Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3814

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
03/02262 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Start onderneming oktober 1999. Insp heeft ten onrechte voor 2000 geen positieve of negatieve verklaring ziekenfondsverzekering zelfstandigen aan bh afgegeven. Gewekt vertrouwen. Bh had kunnen kiezen voor lang (eerste) boekjaar als insp wel verklaring had afgegeven. Bh mag nu alsnog uitgaan van lang boekjaar. Daardoor in 2001 niet verplicht ziekenfondsverzekerd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 4
Ziekenfondswet 3d
Ziekenfondswet 3d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 433
FutD 2004-0348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES -VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 4 april 2003 en 2 mei 2003, betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2001 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) respectievelijk de aan haar opgelegde voorlopige aanslag premie Zfw 2001.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 januari 2004.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- vernietigt de bestreden voorlopige aanslag;

- gelast verweerder het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Ter zitting van 16 januari 2004 zijn gelijktijdig behandeld belanghebbendes beroep betreffende de ten aanzien van haar voor het jaar 2001 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Zfw alsmede de aan haar opgelegde voorlopige aanslag premie Zfw 2001 (hofkenmerk 03/02262) en belanghebbendes beroep betreffende de ten aanzien van haar voor het jaar 2002 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3d, lid 2, van de Zfw (hofkenmerk 02/00178). De in elk van de twee zaken overgelegde stukken zijn tevens gedingstuk in de andere zaak.

2. Belanghebbende, geboren in 1961, drijft sinds 18 oktober 1999 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De bedrijfsomschrijving luidt: "juridische adviesverlening". De datum 18 oktober 1999 heeft belanghebbende ingevuld op een formulier voor startende ondernemers dat zij aan de belastingdienst heeft toegestuurd.

3. De inspecteur heeft bij beschikking, gedagtekend 10 november 2000, verklaard dat uit gegevens van de Belastingdienst per 1 oktober 2000 is gebleken dat belanghebbende als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering in 2001. Uit de beschikking blijkt dat het inkomen van belanghebbende over 1999 bepalend is voor haar verzekeringsplicht en dat dit inkomen ƒ 12.584 bedroeg. In verband met deze verplichte ziekenfondsverzekering heeft de inspecteur aan belanghebbende een voorlopige aanslag premie Zfw 2001 opgelegd, gedagtekend 29 augustus 2002.

4. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat voor het jaar 2000 aan belanghebbende geen positieve of negatieve verklaring verplichte ziekenfonds-verzekering zelfstandigen is afgegeven, en dat over dat jaar aan belanghebbende geen aanslag premie Zfw is opgelegd.

5. In geschil is of de inspecteur terecht de onder 1 vermelde verklaring heeft afgegeven en de daaruit voortvloeiende voorlopige aanslag premie Zfw 2001 heeft opgelegd, alsmede of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar tegen die aanslag.

6. Belanghebbende bestrijdt de verklaring van de inspecteur. Zij voert daartoe aan dat zij weliswaar formeel als zelfstandige met haar eigen bureau is begonnen in 1999 en dat zij in dat jaar een aanvang heeft gemaakt met haar advieswerkzaamheden, maar dat zij daarvoor in 1999 nog geen inkomsten heeft ontvangen. In 1999 zijn wel aanloopkosten gemaakt ad ƒ 3.328, die in de - op 31 juli 2000 gedane - belastingaangifte 1999 zijn verwerkt. Belanghebbende bestrijdt dat ze in 1999 zelfstandige is in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: Waz). Volgens haar moet het jaar 2000 als refertejaar worden genomen, in plaats van het jaar 1999. Zij heeft verklaard dat zij in het jaar 2000 een persoonlijk inkomen heeft gegenereerd van ƒ 84.500 en dat haar belastbare inkomen in dat jaar ƒ 57.475 bedroeg. Voorts stelt belanghebbende dat het jaar 1999 volstrekt niet representatief is voor haar bestaan als zelfstandig ondernemer. Zij meent dat de overheid haar onvoldoende geïnformeerd heeft: indien zij vooraf had geweten wat de consequentie zou zijn van het opvoeren van de aanloopkosten in de aangifte 1999, had ze kunnen wachten met het verwerken van deze kosten tot de aangifte 2000. Ten slotte doet belanghebbende een beroep op het betoog van de Advocaat-Generaal P.J. Wattel in zijn conclusies van 28 december 2001.

7. In zijn verweerschrift stelt de inspecteur dat belanghebbende ten onrechte ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen de voorlopige aanslag Zfw 2001, omdat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ontvangen. Ter zitting heeft het Hof vastgesteld dat op het bezwaarschrift een stempel "10 10 02" staat. Hieruit leidt het Hof af dat het bezwaarschrift op 10 oktober 2002 bij de Belastingdienst in binnengekomen, dus tijdig. Belanghebbende is ontvankelijk in haar bezwaar tegen de voorlopige aanslag Zfw 2001.

8. Artikel 3d, eerste lid, Zfw (tekst jaar 2001) luidt:

"Verzekerd gedurende een kalenderjaar is de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan ƒ 42.000."

Artikel 4, aanhef en onder a, Waz luidt:

"Zelfstandige is de persoon, jonger dan 65 jaar:

a. die in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;"

Artikel 3, eerste lid, van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (ministeriële regeling van 13 december 1999, Stcrt. 1999, nr. 248; hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, luidt:

"Voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid van de Ziekenfondswet, wordt ten aanzien van degene die in het voorafgaande jaar nog geen zelfstandige was, voor het eerste en voor de drie daarop volgende jaren in aanmerking genomen het inkomen over het jaar waarin hij zelfstandige is geworden."

9. Belanghebbende genoot in 2001 winst uit onderneming. Zij is dus voor dat jaar verzekerd op grond van artikel 3d, eerste lid, Zfw, mits haar inkomen niet meer dan ƒ 42.000 bedroeg. Voor het vaststellen van de hoogte van dit inkomen moet, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Regeling, als uitgangspunt worden genomen het inkomen over het jaar waarin belanghebbende zelfstandige is geworden. De inspecteur meent dat dit het geval was in het jaar 1999, belanghebbende verdedigt dat moet worden uitgegaan van het jaar 2000.

10. Het Hof stelt vast dat voor het jaar 2000 ten onrechte aan belanghebbende geen positieve of negatieve verklaring verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen is afgegeven, hoewel de inspecteur door het onder 1 genoemde formulier voor startende ondernemers op de hoogte kon zijn van (de start van) belanghebbendes onderneming. Eerst na ontvangst van de bestreden beschikking omstreeks 10 november 2000 was belanghebbende ervan op de hoogte dat zij door de inspecteur als verplicht ziekenfondsverzekerd was aangemerkt en dat het in 1999 genoten inkomen daaraan ten grondslag lag. Op dat moment was de aangifte inkomstenbelasting 1999, waarin opgenomen de (aanloop)kosten van de onderneming, reeds gedaan.

11. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur, door aan belanghebbende voor het jaar 2000 geen verklaring toe te zenden, bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat zij voor dat jaar niet als zelfstandige in de zin van de Regeling zou worden beschouwd. Zij behoefde dan ook bij het doen van de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1999 op 31 juli 2000 met die mogelijkheid geen rekening te houden. Aannemelijk is dat, indien de inspecteur de zojuist bedoelde verklaring wel aan belanghebbende had toegestuurd, zij reeds voor het doen van de aangifte inkomstenbelasting 1999 op de hoogte was geweest van de gevolgen voor haar van artikel 3d van de Zfw. Zij had dan - naar de inspecteur ter zitting heeft erkend - kunnen kiezen voor een lang boekjaar: van 18 oktober 1999 tot en met 31 december 2000. Op grond van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt de winst van een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar beschouwd als winst van het kalenderjaar waarin het boekjaar is geëindigd, in casu het jaar 2000. In dat geval had belanghebbende dus over 1999 geen winst uit onderneming genoten.

12. Het door de inspecteur bij belanghebbende gewekte vertrouwen, als bedoeld onder 11, brengt mee dat belanghebbende voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Regeling mag uitgaan van een lang eerste boekjaar voor haar onderneming. Het gevolg is dat de (negatieve) winst 1999 wordt beschouwd als winst van het jaar 2000. Daaruit volgt dat belanghebbende, gelet op artikel 4, aanhef en onder a, Waz, in 1999 geen zelfstandige was in de zin van de Waz en eerst in 2000 zelfstandige in de zin van deze wet is geworden. Toepassing van artikel 3, eerste lid van de Regeling leidt ertoe dat voor het jaar waarop dit geding betrekking heeft (2001) in aanmerking moet worden genomen het inkomen over het jaar waarin belanghebbende zelfstandige is geworden, in casu het jaar 2000.

13. Gelet op belanghebbendes, niet door de inspecteur weersproken, verklaring over haar inkomen in 2000, is aannemelijk dat dit inkomen hoger was dan ƒ 42.000. De conclusie is dat belanghebbende voor het jaar 2001 niet voldoet aan beide in artikel 3d, eerste lid, Zfw genoemde voorwaarden, zodat ze in dat jaar niet verplicht ziekenfondsverzekerd is.

14. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het beroep van belanghebbende gegrond is en dat de onder 3 genoemde beschikking en de daarmee samenhangende voorlopige aanslag premie Zfw 2001 moeten worden vernietigd.

15. Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 30 januari 2004 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondeling uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.