Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO5001

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2004
Datum publicatie
04-03-2004
Zaaknummer
23-003259-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is met M. vanuit café "De Bobbel" in Alkmaar, waar beiden stamgast waren, naar haar woning gelopen. Hij is met haar in de woning geweest en heeft na enige tijd de woning weer verlaten, waarna de volgende dag M. dood in de woonkamer van de woning is aangetroffen. De beweegredenen van M. om verdachte in haar woning toe te laten, alsmede de precieze toedracht van de gebeurtenissen die zich vervolgens in de woning hebben afgespeeld en die tot de gewelddadige dood van haar hebben geleid, zijn niet duidelijk geworden. Wat hier ook van zij, M. is, door verdachte op een afschuwelijke wijze, door geweld en verstikking, om het leven gebracht, waarna hij naar huis is gegaan zonder zich ogenschijnlijk te bekommeren over hetgeen hij had gedaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003259-03

datum uitspraak 1 maart 2004

tegenspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 26 augustus 2003 in de strafzaak onder parketnummer 14/010538-02 van het openbaar ministerie tegen [verdachte]

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de akte van hoger beroep en de mededeling van de raadsman en de verdachte op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 augustus 2003 en in hoger beroep van 16 februari 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging - voorzover in hoger beroep nog aan de orde - wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daar-door niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de nacht van 1 december 2002 op 2 december 2002 in de gemeente Alkmaar opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die [slachtoffer] dichtgeknepen of dichtgedrukt en die [slachtoffer] in de bank gesmoord, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzit-ting in hoger beroep van 16 februari 2004. Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zake-lijk weerge-geven:

Op 1 december 2002 was ik in café "De Bobbel" te Alkmaar. [slachtoffer] was daar toen ook. Rond middernacht zijn wij samen naar [slachtoffer]'s huis in Alkmaar gelopen. Bij haar woning aangekomen zei ik dat ik moest plassen. [slachtoffer] zei dat ik haar toilet mocht gebruiken. Ik ben met haar mee naar binnen gegaan en heb van het toilet gebruik gemaakt. Ik heb daarbij de toiletbril omhoog en weer omlaag gedaan. Ik heb doorgespoeld. Vervolgens ben ik naast [slachtoffer] op de bank gaan zitten. Wij hebben wat gepraat en gezoend. Wij hebben allebei onze kleren aangehouden. Ik ben niet met mijn handen onder [slachtoffer]'s kleding geweest, noch bij haar thuis, noch in het café.

Ik had in de nacht van 1 op 2 december 2002 een groene sweater aan. Ik weet niet hoe het bloedvlekje op de mouw van mijn trui is gekomen.

[slachtoffer] is op 24 november 2002 haar tasje kwijtgeraakt. Op 28 november 2002 vond ik de inhoud van het tasje in de bosjes bij winkelcentrum "De Mare". Ik wilde die avond met iemand meerijden en was gehaast. Ik heb de spullen in mijn kast gelegd en ben ze helemaal vergeten.

Ik ben sterker dan de gemiddelde mens. Ik heb een goed geheugen.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 augustus 2003. Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

De sweater die ik in de nacht van 1 december 2002 op 2 december 2002 aanhad had ik die dag voor het eerst aan nadat hij gewassen was.

De diefstal van [slachtoffer]'s tasje met inhoud heeft plaatsgevonden op zondag 24 november 2002 na het bezoek van ons beiden aan cafe "Rustwat" in Sint Pancras. De sleutels en papieren van [slachtoffer] heb ik op donderdag 28 november 2002 rond een uur of zes gevonden bij winkelcentrum "De Mare" in Alkmaar. Op maandag 25 november 2002 is mij van de diefstal van het tasje en de spullen van [slachtoffer] verteld.

Als u mij vraagt waarom ik de spullen in de kast heb gestopt en niet aan [slachtoffer] heb gegeven zeg ik u dat ik niet weet wat me bezielde.

3. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 2 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren W.G.J. Stuijt en M.F. Kikkert, doorgenummerde pagina's 67 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 december 2002 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Ik kom regelmatig in café "De Bobbel" in Alkmaar. Ik ben daar 1 december 2002 voor het laatst geweest. Ik ken [slachtoffer] zolang ik in "De Bobbel" kom. Dat is ruim een jaar, denk ik. Ik ben samen met [slachtoffer] café "De Bobbel" uitgegaan. Ik zei eerder: "Ik ga naar huis" en toen zei ze: "Wacht even, dan loop ik met je mee".

We hebben onze jassen gepakt en zijn samen weggegaan, naar haar huis. Afgelopen nacht ben ik voor het laatst bij [slachtoffer] thuis geweest. Ik ben binnen geweest in de woning van [slachtoffer]. Ik had gisteren die groene trui aan die de recherche heeft meegenomen.

Ik ben we1 eens met [slachtoffer] uitgeweest naar cafe "Rustwat" in Sint Pancras. Ik ging daar met de taxi heen. We zijn toen tegen 24.00 uur terug gegaan naar "De Bobbel". [slachtoffer] is toen ook mee terug gegaan naar "De Bobbel".

4. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 3 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren W.G.J. Stuijt en M.F. Kikkert, doorgenummerde pagina's 73 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 december 2002 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

U heeft mij gisteren gevraagd na te denken over bijzonderheden die zijn voorgevallen de keer dat ik met [slachtoffer] naar cafe "Rustwat" in Sint Pancras ben geweest. Het resultaat hiervan is, dat ik het nu weer weet. Jullie bedoelen haar tassie, dat ze kwijt was. Ik heb spullen van [slachtoffer] gevonden in de bosjes bij "De Bobbel". Dit was een ID-kaart, lipstick en papiertjes waaronder een recept. Deze heb ik nog thuis liggen. [slachtoffer] vroeg me de volgende dag, dus na de zondag dat we weg waren geweest naar "Rustwat", met welke taxi we waren geweest. Dit was ATAX. Woensdag sprak ik [slachtoffer] weer en bleek mij dat ze zelf al contact met ATAX had opgenomen. Ik heb de goederen afgelopen donderdag, 28 november 2002, gevonden. Ik heb [slachtoffer] naderhand niet verteld dat ik haar goederen had.

5. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 4 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren W.G.J. Stuijt en M.F. Kikkert, doorgenummerde pagina's 82 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 4 december 2002 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

De spullen van [slachtoffer] heb ik gevonden bij "De Bobbel". Ze lagen zo vooraan. Ik kon ze zo zien liggen. Dat was vorige week donderdag, 28 november 2002, omstreeks 16.30 uur. De goederen betroffen een lipstick, ID-kaart en recept. Dat lag allemaal vlak bij elkaar in een kluitje. Toen ik de spullen onderweg naar huis bekeek, zag ik dat ze van [slachtoffer] waren. Een ID-kaart, lipstick en wat papieren waren de enige spullen die ik daar aantrof. U vraagt mij hoe het dan kan dat u sleutels van [slachtoffer] in mijn woning aantreft. Oh ja, die lagen er ook bij.

6. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 10 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.F. Kikkert en M.P. Gast, doorgenummerde pagina's 98 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 10 december 2002 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

V =vraag politie

A =antwoord verdachte

V: Hoe kan het dat de spullen uit het tasje van [slachtoffer] helemaal droog en schoon waren, toen wij die spullen in jouw woning aantroffen.

A: Dan moet je niet bij mij wezen. Ik heb dat spul daar gevonden.

7. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 2 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren E.F. van der Wel en R. Smit, doorgenummerde pagina's 125-130. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op maandag 2 december 2002 zagen wij, verbalisanten, in de woning [adres] het lichaam van een vrouw die later vermoedelijk bleek te zijn genaamd [slachtoffer]. Wij zagen dat vanuit de neus van deze vrouw een bloedspoor liep welke inmiddels was opgedroogd. Tevens zagen wij dat dit bloedspoor gedeeltelijk over het gezicht was uitgeveegd.

8. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 19 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren F.H. Timmermans en E.J. van Soest, doorgenummerde pagina's 361 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op maandag 2 december 2002 hebben wij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijke overschot van een vrouw. In de woonkamer van het perceel [adres] trof de politie het levenloze slachtoffer aan.

Bij de voordeur en het kozijn werden geen sporen van braak en/of verbreking aangetroffen.

In de hoek van de zuid- en oostmuur stond een uit twee delen bestaande hoekbank. Op het deel van de bank tegen de oostmuur lag een paarskleurig jasje met daarin een T-shirt. Naast en gedeeltelijk op deze kleding lag een paarskleurige sjaal. Op de zittingstof van dit deel zat een plek met bloed. Na verwijdering van de zittingstof was zichtbaar dat de vulling onder de bloedplek deels doordrenkt was met een rood/bruin-kleurige substantie. Ook op de armlegger zat een veeg bloed.

In het midden van de kamer stond een salontafel. Op de salontafel stond onder andere een verbogen bril met op de glazen bloedvegen. Op de vloer tussen de salontafel en de bank lag het lichaam van een vrouw. Het slachtoffer lag ruggelings. Het bovenlichaam was bloot. Links naast het slachtoffer lag een BH, waarvan het linkerschouderbandje nog om de linkerschouder zat. Het slachtoffer was gekleed in een spijkerbroek met riem. Aan de voorzijde van de broek waren de knoop, de rits en de riem los. De voorzijde van de broek stond open, waardoor de bovenzijde van de slip zichtbaar was. Op het gezicht van het slachtoffer zaten vegen bloed. Ook op beide polsen zaten vegen bloed en op vingertoppen van wijs-, middel- en ringvinger van de rechterhand zat bloed. Op de binnenzijde van de rechterpols zat een ronde plek van bloed.

Het slachtoffer bleek later te zijn:

[slachtoffer],

Op 2 december 2002, omstreeks 16.00 uur, werd het stoffelijk overschot in de woning door dr. B. Schaap van de GGD in ons bijzijn geschouwd. Hij verklaarde dat gezien de mate van lijkstijfheid, de deels nog wegdrukbare lijkvlekken en het ontbreken van oogdruk het slachtoffer circa 6 tot 12 uur voor de schouw zou zijn overleden.

In de woning is het slachtoffer bemonsterd door de door ons ter plaatse gevraagde M. J. van der Scheer en J. van de Meij, medewerkers van de afdeling biologie van het Nederlands Forensisch Instituut in Rijswijk. Het blote bovenlichaam en de schaamstreek van het slachtoffer werden bemonsterd op de aanwezigheid van micro- en vezelsporen en haren.

Op 4 december 2002 is een onderzoek gedaan naar het in de keuken aangetroffen deurslot met sleutel en de in de woning van de verdachte aangetroffen sleutelbos [A206]. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat een sleutel die zich bevond aan de sleutelbos [A206] paste op het slot. Tevens bleek dat er sleutels van de sleutelbos [A206] pasten op de centrale toegangsdeur van de bergingen en de berging behorende bij [adres].

Op 5 december 2002, omstreeks 13.00 uur werd door ons een paars/roze jasje en een roze T-shirt nader onderzocht. De kleding zat deels in elkaar. De beide linkermouwen zaten binnenste buiten, waarbij de linkermouw van het jasje in de linker mouw van het T-shirt zat. Op de binnenzijde van de linkermouw van het T-shirt waren bloedvegen zichtbaar. Op de rechtermouw van het T-shirt, nabij de boord, zat een bloedvlek. Aan de voorzijde van het T-shirt bevond zich bloed ter hoogte midden/borst en midden/navel. Op de linkermouw, nabij de boord, bevond zich bloed. Op het jasje bevond zich bloed op de rechtermouw zowel aan de voor- als achterzijde. Op het middenvoorzijde ter hoogte van de borst bevond zich bloed.

Aan de binnenzijde van het jasje bevond zich ter hoogte van midden/rug een bloedveeg. Tenslotte bevond zich op de linkermouw, halverwege en bij de boord een bloedveeg. Op de sjaal was op 40 centimeter van het uiteinde een bloedvlek zichtbaar met een afmeting van 4 x 1,5 centimeter.

Op 3 december 2002, omstreeks 14.00 uur heb ik, van Soest, de kleding van verdachte [verdachte] nader onderzocht. Dit betrof een sweater, groen van kleur met een meerkleuren opdruk van een snowboarder met daaromheen tekst. Op de onderzijde van de rechtermouw, nabij de boord, was een bloedveeg zichtbaar.

De volgende sporen en/of goederen zijn tijdens de onderzoeken in beslag genomen en veiliggesteld:

Slachtoffer -1000-

1025 micro/vezel borsten/borstzijden

1026 micro/vezel borst tussen navel en borsten

1027 micro/vezel buik navelhoogte

1028 micro/vezel schaamstreek onder navel

verdachte [verdachte] -1200-

1202 sweater, kleur groen met geel/roze opdruk

De volgende sporen zijn voorzien van het erbij vermelde unieke DNA identiteitszegel:

1202 -sweater, kleur groen met gee1 DNA-AEQ734

De navolgende stukken van overtuiging zijn voor vergelijkend onderzoek

verzonden naar het NEDERLANDS FORENSISCH INSTITUUT

in Rijswijk:

1025 -micro/vezel borsten/borstzijden

1026 -micro/vezel borst tussen navel en borsten

1027 -micro/vezel buik navelhoogte

1028 -micro/vezel schaamstreek onder navel

1202 -sweater, kleur groen met gee1 -DNA-AEQ734

9. Een verslag, laboratoriumnummer 02.12.02.049, van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk van 11 december 2002, opgemaakt door N.M. van der Geest op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte. Dit verslag houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Ontvangen van Regiopolitie Noord-Holland-Noord:

TR-nummer Identiteitszegel Omschrijving

1202 AEQ734 een sweater van de verdachte

[verdachte]

Ontvangen van Afdeling Pathologie van het Nederlands Forensisch Instituut:

Van het slachtoffer [slachtoffer]

Sectie-nummer Identiteitszegel Omschriiving

2002-577 ACG772 een referentiemonster bloed

Onderzoek naar biologische sporen

Bloed

De sweater [AEQ734] van de verdachte [verdachte] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op de onderzijde van de rechtermouw is een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor is veiliggesteld ten behoeve van een DNA-onderzoek.

DNA-onderzoek

Het veiliggestelde bloedspoor vanaf de sweater [AEQ734] en het referentiemonster bloed [ACG772] van het slachtoffer [slachtoffer] zijn onderworpen aan een vergelijkend DNA-onderzoek. Van het bloedspoor vanaf de sweater [AEQ734] is een partieel DNA-mengprofiel verkregen dat is vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer].

Conclusie

Uit het vergelijkend DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat de DNA-kenmerken van het slachtoffer [slachtoffer] in het partiële DNA-mengprofiel kunnen worden teruggevonden. Dit betekent, dat celmateriaal afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer] in het onderzochte bloedspoor aanwezig kan zijn. De kans dat de DNA-kenmerken van een willekeurig gekozen individu passen binnen dit partiële DNA-mengprofiel is kleiner dan 1 op honderdduizend.

10. Een verslag, laboratoriumnummer 02.12.02.049, van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk van 6 maart 2003, opgemaakt door P. van den Hoven op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed. Dit verslag houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Onderzoeksmateriaal

Ontvangen van Technische Recherche Noord-Holland-Noord:

TR-nummer Aantal Omschrijving NFI-nummer

1202 1 Groene sweater 2.001 met gele opdruk

TR-nummer Aantal Omschrijving NFI-nummer

1024 1 microsporen/vezels door 3.002

t/m 1028 medewerkers NFI bemonsterd

van slachtoffer

De folies met microsporen [1025 tot en met 1028] bemonsterd vanaf het slachtoffer werden onderzocht op vezelmateriaal zoals verwerkt in sweater [1202] van de verdachte [verdachte]. Er werden geen verschillen aangetroffen.

Conclusie

Uit het vezel(contactsporen)onderzoek volgt dat de sweater [1202] van verdachte J.D.A. [verdachte] zeer we1 mogelijk in contact is geweest met de voorzijde van de romp van slachtoffer [slachtoffer].

11. Een proces-verbaal met nummer PL1010/02-183924 van 27 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.H.M. Pot, doorgenummerde pagina 134. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 3 december 2002 heb ik het transport van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] begeleid naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Op 3 december 2002 werd bij het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, in mijn bijzijn, sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer].

12. Een verslag, laboratoriumnummer 02-577/Tr132, van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk van 9 december 2002, opgemaakt door H.A. Tromp, arts en patholoog-anatoom op de door hem afgelegde eed. Dit geschrift houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Bij sectie op het lijk van [slachtoffer], geboren 06 augustus 1973, is het navolgende gebleken:

A

1. Kleine bloeduitstorting in het botvlies van de top van de linker grote hoorn van het strottenhoofd.

2. Bloeduitstortingen, deels stipvormig, in het oogwit en het bindvlies van de ogen.

3. Enkele stipvormige bloeduitstortingen op de buitenzijde van de longen.

B

1. Zuchtige en gestuwde longen.

2. Gestuwd gelaat en stuwing van hersenvaten en het harde hersenvlies.

3. Maaginhoud in de slokdarm en het begin van de luchtpijp.

C

1. Kleine huidkneuzing rechts hoog in de hals met hierin een kleine boogvormige blauwe huidverkleuring zonder huidafschaving.

D

2. Geen ziekelijke orgaanafwijkingen.

Epicrise

Volgens inlichtingen werd deze vrouw thuis aangetroffen met ontbloot bovenlichaam. Op de bank werd enig rood vocht aangetroffen.

Bij sectie werd rechts in de hals een recente kleine huidkneuzing gezien (Cl) en was er bij de top van de linker grote hoorn van het strottenhoofd een kleine bloeduitstorting (Al).

Deze bevindingen, in combinatie met de verschijnselen onder A2 en 3 en Bl t/m 3 pasten bij verstikking, waarbij er tevens hoogstwaarschijnlijk sprake is geweest van enig uitwendig geweld op de hals, zoals bijvoorbeeld verwurging. De mate waarin dit geweld op de hals heeft plaatsgevonden was niet met zekerheid vast te stellen, maar is waarschijnlijk niet zeer groot geweest gezien de geringheid van de letsels in het halsgebied en het ontbreken van (grotere) bloeduitstortingen in de weke delen van de hals. Mogelijk is er hier sprake geweest van een combinatie van uitwendig geweld op de hals en smoren (waarbij kan worden gedacht aan smoren met gebruik van bijvoorbeeld de bank, gezien de aanwezigheid van rood vocht op de bekleding hiervan).

Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die het overlijden zouden kunnen verklaren dan we1 hieraan een bijdrage zouden kunnen hebben geleverd.

Conclusie

Bij [slachtoffer] is de dood ingetreden door verstikking ten gevolge van smoren en/of uitwendig geweld op de hals.

13. Een proces-verbaal met nummer PLl010/02-183924 van 2 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J. Lauffer, doorgenummerde pagina 422. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 2 december 2002 werd door de rechter-commissaris zoeking verricht in [adres] (het hof begrijpt: de woning van [verdachte]).

Tijdens de zoeking werden de navolgende goederen aangetroffen en in beslag genomen:

A200 slaapkamer

A201 schriftelijke bescheiden van slachtoffer [slachtoffer] (in een kledingkast onder een trui) respectievelijk:

-ponskaart ziekenhuis

-herhalingsrecept voor neusspray d.d. 11-11-2002

-identiteitskaart

-kwitantie Stichting Woonwaard d.d. 29 oktober 2002

A202 bewijs van inschrijving Univé ten name van [slachtoffer] (vloer slaapkamer)

A206 sleutelbos (in een kledingkast onder een trui)

14. Het proces-verbaal van aangifte met nummer PLl010/02-182478 van 26 november 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S. Gestman, doorgenummerde pagina's 53 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 november 2002 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van diefstal. Op 24 november 2002 om 23.00 uur heb ik mijn tas aan de haak gehangen onder de bar van café "De Bobbel" in Alkmaar.

Toen ik mijn tas op 24 november 2002 om 23.58 uur weer wilde pakken, zag ik dat mijn tas weg was. In mijn tas zaten onder andere portemonnee, identiteitskaart en andere pasjes.

15. Een proces-verbaal met nummer PL1010/02-183924 van 2 december 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J. Lauffer, doorgenummerde pagina's 219 e.v. Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 december 2002 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [B.P.]:

Ik ben sinds ongeveer 12 jaar vaste gast in café "De Bobbel" in Alkmaar. Ik ben op 1 december 2002 naar De Bobbel gegaan. Ik weet dat ik omstreeks 22.30 uur binnen kwam. [slachtoffer] (het hof begrijpt telkens: [slachtoffer]) zat aan de bar. Ik zag dat [K] naast [slachtoffer] zat en direct daarnaast zat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]). Ik ken [verdachte] ongeveer een half jaar. Hij was het laatste half jaar een regelmatige bezoeker van "De Bobbel". [verdachte] pakte [slachtoffer] vaak vast. Hij was ook handtastelijk naar haar toe. Ik bedoel dat dan op seksueel gebied. Het viel mij op, dat [verdachte] gisteren met zijn hand in de kleding van [slachtoffer] probeerde te komen. [slachtoffer] hield haar handen voor haar borsten en vond dat, gezien haar reactie, kennelijk niet leuk. [slachtoffer] en [verdachte] zijn samen vertrokken. Het was rond middernacht. Ik ving nog iets op de trant van "ik breng je wel naar huis". Ik zag, dat [verdachte] zijn arm om [slachtoffer] heen sloeg. Dit was nog in het café, vlak voordat [slachtoffer] en [verdachte] gezamenlijk vertrokken.

Nadere bewijsoverweging

Uit de ter zake relevante inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof met betrekking tot het onder 1 bewezengeachte het volgende af.

De verdachte is in de nacht van 1 op 2 december 2002, omstreeks middernacht, met het slachtoffer, [slachtoffer], naar haar woning gelopen vanuit café "De Bobbel" in Alkmaar. Hij is samen met haar de woning binnengegaan en heeft de woning enige tijd later weer verlaten. De daaropvolgende middag is het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen, gelegen op de vloer van de woonkamer.

Sectie op het lijk heeft blijkens het daarvan opgemaakte rapport van 9 december 2002 uitgewezen dat [slachtoffer] is overleden door verstikking, waarbij hoogstwaarschijnlijk sprake is geweest van enige mate van uitwendig geweld op de hals, zoals bijvoorbeeld verwurging. Het lichaam van [slachtoffer] vertoonde een kleine huidkneuzing rechts hoog in de hals, een oppervlakkige huidbeschadiging op het voorhoofd, bloeduitstortingen achter in de schedelhuid en op de rechtertepel een kleine huidverkleuring. Het strottehoofd, de ogen en de longen vertoonden bloeduitstortingen. Voorts is vastgesteld dat uit de neus van [slachtoffer] een bloedspoor liep en dat zich bloedvegen bevonden op het gezicht en op de kleding, die op de bank is aangetroffen (jasje, T-shirt en shawl), terwijl een relatief omvangrijke bloedvlek op het zitgedeelte van de bank naast het lijk is aangetroffen. Zij is gevonden met een ontbloot bovenlijf; alleen één van de BH-bandjes bevond zich nog om haar schouder. Van de broek die zij aan had, waren de knoop en de gulp geopend.

Op grond van het voorgaande staat vast dat [slachtoffer] om het leven is gekomen doordat door een ander op haar geweld is uitgeoefend. Haar keel is dichtgedrukt of -geknepen en zij heeft als gevolg van het geweld onder andere een bloedneus gekregen. Hierna is zij met haar gezicht op het zitgedeelte van de bank terechtgekomen of geduwd en heeft de dader haar vervolgens laten stikken. Het ontbreken van relevante bloedvlekken op de vloer van de woonkamer duidt erop dat de dood is ingetreden toen het slachtoffer zich nog met haar gezicht op het zitgedeelte van de bank bevond.

De aard van voornoemde handelingen is naar het oordeel van het hof van zodanige aard, dat zij niet anders dan met opzet hadden kunnen worden verricht. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de dader zich uit de woning heeft verwijderd voordat [slachtoffer] het leven liet, welke hypothese door het hof niet wordt gevolgd, dan nog brengen diens daaraan voorafgaande handelingen - het veroorzaken van een bloedneus bij [slachtoffer] en het doen terechtkomen of het duwen van [slachtoffer] met haar gezicht op de bank, waardoor haar het ademen sterk werd bemoeilijkt - mee dat de dader minst genomen de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] welbewust heeft aanvaard. Het hof acht dan ook uitgesloten dat de gedragingen van de dader als culpose of zelfs schuldeloze handelingen kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van de vraag of het verdachte is geweest die bovengenoemde handelingen heeft verricht, overweegt het hof het volgende.

Op één van de mouwen van de sweater van verdachte, die hij droeg in de nacht van 1 op 2 december 2002, is een bloedspoor aangetroffen dat door het NFI aan een nader onderzoek is onderworpen. Het rapport van ing. N.M. van der Geest van het NFI van 11 december 2002 houdt omtrent dit onderzoek en de resultaten daarvan in, dat van het bloedspoor een partieel mengprofiel is verkregen, waarin de DNA-kenmerken van het slachtoffer konden worden teruggevonden. De kans dat de DNA-kenmerken van een willekeurig gekozen individu binnen dit partiële mengprofiel zouden passen, werd op kleiner dan 1 op 100.000 ingeschat. Vervolgens is van het bloedspoor een tweede bemonstering veiliggesteld. Onderzoek van dat monster heeft blijkens het daarvan opgemaakte rapport van ing. N.M. van der Geest van 13 juni 2003 wederom een DNA-mengprofiel opgeleverd. Ten aanzien van dit mengprofiel konden geen verdergaande conclusies worden getrokken dan dat het daarin aangetroffen celmateriaal (het hof begrijpt: grotendeels) van [slachtoffer] (het hof begrijpt: en deels van de verdachte) zou kunnen zijn. Een statistische berekening met betrekking tot de bewijskracht ten aanzien van dit tweede mengprofiel is volgens Van der Geest onverantwoord geoordeeld. Dit laat evenwel, naar het oordeel van het hof, de conclusies van het eerder genoemde NFI-rapport van 11 december 2002 onverlet.

De verdediging heeft de mogelijkheid geopperd dat celmateriaal van het slachtoffer op enig ander tijdstip dan ten tijde van het delict op de mouw van verdachtes sweater terecht is gekomen. Noch uit de verklaring van de verdachte, noch uit enig ander zich in het dossier bevindend stuk blijkt een begin van aannemelijkheid van deze door de verdediging opgeworpen mogelijkheid.

Het NFI heeft tevens de op de romp van [slachtoffer] aangetroffen vezels onderzocht op vezelmateriaal zoals verwerkt in voornoemde sweater van verdachte. Dat onderzoek heeft blijkens het rapport van ing. P. van den Hoven van 6 maart 2003 geresulteerd in de constatering dat de vezels die op de hals, op de bovenzijde van de borst, tussen navel en borsten, op de buik ter hoogte van de navel en in de schaamstreek zijn gevonden, geen verschillen vertoonden met de vezels uit de sweater van verdachte. Het is derhalve zeer we1 mogelijk dat verdachtes sweater in contact is geweest met de voorzijde van de romp van [slachtoffer], aldus het NFI-rapport.

Verdachte heeft ten aanzien van hetgeen zich in de bewuste nacht heeft afgespeeld verklaard dat [slachtoffer] en hijzelf geheel gekleed waren en zijn gebleven. Deze verklaring laat zich niet rijmen met de op verschillende delen van de romp en in de schaamstreek van het slachtoffer aangetroffen vezels, afkomstig van de sweater van verdachte. Door de verdediging is te dien aanzien het volgende betoogd. Verdachtes sweater stak onder zijn jas uit. Toen verdachte op de bank zat is zijn sweater dus in aanraking gekomen met de bank waarop [slachtoffer] later het leven heeft gelaten. De vezels zouden via de bank, waarop verdachte heeft gezeten, het lichaam van [slachtoffer] hebben bereikt. Het hof verwerpt dit betoog als onaannemelijk, gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen vezels en de uit elkaar liggende plaatsen op het lichaam van [slachtoffer], immers op verschillende delen van de romp en in de schaamstreek, waarop die vezels zijn aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat hij de woning heeft betreden omdat hij gebruik wilde maken van het toilet en dat hij vervolgens na een kwartier, waarin hij met [slachtoffer] wat heeft gepraat en gezoend, de woning weer heeft verlaten. Deze verklaring wordt door het hof als niet geloofwaardig aangemerkt en wel op grond van het volgende. Verdachte heeft bij de politie een beschrijving gegeven van de door hem in het huis van [slachtoffer] bezochte toiletruimte. Deze beschrijving strookt in het geheel niet met hetgeen daaromtrent op de ter zake gemaakte foto's is waar te nemen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de toiletbril omhoog en weer omlaag heeft gedaan en dat hij na het toiletgebruik heeft doorgespoeld. Bij onderzoek van de toiletruimte in de woning van [slachtoffer] zijn geen vingerafdrukken van verdachte aangetroffen.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 2 december 2002 zijn, verstopt onder in een kledingkast, goederen aangetroffen die aan [slachtoffer] toebehoorden. Het betrof een sleutelbos en een aantal documenten ten name van [slachtoffer] (een identiteitspas, een inschrijvingsbewijs van Univé, een MCA-ponsplaatje, een herhalingsrecept en een kwitantie). [slachtoffer] heeft op 26 november 2002 aangifte gedaan van diefstal op zondag 24 november 2002 van haar tasje, waarin zich onder andere deze goederen hadden bevonden, uit café "De Bobbel", alwaar zij en verdachte die avond waren geweest. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde goederen op donderdag 28 november 2002 op de openbare weg, aan de rand van enige struiken in de omgeving van "De Bobbel" in het zand had gevonden. Volgens zijn verklaring bij de rechtbank en het hof heeft verdachte deze goederen bij winkelcentrum "De Mare" gevonden. De verdachte heeft op geen enkel moment een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij de voorwerpen, waaronder de sleutelbos met haar huissleutel, niet zo spoedig mogelijk aan [slachtoffer] heeft doen toekomen, terwijl hij al enkele dagen in de wetenschap verkeerde dat zij die voorwerpen miste.

Gelet op het vorenoverwogene oordeelt het hof dat de verklaring die de verdachte geeft voor zijn gedrag ten aanzien van de goederen van [slachtoffer] zoals deze bij hem aangetroffen zijn, eveneens als een niet geloofwaardige verklaring moet worden aangemerkt.

Het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien en vooral gelet op de omstandigheid dat uit het dossier geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen dat een ander dan verdachte [slachtoffer] als laatste in leven heeft gezien, terwijl verdachte zelf heeft erkend dat hij in de bewuste nacht in haar woning is geweest, brengt het hof tot het oordeel dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het onder 1 bewezengeachte levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden, met aftrek van de tijd die in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van de verdachte wordt bevolen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is met [slachtoffer] vanuit café "De Bobbel" in Alkmaar, waar beiden stamgast waren, naar haar woning gelopen. Hij is met haar in de woning geweest en heeft na enige tijd de woning weer verlaten, waarna de volgende dag [slachtoffer] dood in de woonkamer van de woning is aangetroffen.

De beweegredenen van [slachtoffer] om verdachte in haar woning toe te laten, alsmede de precieze toedracht van de gebeurtenissen die zich vervolgens in de woning hebben afgespeeld en die tot de gewelddadige dood van haar hebben geleid, zijn niet duidelijk geworden. Wat hier ook van zij, [slachtoffer] is, zoals hierboven is vastgesteld, door verdachte op een afschuwelijke wijze, door geweld en verstikking, om het leven gebracht, waarna hij naar huis is gegaan zonder zich ogenschijnlijk te bekommeren over hetgeen hij had gedaan.

Dit is een buitengewoon ernstig feit. Aan de nabestaanden van [slachtoffer] is een onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel leed toegebracht. Tevens is door dit delict, waarbij een jonge vrouw in haar eigen huis op brute wijze om het leven is gebracht, de rechtsorde ernstig geschokt. Een gebeurtenis als de onderhavige wekt gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving.

Omtrent de verdachte is op 7 augustus 2003 door de psychiater J.M.J. Offermans en de psycholoog P.E. Geurkink, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, een deskundigenverslag uitgebracht, dat -zakelijk weergegeven- onder meer als conclusie inhoudt:

Uit onze onderzoekingen komt naar voren dat er bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van episodisch alcoholmisbruik, en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische kenmerken.

Deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren van invloed op het tenlastegelegde sub 1, dat betrokkene in verminderde mate kan worden toegerekend. Indien de ten laste gelegde moord althans doodslag bewezen wordt geacht, is het, gelet op hetgeen uit het politieonderzoek ter plaatse bekend is geworden, aannemelijk dat, ten gevolge van de afwijzing door het slachtoffer van betrokkenes toenaderingspoging, bij hem gevoelens van krenking en verlating zijn opgeroepen, welke gevoelens -die hem gezien zijn narcistische respectievelijk borderline persoonlijkheidskenmerken diep raken -woede bij betrokkene hebben opgeroepen die hij, gegeven zijn matige agressieregulatie, moeilijk kon controleren.

Ten aanzien van de kans op herhaling van een agressief feit als het tenlastegelegde sub 1 komt het onderzoekend team tot de volgende overwegingen. Betrokkene komt

uit het onderhavige onderzoek naar voren als een man die zeker veel meer dan gemiddeld gevoelig is voor afwijzing, krenking en verlating, hetgeen te herleiden

valt tot narcistische en borderline kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis. Dit gevoegd bij de neergang in betrokkenes levensloop, waar het de stabiliteit in werk

en relaties betreft en mogelijk ook de toename van het alcoholgebruik c.q. -misbruik maakt dat er een aanzienlijk gevaar voor herhaling aanwezig moet worden geacht, temeer daar de verwachting is dat de geschetste neergaande lijn zich zonder adequate interventie de komende jaren zal voortzetten. Betrokkene, die moeilijk of niet alleen kan zijn, zal steeds meer behoefte ervaren aan een ander (een vrouw) en zal het risico blijven lopen daarbij afgewezen en gekrenkt te worden.

Het rapport houdt voorts als advies in -zakelijk weergegeven-:

Vermindering van het recidivegevaar is naar de mening van het onderzoekend team slechts te realiseren in een intramurale setting, waarbij alleen een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voldoende garanties biedt, zowel ten aanzien van de veiligheid van anderen als met betrekking tot een adequate behandeling van betrokkenes persoonlijkheidsstoornis. Voor deze, noodzakelijk geachte, behandeling biedt een minder strikt en gesloten kader dan dat van een tbs-kliniek, gezien het bij betrokkene ontbreken van inzicht in zijn persoonlijkheidsproblematiek en zijn krenkbaarheid, ten enenmale onvoldoende waarborgen.

Het hof neemt de conclusies over en maakt die tot de zijne en volgt het advies.

Het hof heeft de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf in aanmerking genomen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het Algemeen Docu-mentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 31 oktober 2003, is verdachte eerder ter zake van gewelds- en zedendelicten veroordeeld.

Al het voorgaande in aanmerking nemende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden en is voorts van oordeel dat de verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen mogelijk is nu het door hem begane feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen het opleggen van die maatregel met dat bevel eist.

Gelet op de bewezenverklaring wordt de maatregel opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De bepaling van de straf voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof voor de onder 2 en 3 door de rechtbank bewezenverklaarde - en bij het hof niet aan de orde zijnde - feiten een gevangenisstraf bepaalt voor de duur van 4 maanden.

Het hof zal voor de onder 2 en 3 door de rechtbank bewezenverklaarde feiten geen straf bepalen. Gelet op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit, de straf die ten aanzien van een dergelijk feit in het algemeen passend en geboden is en de door de rechtbank voor alle drie de feiten opgelegde straf, heeft de rechtbank de onder 2 en 3 door haar bewezenverklaarde feiten kennelijk niet als strafverhogend aangemerkt.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pen, kleur zilver - Pen & Lighter

- 1 lederen jas, kleur bruin

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 paspoort ten name van [Y.Z.]

- 1 rijbewijs ten name van [Y.Z.]

Gelast de teruggave aan [L.K.] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 ponsplaatje, kleur geel, ten name van [L.K.]

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Kortenhorst, Kleene-Eijk en Schalken, in tegenwoordigheid van mr. Bons, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 maart 2004.

Mr. Schalken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.