Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5767

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
98/03867
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende komt in beroep tegen uitspraken die zijn gedaan door onbevoegde ambtenaar. Een maand later doet de bevoegde ambtenaar gelijkluidende uitspraken. Belanghebbende dient ook tegen die uitspraken een beroepschrift in. Het Hof acht belanghebbende ontvankelijk in het eerste door haar ingediende beroep. De eerstgenoemde uitspraken worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Gemeentewet 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z (voorheen N.V. Y te Q), belanghebbende,

tegen

drie uitspraken van de heffingsambtenaar van de gemeente Velsen, verweerder.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 augustus 1998, ingediend door mr. A (B Belastingadviseurs) te R, als gemachtigde van belanghebbende, en aangevuld bij diens schrijven van 4 januari 1999.

1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van het hoofd van de afdeling onroerende zaken en belastingen van de gemeente Velsen, gedagtekend 31 juli 1998, betreffende de op één biljet met dagtekening 31 mei 1996 verenigde aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 1996 met betrekking tot de onroerende zaken a-straat 11 (eigenarenbelasting en gebruikersbelasting), b-straat 12 (gebruikersbelasting) en c-straat 13 (gebruikersbelasting). De aanslagen zijn opgelegd naar de volgende waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1995:

a-straat 11 ƒ q

b-straat 12 ƒ r

c-straat 13 ƒ s.

1.3. Tegen de onder 1.2 vermelde aanslagen heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraken is belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren met betrekking tot de onroerende zaken b-straat 12 en c-straat 13 en zijn haar bezwaren met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 11 ongegrond verklaard.

1.4. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van het hoofd van de afdeling onroerende zaken en belastingen, tot ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar bezwaren met betrekking tot de onroerende zaken b-straat 12 en c-straat 13 en tot vermindering van de voor de onroerende zaak a-straat 11 vastgestelde waarde tot ƒ t.

1.5. Op 31 juli 1998 heeft het hoofd van de afdeling onroerende zaken en belastingen de bestreden uitspraken op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift gedaan. Bij brief van 31 augustus 1998 heeft verweerder de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld dat de uitspraken van 31 juli 1998 nietig zijn, aangezien zij zijn ondertekend door een daartoe niet bevoegde ambtenaar. Bij de brief van 31 augustus 1998 heeft verweerder de bevoegdelijk gedane uitspraken op het onder 1.3 bedoelde bezwaarschrift gevoegd. De uitspraken zijn gelijkluidend aan de uitspraken met dagtekening 31 juli 1998.

1.6. Tegen de uitspraken van 31 augustus 1998 heeft belanghebbende eveneens beroep ingesteld. Het beroepschrift is bij het Hof binnengekomen op 1 september 1998 en is geregistreerd onder nummer 98/03966. Beide beroepen zijn vervolgens bij de hierna te noemen gelegenheden met instemming van partijen steeds gelijktijdig behandeld. De stukken die zijn overgelegd in beide zaken behoren over en weer tot de gedingstukken.

1.7 Verweerder heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.8. Met toestemming van de voorzitter heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.9. De zaken met kenmerk 98/03867 en 98/03966 zijn vervolgens behandeld ter zitting van 13 juli 2001 voor mr. Van Loon als raadsheer-commissaris. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal is aan partijen gezonden bij brieven van de griffier van 22 oktober 2001.

Belanghebbende heeft ter zitting haar beroepen met betrekking tot de voor het object b-straat 12 opgelegde aanslag ingetrokken.

1.10. Voorafgaande aan een voorgenomen doch afgelaste mondelinge behandeling op 19 april 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 8 april 2002 nadere stukken aan het Hof gezonden. Dezelfde stukken heeft de gemachtigde gezonden aan de gemachtigde van verweerder, mr. C van kantoor D te S. De gemachtigde van verweerder heeft bij brief van 14 mei 2002 gereageerd op de door de gemachtigde van belanghebbende ingediende stukken. Kopieën van deze stukken zijn bij brief van de griffier van 21 mei 2002 aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden.

1.11. De onder 1.9 genoemde zaken zijn behandeld ter zitting van 1 november 2002. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 21 oktober 2002 nadere stukken toegezonden en het Hof en aan de gemachtigde van verweerder. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen omtrent het beroep

2.1. Het beroep was aanvankelijk gericht tegen elk van de uitspraken die zijn gedaan in het geschrift van 31 juli 1998 welke uitspraken door belanghebbende zijn opgevat als de uitspraken van verweerder op het door haar ingediende bezwaarschrift. Gelet op vorm en inhoud kon en mocht belanghebbende dit doen.

2.2. Vaststaat dat de ambtenaar die deze uitspraken heeft gedaan, niet de heffingsambtenaar was in de zin van artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Pas op 31 augustus 1998 zijn uitspraken gedaan door de heffingsambtenaar.

2.3. Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat belanghebbende ontvankelijk is in haar beroep. De uitspraken waartegen het beroep thans nog is gericht, zijnde de uitspraken met betrekking tot de onroerende zaken a-straat 11 en c-straat 13, moeten worden vernietigd nu deze zijn gedaan door een daartoe niet bevoegde ambtenaar van de gemeente Velsen.

3. Proceskosten

Nu het beroep leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraken, zijn er in beginsel termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof merkt evenwel de zaak met kenmerk 98/03966 aan als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten fiscale procedures. De zaken zijn ingeleid met pro-forma-beroepschriften die nagenoeg gelijktijdig (het ene op 25 augustus 1998 en het andere op 1 september 1998) zijn ingediend, en kennen voor het overige identieke en gelijktijdig ingebrachte gedingstukken. Ook de verdere proceshandelingen zijn gelijktijdig verricht. De zaken worden derhalve voor de toepassing van artikel 2 van genoemd Besluit beschouwd als één zaak. De proceskostenveroordeling in de zaak met kenmerk 98/03966 betreft mede de onderhavige zaak en een veroordeling in de onderhavige zaak blijft dus achterwege.

4. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken met betrekking tot de onroerende zaken a-straat 11 en c-straat 13, vervat in de brief van 31 juli 1998; en

- gelast verweerder het betaalde griffierecht ad ƒ 80 (€ 36,30) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 3 februari 2004 door mrs. Van Loon, Schaap en Steenbergen, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in

de proceskosten.