Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO7832

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2004
Datum publicatie
27-04-2004
Zaaknummer
00/90146
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes beroep op verordening (EG) nr. 2458/95 en op verordening (EG) 2795/99 wordt verworpen, aangezien naar het oordeel van de Douanekamer de onderhavige hoes onvoldoende overeenstemt met de in de bijlagen bij die verordeningen omschreven (stoel)bekledingen. Met name heeft de hoes niet het karakter om blijvend op de autostoel te worden aangebracht. Ten aanzien van de kunststofvoering komt de Douanekamer tot het oordeel dat deze louter dient als drager van de twee overige stoffen (breiwerk en weefsel), zodat daaraan voor de toepassing van de indelingsregels geen doorslaggevend gewicht toekomt. In wezen moet het product worden gekenmerkt als een samengesteld werk van gebreide en geweven textielstof. Hoeveelheid en functie van de twee stoffen zijn zodanig dat niet kan worden gezegd dat één der stoffen het wezenlijk karakter van het samengestelde werk bepaalt. Derhalve kan indelingsregel 3b in casu geen uitsluitsel bieden, en moet het product worden ingedeeld met behulp van regel 3c.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 00/90146 DK (voorheen nr. 0146/2000 TC)

de dato 8 april 2004

1. De procedure

1.1. Op 31 augustus 2000 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst/Douane district B (hierna: de inspecteur), gedagtekend 23 augustus 2000, kenmerk ……, waarbij het bezwaar tegen de uitnodiging tot betaling van 24 mei 2000, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van belanghebbende is op 15 maart 2001 een conclusie van repliek ingekomen; de inspecteur heeft op 10 april 2001 een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 16 juli 2002. Daar is verschenen C namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld van D en E. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. Belanghebbende was voor die zitting opgeroepen bij aangetekende brief van 18 juni 2002, gericht aan het in het beroepschrift opgegeven adres, maar is niet verschenen. Een bevestiging van ontvangst van de oproeping is door een medewerker van het bedrijf op 19 juni 2002 ondertekend.

Na de zitting heeft de griffier het bezwaarschrift opgevraagd bij de inspecteur.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 3 maart 2000 heeft belanghebbende bij de douanepost B onder nummer …… een aangifte voor het vrije verkeer gedaan van goederen, van oorsprong uit China, die in de aangifte werden omschreven als kussens voor stoelen en banken. De douanewaarde bedroeg f 325.193. De goederen zijn aangegeven onder post 9404 90 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT), waarvoor een tarief van douanerechten gold van 3,7%.

2.2. Bij de aangifte is een factuur overgelegd van F te Y aan G B.V. te X van 26 januari 2000. De goederen zijn daarop beschreven als:

"cotton car-seat coverset, model jeans" en

"tc car-seat coverset, model solid colour line".

Tevens is daarbij een certificaat van oorsprong, formulier A nr. ……, gevoegd. De omschrijving van de goederen op dit certificaat van oorsprong is gelijk aan die op voormelde factuur.

2.3. De ambtenaren zijn bij de verificatie van de aangifte overgegaan tot een daadwerkelijke opname van de goederen en hebben daarvan op 6 april 2000 een monster genomen. Op basis van dit monster hebben zij het standpunt ingenomen dat de goederen onder post 6304 91 00 van het GDT moeten worden ingedeeld, waarvoor op de dag van invoer een tarief van 12% aan douanerechten gold. Aan belanghebbende is hiervan mededeling gedaan.

2.4. Het sub 2.3. vermelde monster is naar het Laboratorium van de Belastingdienst te Amsterdam gezonden. In het van het onderzoek opgemaakte rapport van 28 april 2000, nummer ..., is voorzover hier van belang, het volgende vermeld:

"Bij onderzoek bevonden:

Autostoelhoes die voor het grootste deel uit breiwerk van synthetische textielvezels van polyester en voor het overige deel uit weefsel van katoen en synthetische textielvezel van polyester bestaat.

(…)

Advies goederencode: 6307 90 10.".

De bevindingen van dit onderzoek zijn aan belanghebbende medegedeeld op 8 mei 2000.

2.5. Op 24 mei 2000 zijn de goederen ter beschikking gesteld van de aangever, waarbij aan belanghebbende de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling, berekend overeenkomstig de gegevens van de aangifte, ten bedrage van f 12.032,20 is uitgereikt. Op 6 juni 2000 heeft belanghebbende bij de inspecteur een bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 31 mei 2000. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

"Hiermede maken wij bezwaar tegen de eigen aangifte: …….

Voor de goederen die we bij deze aangifte hebben aangegeven is een monsteronderzoek ingesteld. De stoelhoezen zoals door ons aangegeven dienen als geconfectioneerde bekleding voor bevuilde, of bijvoorbeeld versleten stoelen in auto's en niet ter bescherming tegen bevuiling of slijtage, wij zijn dan ook van mening dat de goederen hadden moeten worden ingedeeld onder GN-code 9401 90 en niet onder GN-code 6307 90 waardoor er 12% invoerrechten wordt geheven in plaats van 2,7%.".

2.6. Op 11 juli 2000 is de verificatie van de aangifte beëindigd. Daarbij zijn de goederen - conform het advies van het laboratorium - ingedeeld onder post 6307 90 10, waarvoor ten tijde van de invoer een douanerecht gold van 12%. Aan belanghebbende werd op 11 juli 2000 een tweede uitnodiging tot betaling uitgereikt voor de meer verschuldigde douanerechten ten bedrage van f 26.991,--.

2.7. Door de inspecteur is bij het verweerschrift een monster van het product overgelegd. Het artikel betreft een textielproduct, dat door partijen wordt gekarakteriseerd als een overtrek voor autostoelen. Het zit- en ruggedeelte bestaat uit drie stroken textielstof die aan elkaar zijn genaaid; de middelste strook (groen van kleur) is gemaakt van een weefsel van katoen en heeft een afmeting van ongeveer 30 cm bij 100 cm; de twee aan weerszijden van de groene strook vastgenaaide stroken (zwart van kleur) zijn van een breiwerk van synthetische textielvezels van polyester en hebben een afmeting van ongeveer 15 cm bij 100 cm. Het ruggedeelte is dichtgestikt met een laag textielstof gemaakt van een breiwerk van synthetische textielvezels van polyester van ongeveer 50 cm bij 60 cm; de bovenzijde van het ruggedeelte heeft een opening van ongeveer 20 cm waardoor het mogelijk is om het product over de hoofdsteun heen te schuiven en op het ruggedeelte aan te brengen. Het zitgedeelte is open; aan de stroken van het zitgedeelte is een laag textielstof vastgenaaid van een breiwerk van synthetische textielvezels van polyester van ongeveer 15 cm bij 70 cm; de randen van deze laag zijn afgezoomd met elastiek en voorzien van vier elastieken, die dienen om het artikel de autostoel te bevestigen. Het zit- en ruggedeelte is aan de binnenkant gevoerd met een synthetische textielvezel van polyester. Aan de binnenkant, ongeveer in het midden is een lapje van katoen aangebracht van ongeveer 10 cm bij 25 cm dat is gevoerd met een synthetische textielvezel van polyester. Aan het lapje zijn twee elastieken aangebracht. Bij het textielproduct hoort een textielproduct van dezelfde samenstelling, met een afmeting van ongeveer 25 cm bij 25 cm bestemd voor de hoofdsteun. In de bijsluiter is vermeld dat het artikel is samengesteld uit 15% katoen en 85% polyester.

3. Het geschil

In geding is het antwoord op de vraag of de onderhavige goederen moeten worden ingedeeld onder één der subposten van post 6304, zoals de inspecteur nader ter zitting heeft gesteld, dan wel onder post 9401 90 80 van het GDT, hetgeen belanghebbende - in afwijking van post 9404 90 90 van de aangifte - voorstaat. Voornoemde posten luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

Post 6304

"6304 Andere artikelen voor stoffering, andere dan die bedoeld bij post

9404:

(…)

- andere:

6304 91 00 -- van brei- of haakwerk

(…)

6304 99 00 -- andere dan van brei- of haakwerk, van andere textielstoffen".

Post 9401 90 80

"9401 Stoelen, banken en andere zitmeubelen (andere dan die bedoeld

bij post 9402), ook indien zij tot bed kunnen worden

omgevormd, alsmede delen daarvan:

(…)

9401 90 - delen:

(…)

-- andere:

(…)

9401 90 80 --- andere".

GS-Aantekening 1, onder 1, op hoofdstuk 63, de GS-Toelichting op de posten 6304 en 9401, en de indelingsverordeningen (EG) nr. 2458/95 en nr. 2795/99, zijn mede in de beschouwing betrokken en luiden als volgt:

GS-Aantekening 1, onder 1, op hoofdstuk 63:

"Dit hoofdstuk omvat:

1. onder de posten 6301 tot en met 6307 (…), artikelen van textiel, ongeacht de wijze van vervaardiging (weefsel, brei- en haakwerk, vilt, gebonden textielvlies, enzovoort) die niet zijn begrepen onder posten met een meer specifieke omschrijving van Afdeling XI of andere hoofdstukken van de nomenclatuur.".

GS-Toelichting op post 6304:

"Deze post omvat artikelen van textiel, andere dan die bedoeld bij de voorgaande post of bij post 9404, voor stoffering van woningen, openbare gebouwen, theaters, kerken, enzovoort, en voorts soortgelijke artikelen voor de stoffering van schepen, spoorwegrijtuigen, vliegtuigen, kampeeraanhangwagens, automobielen en dergelijke vervoermiddelen.

Van deze artikelen kunnen worden genoemd wandbekleding en draperieën (…), muskietennetten, bedspreien (…), kussenovertrekken, meubelhoezen, antimakassars, tafelkleden (…), schoorsteenlopers, embrasses.".

GS-Toelichting op post 9401:

"Op enkele uitzonderingen na, die in de toelichtingen zijn opgenomen, omvat post 9401: alle soorten zitmeubelen (…), zoals stoelen, (enzovoorts)

(…)

Voorts omvat post 94.01 voorwerpen waarvan kan worden onderkend dat het delen zijn van stoelen of zitmeubelen, zoals rugleuningen, armleuningen en zittingen - matten, biezen en rieten artikelen daaronder begrepen -, ook indien opgevuld of met binnenvering, alsmede stellen samengevoegde spiraalveren (…), dienend als binnenvering voor stoelen en zitmeubelen.".

Verordening (EG) nr. 2458/95 van de Commissie van 19 oktober 1995, Pb EG 1995, nr. L 253:

"Bekledingen, bestemd om blijvend te worden bevestigd op voor- en achterstoelen van automobielen, bestaande uit:

- een zitgedeelte, waarvan de buitenzijde hoofdzakelijk bestaat uit weefsel van synthetische textielvezels (polyester) en uit kunststof (PVC). Aan de binnenzijde is een buigzame metalen strip aangebracht;

- een ruggedeelte, waarvan de buitenzijde hoofdzakelijk bestaat uit weefsel van synthetische textielvezels (polyester) en uit kunststof (PVC). Aan de binnenzijde zijn aangebracht:

- banden met een bevestiging van kunststof;

- een band van rubber;

- buigzame metalen strippen;

- een deel voor de bekleding van een hoofdsteun, waarvan de buitenzijde hoofdzakelijk bestaat uit weefsel van synthetische textielvezels (polyester) en uit kunststof (PVC).

Aan de binnenzijde is het weefsel bevestigd aan een dunne laag kunststof met celstructuur, bedekt met een weefsel van geknoopte mazen van polyamide; de kunststof (PVC) is bevestigd aan een weefsel van acrylvezels.

GN-code: 9401 90 80

Motivering:

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 9401, 9401 90 en 9401 90 80. Deze bekledingen moeten worden aangemerkt als delen van stoelen van GN-code 9401.".

Verordening (EG) nr. 2795/1999 van de Commissie van 29 december 1999, Pb EG 1999, nr. L 337:

"Stoelbekledingen van katoen, bestemd om blijvend te worden bevestigd op

het zitvlak of de rugleuning van opgevulde zitmeubelen. De stoelbekledingen

worden gebruikt in combinatie met andere delen van montagemeubelen. Na het

samenvoegen van de delen tot meubelen, kunnen de bekledingen niet worden

verwijderd zonder de meubelen te demonteren.

GN-code: 9401 90 80

Motivering:

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, alsmede de tekst van de GN-codes 9401, 9401 90 en 9401 9080. De stoelbekledingen worden aangemerkt als delen van zitmeubelen van GN-code 9401.".

4. Het standpunt van belanghebbende

Het artikel vervangt de bestaande autobekleding. Het wordt gebruikt voor gescheurde of vuile bekleding in met name oude auto's, en moet daarom onder post 9401 90 80 worden ingedeeld. Uit van de inspecteur ontvangen informatie valt af te leiden dat geconfectioneerde bekledingen voor zetels van automobielen, als waarvan in het onderhavige geval sprake is, ook onder post 9401 kunnen worden ingedeeld. Post 6304 ziet niet op het onderhavige artikel. Het is namelijk niet geweven, maar vervaardigd uit een poolbreiwerk van textielstof.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Het artikel dient slechts om oude of vuile bekleding te camoufleren en kan die niet vervangen. Het kan dan ook niet worden aangemerkt als delen van autostoelen als bedoeld bij post 9401. Dit en het feit dat het artikel voor het grootste gedeelte een breiwerk is, brengen de inspecteur ertoe dat het artikel in post 6304 91 00 moet worden ingedeeld. In het Boekwerk HB III van de douane wordt vermeld dat geconfectioneerde bekledingen voor zetels van automobielen onder post 9401 90 80 moeten worden ingedeeld, maar het is waarschijnlijk dat met de in deze tarifering bedoelde bekleding die bekleding wordt bedoeld welke in de indelingsverordeningen nr. 2458/95 en nr. 2795/99 uitgebreider wordt omschreven.

De WDO heeft in een indelingsadvies het hierna beschreven product onder post 6304 ingedeeld:

Vierkant artikel (zijde ± 1 m) vervaardigd uit een poolbreiwerk van textielstof afgebiesd met een aangenaaide elastische vlecht (breedte 8 mm) en voorzien van acht linten voor het vastmaken, bestemd om autostoelen te beschermen. De overtrek is bedoeld om de zitting, de rugleuning en eventueel de hoofdsteun te bedekken. Dat het onderhavige artikel niet in alle opzichten overeenkomt met deze omschrijving staat een analoge toepassing van deze tarifering niet in de weg.

5.2. De inspecteur heeft ter zitting het volgende aan zijn stellingen toegevoegd. Het artikel kan voor elk type autostoel worden gebruikt en dient om te voorkomen dat de stoel vuil of beschadigd raakt. Een stoel die echt versleten is zal opnieuw bekleed moeten worden. Alleen als de bestaande bekleding compleet vervangen wordt, is sprake van "delen van stoelen of zitmeubelen" als bedoeld in de GS-toelichting op post 9401. De onderhavige hoes is niet geschikt om blijvend te worden bevestigd aan de stoel of om de bestaande bekleding te vervangen. Hij voldoet niet aan de criteria genoemd in de indelingsverordeningen. Hij is van een matige kwaliteit. Er zijn wel betere, meer duurzame soorten in de handel, maar die zijn alleen verkrijgbaar voor bepaalde, dure automerken. Alles overziende kan eigenlijk alleen maar post 6304 in aanmerking komen. Volgens de bijsluiter bestaat het artikel voor 15% uit katoen en voor 85% uit polyester.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De Douanekamer is van oordeel dat het sub 2.5. vermelde bezwaarschrift geacht moet worden slechts te zijn gericht tegen de aan belanghebbende op 24 mei 2000 gedane uitnodiging tot betaling. Op die dag was immers wel reeds de uitslag van het Laboratorium (zie sub 2.4.) bekend, dat een goederencode adviseerde die tot een heffing van 12% zou leiden, maar nog geenszins de tariefindeling die de inspecteur, als de te dezen bevoegde autoriteit, uiteindelijk bij de beëindiging van de verificatie zou vaststellen. Anders dan de inspecteur stelt, kan het bezwaar dus niet mede betrekking hebben op de tweede uitnodiging tot betaling (zie sub 2.6.).

6.2. Waarneming van het monster leert de Douanekamer dat de inspecteur de gebruiksmogelijkheden van de goederen juist heeft weergegeven.

6.3. Daarom moet het beroep van belanghebbende op Verordening (EG) nr. 2458/95 en op Verordening (EG) 2795/99 worden verworpen, aangezien de onderhavige hoes onvoldoende overeenstemt met de in de bijlagen bij die verordeningen omschreven (stoel)bekledingen. Met name heeft de hoes niet het karakter om blijvend op de autostoel te worden aangebracht.

6.4. Uit het sub 6.2. en 6.3. overwogene volgt dat de litigieuze hoes niet kan worden aangemerkt als delen van stoelen, vermeld in post 9401 van het GDT, maar dat hij als andere geconfectioneerde artikelen voor stoffering onder post 6304 moeten worden ingedeeld.

6.5. Ten aanzien van de kunststofvoering komt de Douanekamer tot het oordeel dat deze louter dient als drager van de twee overige stoffen (breiwerk en weefsel), zodat deze voor de tariefindeling geen betekenis heeft (HvJ 12 april 1994, nr. C-150/93, Jurispr. blz. I-1161 en UTC 1996/22*), of anders gezegd dat daaraan voor de toepassing van de indelingsregels geen doorslaggevend gewicht toekomt.

6.6. In wezen moet het product derhalve worden gekenmerkt als een samengesteld werk van gebreide en geweven textielstof, waarop onderscheidenlijk post 6304 91 00 en post 6304 99 00 van toepassing is. De Douanekamer is van oordeel dat de hoeveelheid en de functie van de twee stoffen zodanig zijn dat niet kan worden gezegd dat één der stoffen het wezenlijk karakter van het samengestelde werk bepaalt. Derhalve kan indelingsregel 3b in casu geen uitsluitsel bieden, en moet het product worden ingedeeld met behulp van regel 3c, te weten onder de post die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst, dat wil in casu zeggen onder post 6304 99 00, waarin is voorzien in een heffing van douanerecht van 12% van de douanewaarde.

6.7. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de inspecteur de onder 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling, gebaseerd op 3,7% aan douanerechten, niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De beslissing van de inspecteur om het bezwaar af te wijzen - daargelaten wat er zij van zijn opvatting dat het bezwaar zich richtte tegen de tweede uitnodiging tot betaling (zie sub 2.6.) - is derhalve juist. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 8 april 2004 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.