Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO6455

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2004
Datum publicatie
29-03-2004
Zaaknummer
02/01378
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet is in geschil dat de opgevoerde quotakosten tot de douanewaarde hadden moeten worden gerekend. Tussen partijen is (nog) wel in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht op grond van artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek als schuldenaar is aangemerkt; en subsidiair of de uitnodiging tot betaling in strijd met artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Douanebesluit 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 02/01378 DK

1. De procedure

1.1. Op 15 februari 2002 is ter griffie een beroepschrift ingekomen van A en mr. B van C (thans: D) te Z. Het beroep is ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict F (hierna: de inspecteur) van 8 januari 2002, nr. ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 2 augustus 1999, kenmerk ……, beschikkingsnummer ……, vermelde bedrag ad f 44.920,50 aan douanerechten werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 218 geheven.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 augustus 2002 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 9 oktober 2002 een conclusie van dupliek ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 februari 2004. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende A en mr. B, alsmede namens de inspecteur mr. G tot bijstand vergezeld van H. Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is onderdeel van een concern dat zich, voor zover hier van belang, bezighoudt met de inkoop van textielproducten uit het Verre Oosten, de invoer daarvan in de Gemeenschap en de verkoop daarvan. Belanghebbende houdt 82,5% van de aandelen in I B.V.; de overige 17,5% van de aandelen in die vennootschap wordt gehouden door J B.V.. I B.V. is op haar beurt 100% aandeelhoudster van, voor zover hier relevant, vier werkmaatschappijen. Eén van deze werkmaatschappijen is K B.V. (hierna K) welke vennootschap optreedt als inkooporganisatie binnen het concern. K handelt daarbij op eigen naam en voor eigen rekening. Bij de aankoop van kleding in het Verre Oosten maakt K gebruik van de diensten van een inkoopagent, welke inkoopagent eveneens handelt op eigen naam en voor eigen rekening. De inkoopagent draagt zorg voor betaling aan de leveranciers. De andere drie evenbedoelde werkmaatschappijen zijn verkooporganisaties. Belanghebbende maakt deel uit van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) waartoe ook K en de andere drie werkmaatschappijen behoren.

2.2. Gedurende de jaren 1996 tot en met 1998 zijn door verschillende douane-expediteurs ten behoeve van het concern waartoe belanghebbende behoort, textielproducten in Nederland voor het vrije verkeer aangegeven. De contracten ter zake met de desbetreffende douane-expediteurs zijn door K gesloten. De gegevens ten behoeve van het doen van aangifte zijn door K aan de betrokken douane-expediteurs verstrekt.

2.3. Op de aangiften voor het vrije verkeer van evenbedoelde textielproducten is als geadresseerde vermeld "... E B.V., L B.V., C.S". Evenbedoeld nummer is het zogeheten subnummer van de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting, waaronder K is aangewezen voor de toepassing van artikel 23 van de Wet OB.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 10 december 1998 van K aan de Belastingdienst/Douane waarin, voorzover hier van belang, het volgende is vermeld:

"Quatakosten worden door ons buiten de douane-waarde gelaten zodra deze apart op de leveringsfactuur vermeldt worden vergezelt van een zgn. quota-invoice van de leverancier (…) Zoals reeds aan U medegedeeld doen wij zaken met leveranciers direkt in China, die daar een hoeveelheid quota hebben opgebouwd. (…) Deze leveranciers hoeven dus geen quota te kopen en wordt dus geen quota-kosten apart berekend. Wij doen ook veel zaken met leveranciers in Hong-Kong. Deze leveranciers hebben geen quota in china opgebouwd dus moeten zij quota kopen op de vrije markt of via zgn. brokers. Deze gekochte quota maakt geen onderdeel uit van het ingekochte artikel en wordt dan ook apart op de factuur vermeld. Bij de aangifte wordt een kopie van deze quota kosten aan de douane overlegd. (…) Op een bepaald tijdstip wilde de douane toch enige onderliggende stukken zien bij de aangifte en mondeling werd overeengekomen dat akkoord gegaan zou worden met het indienen van een quota-invoice van de leverancier (…). Tot op heden hebben wij van de douane post M (…) geen enkel commentaar gehad dat dit niet meer voldoende zou zijn en dat er aanvullende dokumenten verlangt zouden worden. Graag zouden wij van U vernemen of er in de toekomst andere dokumenten verstrekt moeten worden.".

2.5. In 1999 heeft de inspecteur een boekenonderzoek ingesteld naar de gevolgde douaneformaliteiten bij invoer en de aanvaardbaarheid van de ingediende invoeraangiften gedurende de jaren 1996 tot en met 1998. Tijdens dat onderzoek is vastgesteld dat zogeheten quotakosten buiten de douanewaarde van de ingevoerde goederen zijn gelaten. In het op 7 juni 1999 van dit onderzoek opgemaakte rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

" Controleopdracht (controle na de invoer)

Dit rapport betreft een ingesteld onderzoek bij E over de jaren 1996 t/m 1998, naar de gevolge douaneformaliteiten bij invoer en de aanvaardbaarheid van de ingediende invoeraangiften.

(…)

1.1. Bedrijfsactivteiten

(…) Sinds 14 december 1996 treedt K B.V. op als inkooporganisatie, hierna te noemen BTG. (…) K maakt deel uit van een groep waarvan E B.V. (…) aan het hoofd staat.

(…)

1.4. Concernstructuur

(…)

E is een fiscale eenheid en heeft met J B.V. een belang van respectievelijk 82,5% en 17,5% in I B.V.

(…)

2. Maatstaf van heffing

(…)

Tijdens het onderzoek is niet aangetoond dat het hier om daadwerkelijk gekochte quotakosten gaat en derhalve deel uitmaakt van de Douanewaarde. Volgens de bijlagen behorend bij dit rapport zal tot correctie worden overgegaan."

2.6. Tot de stukken van het geding behoort voorts een aangifte voor het vrije verkeer van 9 september 1997, ter zake waarvan de inspecteur aanvullende stukken heeft opgevraagd. De aanvullende bescheiden behoren eveneens tot de stukken van het geding.

2.7. Op 2 augustus 1999 is aan belanghebbende de onderhavige uitnodiging tot betaling uitgereikt. In deze uitnodiging tot betaling is onder meer het volgende opgenomen:

"Tijdens een controle na invoer gehouden bij E B.V. te Y is gebleken dat quotakosten voor textielprodukten buiten de douanewaarde zijn gelaten. Tijdens het onderzoek is niet aangetoond dat het hier om daadwerkelijk gekochte qutoakosten gaat en derhalve onderdeel uitmaakt van de douanewaarde. Het betreft de door u gedane invoeraangiftenten gedurende de periode 1996 t/m 1998. Hierdoor is FL. 44.920,50 ( € 20.384,03) aan douanerechten verschuldigd. (…) Op grond van artikel 201 Verordening (EEG) 2913/92, is er een douaneschuld ontstaan en bent u de rechten verschuldigd."

3. Het geschil

Tussen partijen is primair in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht op grond van artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) als schuldenaar is aangemerkt; subsidiair is in geschil of de uitnodiging tot betaling in strijd met artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW is opgelegd.

Niet is in geschil dat de opgevoerde quotakosten tot de douanewaarde hadden moeten worden gerekend.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich, naar het Hof begrijpt, op het standpunt dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de overgelegde gegevens onjuist waren. Op het moment dat het door de inspecteur in zijn verweerschrift gestelde beleid bekend werd gemaakt, heeft overleg plaatsgevonden met de douane; daarbij is mondeling afgesproken dat het overleggen van de factuur van de leverancier voldoende zou zijn om de quotakosten buiten de douanewaarde te houden.

4.2. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de onderhavige uitnodiging tot betaling in strijd met het bepaalde in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW is gedaan. Medewerkers van de douane hebben belanghebbende én de douane-expediteur geïnformeerd over de voorwaarden waaronder quotakosten buiten de douanewaarde mogen blijven. Belanghebbende heeft altijd aan deze voorwaarden voldaan. Er is volgens belanghebbende dan ook sprake van een vergissing van de douane in de zin van voormelde bepaling, welke vergissing zij bovendien redelijkerwijze niet kon ontdekken. Dat laatste blijkt ook wel uit de door belanghebbende op de invoeraangifte van 9 september 1997 overgelegde (aanvullende) bescheiden, die door de douane globaal zijn gecontroleerd. De douane heeft nooit gevraagd verdere bescheiden over te leggen.

4.3. Ter zitting is namens belanghebbende daar nog het volgende aan toegevoegd. K koopt en verkoopt op eigen naam en voor eigen rekening textielproducten. Deze producten worden aan andere concernleden geleverd. K zorgt voor de invoer van de producten en schakelt daarvoor douane-expediteurs in. De bijtelling van de quotakosten als zodanig is niet in geschil. Deze behoren tot de douanewaarde. Uitsluitend is in geschil of belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld voor de douaneschuld en of navordering mogelijk is gelet op artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW. Het gedane getuigenaanbod wordt ingetrokken. Dat zou alleen een herhaling van zetten opleveren. Het beleid van de douane zoals dit is gepubliceerd in het Handboek Douane is bekend.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende is op grond van artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het CDW juncto art. 54 van het Douanebesluit als schuldenaar aangemerkt. Belanghebbende heeft de gegevens verstrekt die ertoe hebben geleid dat de wettelijk verschuldigde rechten gedeeltelijk niet zijn geheven, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat die gegevens onjuist waren. Er was algemeen gepubliceerd beleid omtrent de voorwaarden waaronder quotakosten buiten de heffing konden blijven. Belanghebbende was - zij gaf dat zelf aan in de brief van 10 december 1998 - zich ervan bewust dat exporteurs in China quota gratis kregen toegewezen; zij wist ook dat bewijzen voor de aankoop en betaling van quota door leveranciers in Hongkong niet voorhanden waren. Belanghebbende heeft aan de aangever de facturen gegeven waarop de quotakosten afzonderlijk waren vermeld, terwijl zij wist dat er geen bewijs van verkrijging was.

5.2. Er is niets gebleken van toezeggingen of afspraken. Bij navraag heeft een betrokken ambtenaar aangegeven dat, hoewel er met de aangever van de goederen regelmatig contact is geweest en er ook wel gesproken kan zijn over quotakosten, hem niets bekend is over een afspraak dat bepaalde bewijsmiddelen voldoende zouden zijn om quotakosten buiten de douanewaarde te houden. De douaneaangiften zijn globaal gecontroleerd. Bij een aangifte van 9 september 1997 zijn nadere betalingsbescheiden opgevraagd en door belanghebbende overgelegd. Daaruit blijkt nog eens dat belanghebbende wel degelijk op de hoogte was van de eis dat betalingsbewijzen voor de quota beschikbaar moesten zijn. Als er derhalve al van een vergissing sprake zou zijn, is het er een die belanghebbende gemakkelijk had kunnen onderkennen. Er kan in casu dan ook geen sprake zijn van het afzien van navordering op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan nog het volgende toegevoegd. De aangiften zijn gedaan ten behoeve van K. Alle contracten met de douane-expediteurs zijn gesloten door K en ook alle gegevens in verband met het doen van aangiften zijn verstrekt door BTG. BTG is degene die binnen het concern waar belanghebbende ook deel van uitmaakt, als inkooporganisatie optreedt en zij doet dat op eigen naam en voor eigen rekening. Bij het inkopen van textielproducten in het Verre Oosten maakt K gebruik van een inkoopagent die eveneens optreedt op eigen naam en voor eigen rekening. De ingekochte producten worden door K uitsluitend verkocht binnen het concern en daarbij wordt een winstopslag in rekening gebracht. Belanghebbende is houdster van 82,5% van de aandelen in I B.V. De overige 17,5% van de aandelen is in handen van J B.V.. I B.V. houdt de aandelen in, voor zover hier van belang, vier werkmaatschappijen. Eén van die werkmaatschappijen is K; de andere drie werkmaatschappijen zijn verkooporganisaties. De goederen worden in Nederland afgezet. Belanghebbende, als het ware grootmoedermaatschappij van K, is aansprakelijk gesteld omdat op de aangiften de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, waarin belanghebbendes naam is opgenomen, als geadresseerde staat vermeld. Het klopt dat niet deze fiscale eenheid aansprakelijk is gesteld maar belanghebbende. Bij de aangiften voor het vrije verkeer is gebruik gemaakt van de vergunning als bedoeld in artikel 23 van de Wet OB van K op grond waarvan de heffing van omzetbelasting bij invoer wordt verlegd. Het bij deze aangiften gebruikte "codenummer" heeft het subnummer ……, het nummer van K. Belanghebbende zelf is overigens bij het onderzoek en nadien bij het indienen van het bezwaar en de gesprekken die ter zake van het bezwaar hebben plaatsgevonden betrokken geweest. De aangever is niet aansprakelijk gesteld. Waarom dat niet is gebeurd valt op dit moment niet te achterhalen. Het zal met de reorganisatie van de dienst te maken hebben.

Materieel betreft het geschil de vraag of de quotakosten tot de douanewaarde behoren. De douane voert als beleid dat op de belanghebbende de bewijslast rust dat quotakosten geen verband houden met de waarde van de textielproducten als zodanig. Het desbetreffende beleid van de douane is gepubliceerd in het Douane Handboek en is gebaseerd op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG. Het van belanghebbende verlangde bewijs kan bijvoorbeeld worden geleverd door overdrachtsformulieren van de autoriteiten en facturen te overleggen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Wanneer een douaneaangifte is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, kunnen, ingevolge artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het CDW, de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar worden aangemerkt. Ingevolge artikel 54 van het Douanebesluit is, indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek, is opgesteld op basis van gegevens die er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet worden geheven, de persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar voor de verschuldigde rechten bij invoer.

6.2. Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende gegevens als bedoeld in artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het CDW heeft verstrekt. Tegenover de betwisting door belanghebbende is de inspecteur er niet in geslaagd dit aannemelijk te maken. Niet gebleken is dat belanghebbende, een zelfstandig rechtspersoon, op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de opstelling van de litigieuze aangiften en daarvoor gegevens heeft verstrekt. De omstandigheid dat K, een (klein)dochtermaatschappij van belanghebbende, betrokken is geweest bij de litigieuze aangiften is in dit verband, daargelaten of K verkeerde gegevens als hiervoor omschreven heeft verstrekt, volstrekt onvoldoende. Ook uit de door de inspecteur aangevoerde omstandigheid dat als geadresseerde bij de litigieuze aangiften ten invoer vermeld wordt "E B.V., L B.V., C.S" - een fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting waar zowel belanghebbende als K deel van uitmaken - kan die conclusie niet worden getrokken. Uit het gebruik van een codenummer voor de heffing van omzetbelasting bij invoer van K kan evenmin worden afgeleid dat belanghebbende betrokken is geweest bij de opstelling van de aangiften, in die zin dat zij daarvoor de benodigde gegevens heeft verstrekt.

6.3. Indien en voorzover de inspecteur bedoelt te stellen dat handelingen van de dochtermaatschappij dienen te worden toegerekend aan belanghebbende, geldt dat voor een dergelijke stelling geen steun is te vinden in het recht. Belanghebbende is immers een afzonderlijke, van haar dochtermaatschappij te onderscheiden rechtspersoon. Er is, nu het douanerecht niet zoals de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting de figuur van de fiscale eenheid kent op grond waarvan zelfstandige (rechts)personen tezamen als één ondernemer worden aangemerkt, geen enkele grond om belanghebbende en haar dochtermaatschappij met elkaar te vereenzelvigen.

6.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de uitnodiging tot betaling ten onrechte aan belanghebbende is gedaan.

7. Proceskosten

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is vindt het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. Het Hof stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) op 2,5 (punten per proceshandeling) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 1.207,50.

8. De beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, alsmede de uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende belopen proceskosten tot een bedrag van € 1.207,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad € 218 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 8 maart 2004 door mrs. Bijl, voorzitter en Van Hilten en Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Bosch als griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.