Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO6006

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
04/00694
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Inspecteur weigert al meer dan een jaar om EUR 4,4 miljoen BTW op aangifte terug te geven in afwachting van de uitkomsten van een FIOD-onderzoek naar carrousselfraude. Thans nog geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/20.8 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0586
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

UITSPRAAK VAN DE VOORZIENINGENRECHTER ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

inzake: de fiscale eenheid X B.V., belanghebbende,

tegen: de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij schrijven van 23 februari 2004 heeft mr. A namens belanghebbende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, waarbij hij verzoekt om de inspecteur te gelasten om de verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting over de maanden oktober, november en december 2002 ad € 4.422.760 bij beschikking toe te wijzen.

De inspecteur heeft gereageerd bij schrijven van 12 maart 2004.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 maart 2004, alwaar zijn verschenen (..)

2. Karakter voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

3. Feiten en omstandigheden

3.1. Belanghebbende heeft over de maanden oktober, november en december 2002 tijdig aangiften omzetbelasting ingediend. Volgens die aangiften heeft zij recht op teruggaaf van respectievelijk € 2.325.169, € 1.269.278 en € 828.313, in totaal € 4.422.760, aan omzetbelasting.

3.2. Op 7 januari, 22 januari en 21 februari 2003 heeft de inspecteur meegedeeld dat nog geen teruggaafbeschikkingen worden vastgesteld in verband met een lopend FIOD-onderzoek en de daarop volgende fiscaal-technische beoordeling van de Belastingdienst. Het FIOD-onderzoek richt zich op carrousselfraude met mobiele telefoons.

3.3. Op 27 maart 2003 heeft de civiele rechter belanghebbendes vordering tot betaling van voormelde € 4.422.760 afgewezen omdat aan de inspecteur in dit geval een beslistermijn van één jaar moet worden gegund.

3.4. Op 30 december 2003 zijn aan belanghebbende twee processen-verbaal verstrekt. Ook belanghebbende wordt daarin als verdachte aangemerkt. De inspecteur heeft deze stukken op 17 december 2003 ontvangen.

3.5. Na ommekomst van de onder 3.3. genoemde termijn van één jaar heeft belanghebbende bezwaarschriften ingediend tegen het niet tijdig nemen van beschikkingen. Op deze bezwaren is nog geen uitspraak gedaan.

3.6. Op 9 maart 2004 heeft de inspecteur een deelonderzoek aangekondigd naar een gedeelte van de in- en verkopen van belanghebbende in 2002.

4. Standpunten van partijen

Kort en zakelijk samengevat is door partijen het volgende gesteld:

4.1. Namens belanghebbende:

De teruggevraagde omzetbelasting is door belanghebbende daadwerkelijk op factuur betaald aan haar leveranciers. De inspecteur is nog steeds niet verder gekomen dan vermoedens. Als er al sprake is geweest van carrousselfraude, dan heeft belanghebbende daar niet van geprofiteerd.

De gevraagde teruggave heeft per definitie een voorlopig karakter. De inspecteur kan achteraf corrigeren via een naheffingsaanslag. Niet teruggeven leidt tot concurrentievervalsing.

Het verzoek behelst uitdrukkelijk het gelasten van een teruggaaf en niet het doen van een (dan waarschijnlijk afwijzende) uitspraak op de bezwaarschriften.

4.2. Namens de inspecteur:

Het FIOD-onderzoek is nog steeds gaande. De ontvangen processen-verbaal inzake een deel van het onderzoek geven aanleiding voor een fiscaal-technisch onderzoek naar een deel van belanghebbendes in- en verkopen. Met name zal worden onderzocht of alle facturen werkelijke leveringen betreffen.

Er bestaat op dit moment nog onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat recht op teruggaaf bestaat. Ingeval van een voorlopige teruggaaf bestaat vrees voor de verhaalsmogelijkheden achteraf.

Ter zitting is daaraan toegevoegd, kort en zakelijk weergegeven:

4.3. Namens belanghebbende:

Belanghebbende zal volledige medewerking geven aan het aangekondigde boekenonderzoek. Wat werknemer B gedaan heeft, is schandalig. Maar belanghebbende heeft daarvan niet geprofiteerd.

Nu afwijzen van het bezwaarschrift brengt belanghebbende niet verder.

Er zou zeker alvast een deel van de BTW kunnen worden teruggegeven.

Het boekenonderzoek kan zo spoedig mogelijk plaatsvinden, nadat de Officier van Justitie heeft aangegeven in welke fase het zijn onderzoek verkeert.

4.4. Namens de inspecteur:

Er is enkel een deelonderzoek aangekondigd, want er lopen nog meer FIOD-onderzoeken. Dat onderzoek heb ik nodig om de feiten nader te onderzoeken. Ik ga zo spoedig mogelijk aan de slag na de reactie van de gemachtigde van belanghebbende.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat er sprake is van connexiteit nu de inspecteur niet tijdig besluiten heeft genomen op belanghebbendes verzoeken tot teruggaaf van omzetbelasting en belanghebbende daartegen bezwaarschriften heeft ingediend.

5.2. Met de overgelegde stukken heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat er ernstige verdenkingen bestaan dat een toenmalige werknemer van belanghebbende in 2002 nauw betrokken is geweest bij het opzetten van BTW-carrousselfraude met mobiele telefoons. Volgens een overgelegd proces-verbaal is ook belanghebbende als verdachte aangemerkt, omdat aan haar blijkens facturen telefoons zouden zijn geleverd door een of meer vennootschappen die onderdeel uitmaakten van de keten waarbinnen de carrousselfraude zich zou afspelen.

Onder die omstandigheden bestaat er voor de inspecteur voldoende aanleiding om een nader onderzoek in te stellen in belanghebbendes administratie ter beoordeling van het recht op aftrek ter zake van de transacties met de bedoelde vennootschappen.

5.3. Anderzijds mag ook niet uit het oog worden verloren dat de economische neutraliteit van ons BTW-stelsel meebrengt dat een ondernemer die BTW aan zijn leverancier betaalt, er normaliter op moet kunnen rekenen dat zijn aangiften omzetbelasting die in een teruggaaf resulteren, binnen een redelijke termijn worden afgewikkeld. Zulks brengt mede dat een inspecteur, indien hij gronden heeft om een aangifte eerst aan een onderzoek te onderwerpen alvorens tot teruggaaf over te gaan, ook zulk een onderzoek binnen een redelijke termijn moet uitvoeren.

5.4. Ter zitting heeft de inspecteur toegezegd dat hij zo spoedig mogelijk aan de slag zal gaan met het aangekondigde deelonderzoek. Belanghebbende heeft toegezegd daaraan medewerking te verlenen na consultatie van de Officier van Justitie.

5.5. Bij de afweging van het belang dat belanghebbende heeft bij een onverwijlde teruggaaf van omzetbelasting en het belang van de inspecteur bij zijn gerechtvaardigd onderzoek acht de voorzieningenrechter onvoldoende termen aanwezig om de inspecteur thans te gelasten de omzetbelasting over de maanden oktober, november en december 2002 bij beschikking toe te wijzen.

5.6. De slotsom luidt dat voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening thans geen aanleiding bestaat.

6. Proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten.

7. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. Schaap als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2004.

De voorzieningenrechter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.