zuster van klaagster afgegeven. Deze verklaring is niet aan de overige erfgenamen afgegeven. Op 19 mei 2001 heeft klaagster een klacht tegen de notaris ingediend. De klacht richtte zich tegen de inhoud van de verklaring van erfrecht, alsmede tegen het feit dat de betreffende verklaring niet aan alle erfgenamen is afgegeven. Op 1 maart 2002 heeft de Kamer de klacht van klaagster gegrond verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd.

2.2 Op 21 januari 2003 dient klaagster wederom een klacht in tegen de notaris. De klacht heeft betrekking op de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder.

3. DE KLACHT

In het schrijven van 21 januari 2002 heeft klaagster de klacht als volgt geformuleerd:

1. Heeft men in [plaats] eigen wetten en regels t.a.v. de erfwet.

2. De notaris houdt zich niet aan de aan hem verstrekte opdracht (laat alles op zijn beloop).

3. Door niet te communiceren met betrokken partijen, zoals belastingdienst, boekhouder en erfgenamen (was volgens de notaris niets tegen in te brengen, voor de rest zoek zelf maar uit).

4. Wederom moest ik als gerechtigde erfgenaam ingrijpen om ernstige schade aan de boedel te voorkomen (wie zijn taak is dit).

5. De notaris wil als boedelnotaris op eenzijdig verzoek van één erfgenaam overgaan tot verdeling en bedeling van de gehele boedel.

6. Handelt de notaris in deze als notaris-beroepsoefenaar niet veel te eenzijdig of is dit onwil of onkunde.

4. HET STANDPUNT VAN DE NOTARIS

De notaris heeft in zijn verweer een overzicht gegeven van de door hem ondernomen acties in de periode van 5 november 2001 tot en met 29 januari 2003. Uit dit overzicht kan naar het oordeel van de notaris worden afgeleid dat hij steeds adequaat heeft gereageerd op de ontwikkelingen in de boedel. Tevens geeft de notaris aan dat niet alle erfgenamen reageren op zijn brieven en niet willen overgaan tot een boedelbespreking. Tot slot merkt de notaris op dat klaagster niet heeft gereageerd op zijn aanbod een andere boedelnotaris te benoemen.

5. DE BEOORDELING DOOR DE KAMER

5.1 De Kamer vat de in voormelde zes punten geformuleerde klacht zo op dat de notaris wordt verweten dat hij in onvoldoende mate leiding heeft gegeven aan de boedelverdeling en dat hij niet met alle gerechtigden behoorlijk heeft gecommuniceerd ten einde tot een afwikkeling van de boedel te komen.

5.2 De Kamer concludeert in de eerste plaats -op basis van de stukken en hetgeen tijdens de behandeling van de klacht naar voren is gebracht- dat reeds vóór de indiening van de eerste klacht de verhouding tussen de erfgenamen was verstoord. Er zijn naar het oordeel van de Kamer thans geen nieuwe feiten en omstandigheden te noemen die hebben bijgedragen aan de verdere verslechtering van deze verhouding.

5.3 De notaris heeft in zijn brief van 20 februari 2003 een beschrijving gegeven van de door hem verrichte werkzaamheden. Uit de opsomming van de werkzaamheden blijkt de Kamer dat van de zijde van de notaris geen sprake is van passiviteit en dat de notaris niet nodeloos lang bezig is met de afwikkeling van de boedel. De Kamer is van oordeel dat de notaris niet een tekort aan professionele sturing en een tekort aan heldere communicatie kan worden verweten.

5.4 Naar het oordeel van de Kamer heeft klaagster in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt dat de notaris tekortgeschoten is bij de afwikkeling van de nalatenschap. De Kamer acht in dit verband van belang dat klaagster niet wenste in te gaan op de uitnodiging van de notaris in september 2002 voor een gesprek met alle erfgenamen. Klaagster heeft de afwikkeling van de boedelverdeling op deze wijze gefrustreerd. Het feit dat de afwikkeling van de boedel tot op heden niet is afgerond kan de notaris dan ook niet verweten worden.

5.5 Tot slot adviseert de Kamer partijen met klem -gelet op de thans ontstane situatie- de huidige zakelijke relatie te beëindigen. In een schrijven van 1 oktober 2002 en tijdens de behandeling van de klacht heeft de notaris reeds aangegeven bereid te zijn zich terug te trekken als boedelnotaris.

5.6 Gelet op het vorenstaande wordt als volgt beslist.

6. DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter, mrs. J.C.G. Leijten, G. Gast, G. van Wijk en H.Ph. Breuker, leden, bijgestaan door mr. R.J. van der Veen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26-06-2003

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.