Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO7833

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2004
Datum publicatie
19-04-2004
Zaaknummer
613/03 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boedelscheiding na echtscheiding. Het hof is van oordeel dat de notaris geen blijk heeft gegeven van partijdigheid. Tevens heeft de notaris juist gehandeld met betrekking tot het verzamelen van bewijsstukken teneinde een juiste opsomming van de boedelbestanddelen te kunnen maken. Het hof verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 maart 2004 in de zaak onder rekestnummer 613/2003 NOT van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. A.A.J. de Nijs,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 19 juni 2003 ingekomen een geschrift - met bijlagen - namens appellant, verder te noemen klager, waarbij hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Rotterdam, verder te noemen de kamer, van 22 mei 2003, waarbij zijn klacht tegen geïntimeerde verder te noemen de notaris, deels niet ontvankelijk en deels ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 28 juli 2003 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 februari 2004. Verschenen zijn klager en zijn advocaat alsmede de notaris. Zij hebben het woord gevoerd, de advocaat van klager en de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen.

4. De feiten

4.1. De notaris is bij beschikking van 11 maart 1998 door de rechtbank te Rotterdam aangesteld als boedelnotaris inzake de verdeling van de door echtscheiding ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen klager en zijn ex-echtgenote.

In de boedel bevindt zich de voormalig echtelijke woning van partijen. Klager stelt zich op het standpunt dat het bedrag dat resteert na de verkoop en levering van de woning aan hem toekomt, omdat de aankoop van de woning is betaald met het geld uit de nalatenschap van de moeder van klager, verder te noemen erflaatster. In het testament van erflaatster is een uitsluitingsclausule ten gunste van klager opgenomen.

Op 24 april 1998 heeft het transport van de woning plaats gevonden. De notaris heeft -als transportnotaris- een voorstel tot verdeling van het verkoopsaldo gedaan van 50/50, ondanks de uitsluitingsclausule. Klager kon hier niet mee instemmen. Sindsdien is de opbrengst van de verkoop van de woning in depot onder de notaris gebleven.

4.2. Klager heeft bij brief van 31 oktober 1998 een klacht ingediend tegen de notaris bij de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, verder te noemen KNB. Op 26 maart 1999 ontvangt de notaris de uitspraak van het scheidsgerecht van de KNB, waarin de klacht ongegrond is verklaard. Tegen deze beslissing wordt door klager beroep ingesteld bij het College van Beroep, dat op 31 december 1999 de uitspraak van het scheidsgerecht heeft bevestigd.

4.3. Ten behoeve van de boedelverdeling heeft de notaris aan beide partijen om stukken verzocht. De ex-echtgenote was slechts in het bezit van enkele kopieën, waaronder een kopie van het overzicht van AXA Levensverzekeringen, van de rekening in Luxemburg en van de rekening bij de Postbank.

4.4. Op 14 juni 2000 zou een kortgedingprocedure met betrekking tot de uitbetaling van het depot onder de notaris dienen bij de rechtbank te Rotterdam. Een dag vóór de behandeling van de procedure realiseerde de notaris zich dat de vice-president van de rechtbank die de zaak zou behandelen een studiegenoot van haar is. De zitting is om die reden verplaatst naar een andere datum met een andere vice-president.

4.5. Op 3 juni 2001 heeft de notaris aan de advocaat van klager een overzicht van de rentebetaling van de door haar in depot gehouden gelden en haar einddeclaratie gezonden.

5. Het standpunt van klager

5.1. Kort samengevat verwijt klager de notaris dat zij als boedelnotaris zich niet zakelijk en professioneel heeft opgesteld. Hierdoor wekte zij de indruk de belangen van de ex-echtgenote van klager te doen prevaleren ten opzichte van de belangen van klager bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In het bijzonder liet de notaris duidelijk blijken het eerlijker te vinden indien partijen het vermogen, inclusief het vermogen dat onder de uitsluitingsclausule viel, bij helfte zouden verdelen.

5.2. De notaris verzocht klager bovendien alle bewijsstukken aan te leveren, waarbij zij vooronderstelde dat de ex-vrouw van klager deze stukken niet kon fourneren. Bovendien twijfelde de notaris aan de door klager overgelegde bewijsstukken. Zelfs een origineel bescheid zoals het bewijs van eigendom van de echtelijke woning achtte de notaris onvoldoende. Naar de mening van klager vroeg de notaris om meer stukken dan vereist waren voor de afwikkeling van de boedel.

5.3. Ook wordt de notaris verweten dat zij gezwegen heeft over het feit dat een kennis van haar de behandelend vice-president zou zijn in het kort geding dat klager tegen de notaris had aangespannen. Gelet op het beperkte aantal fungerend vice-presidenten kon zij weten dat de kans aanwezig zou zijn dat haar kennis als kortgedingrechter ter zitting zou functioneren. De notaris had eerder melding moeten maken van dit feit en niet lijdelijk moeten afwachten wie de behandelend vice-president zou zijn.

5.4. Voorts is klager van mening dat de notaris hem had dienen in te lichten toen zij de beschikking kreeg over papieren van AXA Levensverzekering, waarvan zij wist dat de stukken onrechtmatig verkregen waren. Door dit te verzwijgen en vervolgens AXA Levensverzekeringen aan te schrijven op basis van deze stukken heeft zij geen openheid betracht jegens klager.

5.5. Klager maakt eveneens bezwaar tegen de hoogte van de declaratie van de notaris. Hij is van mening dat de notaris de regels die gelden ten aanzien van de te vergoeden rente over gelden die in depot zijn onder de notaris, niet in acht heeft genomen. Zij heeft hem te weinig rente uitbetaald.

5.6. In hoger beroep maakt klager bezwaar tegen het feit dat de kamer in haar beslissing heeft vermeld dat klager klaagt over de afhandeling van een nalatenschap, terwijl klager klaagt over de afhandeling van een boedelverdeling na echtscheiding.

6. Het standpunt van notaris

6.1. De notaris betwist ten stelligste dat zij de belangen van klager ondergeschikt zou hebben gemaakt aan de belangen van zijn ex-echtgenote. Op de dag van de verkoop van de voormalig echtelijke woning heeft de notaris - als transportnotaris - voorgesteld om de overwaarde van de woning 50/50 onder partijen te verdelen. Indien klager dit advies gevolgd zou hebben dan zou hij praktisch meteen over het geld hebben kunnen beschikken en zou er veel geld en tijd bespaard zijn.

6.2. Ten aanzien van de klacht dat klager de stukken die zijn vordering moesten onderbouwen diende te produceren, merkt de notaris op dat zij verplicht is om de omvang van de gemeenschap van de goederen exact vast te stellen.

Om te kunnen vaststellen wat onder de uitsluitingsclausule viel diende zij over die bewijzen te kunnen beschikken. Deze informatie had zij van beide partijen nodig. Klager kon echter over alle originele bescheiden beschikken, terwijl zijn ex-echtgenote slechts over kopieën van enkele stukken kon beschikken. Door beide partijen om stukken te verzoeken heeft zij zich niet partijdig noch lijdelijk opgesteld. Bovendien is klager door de notaris ruimschoots in de gelegenheid gesteld de stukken aan te leveren.

6.3. Ten aanzien van de klacht met betrekking tot het uitstel van de kortgedingprocedure verweert de notaris zich als volgt. Uit de kopie van de dagvaarding heeft de notaris niet kunnen opmaken wie als vice-president in kort geding zou fungeren. Ook uit de brief van 25 mei 2000 van de advocaat van klager kon zij niet gewaar worden dat haar studiegenoot deze zaak zou voorzitten, aangezien zulks niet in de brief door de advocaat vermeld werd. Dat de bijlage bij deze brief, een kopie van een brief aan de rechtbank, was gericht ter attentie van mevrouw mr. [naam] is de notaris ontgaan.

6.4. De notaris acht het vanzelfsprekend dat zij AXA Levensverzekeringen - in het kader van haar onderzoeksplicht - aangeschreven heeft. De brief van AXA-Levensverzekeringen, die haar daartoe aanleiding gaf, heeft de notaris via de ex-echtgenote van klager ontvangen. Deze brief is niet op onrechtmatige wijze verkregen, aangezien beide partijen gerechtigd waren zich toegang te verschaffen tot de gemeenschappelijke boedel. Bovendien is de notaris van mening dat indien de betaling van de verzekering gedaan zou zijn met geld uit de nalatenschap van klagers moeder, dit bestanddeel dan buiten de boedel zou vallen en reeds aan klager in privé zou toebehoren. Het had op de weg van klager gelegen de notaris de desbetreffende brief met een kopie van de polis ter hand te stellen.

6.5. Eveneens betwist de notaris dat zij haar declaratie onjuist heeft opgesteld. Zij heeft haar urenverantwoording bij verweerschrift overgelegd. Voorts heeft de notaris aangeboden het bankboekje inzake haar ondernemersdepot ter inzage te geven.

7. Beoordeling

7.1. Voor zover klager bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, met name dat de kamer in haar beslissing vermeldt dat de klacht betreft de afhandeling van een nalatenschap in plaats van de afhandeling van een boedelscheiding na echtscheiding, behoeft dit bezwaar van klager geen nadere behandeling, nu deze door hem gestelde tekortkoming tengevolge de van behandeling in hoger beroep is hersteld.

7.2. Aan het oordeel van het hof is thans de vraag onderworpen of de notaris partijdig heeft gehandeld dan wel zich onprofessioneel heeft opgesteld bij de afwikkeling van de boedelscheiding na echtscheiding.

7.3. Het hof stelt voorop dat het voorstel van de notaris in haar hoedanigheid van transportnotaris op de dag van de verkoop van de echtelijke woning gedaan, om het saldo bij helfte te verdelen, geen onverstandig voorstel was. De notaris heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat het inzichtelijk maken van hetgeen tot de te verdelen boedel behoort veel tijd in beslag zou nemen. Door meteen tot verdeling van het saldo over te gaan - zonder in achtneming van de uitsluitingsclausule - zou veel tijd en geld bespaard zijn. Het hof is van oordeel dat de notaris, bij ontbreken van deugdelijke aanwijzingen omtrent het niet tot de boedel behoren van bepaalde vermogensbestanddelen, met dit voorstel geen blijk heeft gegeven van partijdigheid. Het hof acht dit klachtonderdeel ongegrond.

7.4. Het hof is voorts van oordeel dat de klacht betreffende het aanleveren van bewijsstukken door klager en zijn ex-echtgenote, evenmin gegrond is. Het is de taak van de notaris om zoveel mogelijk bewijsstukken te vergaren en deze op hun echtheid te beoordelen, teneinde een juiste opsomming van de boedelbestanddelen te kunnen maken alvorens tot verdeling kan worden overgegaan. Dit klemt te meer nu in de onderhavige zaak sprake is van een uitsluitingsclausule. Aangezien klager over het merendeel van de originele stukken kon beschikken, was hij de aangewezen persoon om deze stukken over te leggen. Het had op de weg van klager gelegen deze stukken terstond en zeker nadat hem daarom verzocht was aan de notaris te overhandigen. Het hof kan klager dan ook niet volgen in dit klachtonderdeel en acht het klachtonderdeel ongegrond.

7.5. Het verwijt van klager dat de notaris te lang verzwegen heeft dat zij bevriend is met de rechter die het kortgeding zou behandelen, treft evenmin doel. Niet is gebleken dat klager onredelijk geschaad is in zijn belangen, nu het kortgeding een week later heeft plaats gevonden en een andere rechter de zaak heeft behandeld.

7.6. Het hof is voorts van oordeel dat het klachtonderdeel betreffende de brief van AXA Levensverzekeringen, ter hand gesteld aan de notaris door de ex-echtgenote van klager, ongegrond is. Het behoort immers tot de taak van de notaris de belangen van beide partijen te behartigen en zelfstandig onderzoek te doen naar de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap. De desbetreffende brief van AXA kon en mocht daartoe voor de notaris de aanleiding zijn.

7.7. Inzake het declaratiegeschil is het hof van oordeel dat ingevolge artikel 55 lid 2 WNA een geschil over de hoogte van de declaratie door de meest gerede partij aan de voorzitter van het bestuur van de desbetreffende ring van de Koninklijke Notarieel Beroepsorganisatie kan worden voorgelegd. De ringvoorzitter toetst volledig. Tegen de beslissing van de ringvoorzitter staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State.

Het hof toetst een dergelijk geschil slechts marginaal. Het hof komt na marginale toetsing tot het oordeel dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel nopen dat de notaris in redelijkheid niet tot haar declaratie had kunnen komen. Hierbij is onder meer van belang dat de notaris haar declaratie door middel van een urenspecificatie heeft verantwoord. Bovendien heeft de notaris aangegeven inzicht te willen verschaffen door overlegging van de bankbescheiden inzake de rentevergoeding over de gelden in depot. De klacht is in zoverre ongegrond.

7.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

Het hier vooroverwogene leidt tot de volgende beslissing.

8. De beslissing:

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing van de kamer van 22 mei 2003 en opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Los, Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 25 maart 2004.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam

Reg.nr. 23/02

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt (1999) van:

de heer [naam],

klager,

- tegen -

mw. mr. [naam],

notaris te [plaats],

de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- klaagschrift d.d. 11 december 2002, met bijlagen;

- verweerschrift d.d. 3 januari 2003, met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 22 april 2003. Klager alsmede de notaris zijn verschenen en hebben elk hun standpunt nader toegelicht.

2. Inhoud van de klacht

2.1

In essentie stelt klager dat de notaris zich niet heeft gedragen zoals een goed notaris betaamt door:

a) de afhandeling van de nalatenschap onnodig te vertragen;

b) handelingen te verrichten en na te laten welke het vertrouwen in het ambt van notaris schaden; en

c) een einddeclaratie op te stellen van ruim fl. 18.000,00 waarbij geen rekening gehouden is met de rente over derdengelden.

2.2

Klager voert daartoe het volgende aan:

a) De notaris heeft zich gedurende de behandeling van de boedelscheiding na de echtscheiding te lijdelijk opgesteld doordat zij geen onderzoek heeft verricht naar de juistheid van de stellingen van de ex-echtgenote van de klager. Voorts heeft de notaris zich te partijdig opgesteld door slechts op de belangen van de ex-echtgenote van de klager te letten.

b) De notaris heeft de rechtbank te laat op de hoogte gesteld van de vriendschap met een kortgedingrechter, waardoor de zitting geen doorgang kon worden. Voorts heeft de notaris een brief van AXA Levensverzekeringen misbruikt om zonder klagers medeweten of machtiging informatie in te winnen.

c) De notaris heeft haar werkzaamheden van 28 december 1999 tot 14 juni 2002 niet gespecificeerd. Voorts stelt klager dat de notaris hem te weinig rente heeft uitgekeerd.

3. Standpunt van de notaris

De notaris stelt daartegenover het volgende:

a) De notaris ontkent verwijtbaar te hebben gehandeld en voert daartoe het volgende aan. De notaris stelt dat het logisch is dat hetgeen door partijen gesteld wordt dient te worden onderzocht. De notaris stelt dat zij zich hoofdzakelijk tot klager heeft gericht omdat deze de benodigde gegevens kon verschaffen.

b) De notaris ontkent dat zij opzettelijk heeft verzwegen dat de kortgedingrechter een kennis zou zijn. De notaris heeft verklaard dat zij deze omstandigheid in eerste instantie over het hoofd heeft gezien. Met betrekking tot brief van AXA Levensverzekeringen heeft de notaris bij de mondelinge behandeling verklaard dat zij diende te onderzoeken of klager en ex-echtgenote een polis hadden afgesloten. De notaris heeft meegedeeld dat zij verplicht is om dergelijke vragen te stellen in het kader van de boedelscheiding na een ontbinding van een huwelijk. De notaris heeft in eerste instantie om inlichtingen bij de verzekeringsmaatschappij verzocht. Hierop heeft de notaris geen reactie ontvangen. Vervolgens heeft de ex-echtgenote van klager de brief van AXA Levensverzekeringen in haar administratie aangetroffen, welke aan de notaris is overhandigd.

c) De notaris betwist dat zij haar werkzaamheden niet gespecificeerd zou hebben. Ten aanzien van de renteberekening van klager heeft de notaris gemeld dat zij nooit haar kosten heeft afgeschreven op het depot. Tevens stelt zij dat zij bereid is om een inzage te geven in haar ondernemersdeposito.

4. De beoordeling

4.1

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 van de WNA. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

4.2

De notaris heeft de taak de belangen van alle betrokken partijen te behartigen, derhalve zowel die van klager als die van diens ex-echtgenote. Niet gebleken is dat de notaris geen rekening heeft gehouden met de belangen van klager. Op grond van het vorenstaande oordeelt de Kamer dat de notaris zich noch te lijdelijk, noch te partijdig heeft opgesteld, maar heeft gehandeld met de zorg die zij als notaris behoort te betrachten. De Kamer acht daarom onderdeel a van de klacht ongegrond.

4.3

Klager verwijt de notaris te hebben verzwegen dat zij bevriend was met de rechter die het tussen hem en zijn ex-echtgenote aanhangige kortgeding zou behandelen.

De notaris heeft zich dit feit kort voor de zitting gerealiseerd en als gevolg daarvan is het kortgeding een week verschoven en door een andere rechter behandeld. Niet valt in te zien op grond waarvan klager hierdoor in zijn belangen kan zijn geschaad en in zoverre is de klacht dan ook ongegrond.

Datzelfde geldt voor het tweede punt van onderdeel b van de klacht, waarin klager de notaris verwijt gebruik te hebben gemaakt van een haar door de ex-echtgenote ter hand gesteld brief van AXA Levensverzekering. Zoals hiervoor overwogen heeft de notaris tot taak de belangen van beide betrokken partijen in het oog te houden en zelfstandig onderzoek te doen naar de omvang en de samenstelling van de te scheiden en delen gemeenschap van goederen.

4.4

Ten aanzien van het eerste punt van onderdeel c oordeelt de Kamer dat zij niet de aangewezen instantie is om over declaratiegeschillen te oordelen. Een dergelijk geschil kan klager voorleggen aan de Ring te Rotterdam. Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.

Voorts oordeelt de Kamer dat de renteberekening van de notaris haar overigens niet onredelijk voorkomt. Het tweede punt van onderdeel c van de klacht acht de Kamer derhalve ongegrond.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam,

verklaart de klacht ten aanzien van het eerste punt van onderdeel c niet ontvankelijk en ten aanzien van de overige onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 22 mei 2003 door mrs. F.W.H. van den Emster,

R. Veenendaal, R. van der Galiën, B. van der Meide en R.G.M. Gores, in tegenwoor-digheid van de plaatsvervangend secretaris, mr. E.C. Höhner.

Uitgesproken ter openbare vergadering.

De plaatsvervangend secretaris, De voorzitter,

E.C. Höhner F.W.H. van den Emster

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.