Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3440

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
01/02548
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AX2303
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ook na verwijzing door de Hoge Raad heeft belanghebbende niet doen blijken dat de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 29, geldigheid: 2004-01-29
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2004-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/17.2
V-N 2004/30.1.4

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen Rotterdam 2, de inspecteur.

1. Loop van het geding na verwijzing

De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 juli 2001, nummer 36.099, de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage inzake de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1987 vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam. Het Hof heeft deze zaak gelijktijdig behandeld met het eveneens verwezen geding inzake de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989, kenmerk 01/02561.

Op 23 augustus 2001 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld uiterlijk 23 september 2001 een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil. Belanghebbende heeft als vervolg op deze brief op 24 september 2001 ter griffie een dossier afgegeven. De griffier heeft een afschrift van de stukken aan de inspecteur verzonden.

Belanghebbende heeft dit dossier nadien aangevuld bij brief van 24 december 2001. Belanghebbende heeft op 16 januari 2002 geschreven dat hij de boekhoudgegevens over 1987 had verzonden aan de heer A (A Accountancy en Fiscale Zaken te Y). Van de beide laatstgenoemde brieven heeft de inspecteur ter zitting van 21 maart 2002 kennis kunnen nemen en hij heeft zich daarover kunnen uitlaten.

Op 11 maart 2002 is een envelop aan de receptie van het Hof afgegeven met stukken betreffende de aangifte inkomstenbelasting over 2002 (Hof: lees 2001) en twee brieven aan het Hof gedateerd op 4 maart 2002, respectievelijk "circa 20 maart 2002". In de brief van 4 maart 2002 meldde belanghebbende dat de boekhouddossiers over 1988 en 1989 aan de heer A worden overgedragen en dat hij na de zitting van 25 maart 2002 zou gaan werken aan de inhoudsopgave voor het jaar 1989.

De griffier heeft een afschrift van deze stukken aan de inspecteur verzonden.

Ter zitting van 21 maart 2002 zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van eerdergenoemde A, alsmede mr. B namens de inspecteur. De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Aan het slot van deze zitting is als beslissing van het Hof aan partijen meegedeeld:

- dat de behandeling wordt aangehouden teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen de benodigde stukken, waaronder in elk geval de jaarstukken en een berekening van het belastbare inkomen, over te leggen;

- dat het Hof er van uitgaat dat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan;

- dat belanghebbende vorenbedoelde stukken uiterlijk op 1 juni 2002 aan de inspecteur moet hebben overgelegd;

- dat aan belanghebbende van de gestelde termijn geen uitstel wordt verleend;

- dat de inspecteur het Hof zo spoedig mogelijk zal informeren indien hij van belanghebbende op 1 juni 2002 vorenbedoelde stukken niet heeft ontvangen;

- dat - na bevestiging door belanghebbende van laatstbedoelde mededeling - door het Hof schriftelijk utspraak zal worden gedaan;

- dat aan de inspecteur, indien hij binnen de gestelde termijn de stukken heeft ontvangen, tot 1 juli 2002 de gelegenheid wordt geboden zich uit te laten over die stukken.

De griffier heeft deze beslissing per brief van 21 maart 2002 aan partijen bevestigd.

De inspecteur heeft op 1 juli 2002 gemeld dat hij voor het jaar 1987 stukken had ontvangen doch niet voor het jaar 1989. De aan hem overgelegde stukken bevatten ook jaarstukken van Bureau voor Jacht- en Scheepsbouw X B.V. De griffier heeft een afschrift van de brief aan belanghebbende gezonden.

Belanghebbende heeft op 2 september 2002 een "Inleiding voor het lezen van een notitie" toegezonden en een aanvullend stuk van 42 bladzijden. De griffier heeft een afschrift van dit stuk aan de inspecteur verzonden.

A heeft per faxbericht van 3 september (gedateerd 28 augustus) 2002 gemeld dat de cijfers 1987 tot en met 1989 waren ingediend bij de inspecteur. Partijen hebben van dit faxbericht een afschrift ontvangen.

Op 4 april 2003 heeft belanghebbende een circa 60 bladzijden tellend stuk toegezonden. Daarin maakt hij melding van het feit dat hij meent getuige-deskundigen op te moeten roepen voor de zitting van 15 mei 2003.

De griffier heeft een afschrift van dit stuk aan de inspecteur gezonden.

Ter zitting van 15 mei 2003 zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van A, alsmede mr. B namens de inspecteur. Er zijn geen getuigen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan de griffier een afschrift aan partijen heeft gezonden.

Het Hof heeft de behandeling van de zaken aangehouden tot 4 september 2003, 14.00 uur, om belanghebbende alsnog tot 1 juli 2003 in de gelegenheid te stellen om aangifte te doen betreffende het jaar 1989, met dien verstande dat hij de stukken voor die datum rechtstreeks aan de inspecteur zendt. Voorts heeft het Hof meegedeeld dat de inspecteur de gelegenheid heeft daarop te reageren en voor 1 augustus 2003 zowel de stukken van belanghebbende als zijn reactie daarop aan de griffier te zenden en dat vervolgens - zonder nadere uitwisseling van stukken - de behandeling van de zaak wordt voortgezet. De griffier heeft deze beslissing per brief aan partijen bevestigd.

Op 23 juli 2003 heeft belanghebbende uitstel verzocht van de zitting van 4 september 2003 om, onder meer, de gelegenheid te hebben het dossier te completeren en de aangifte over 1989 op te laten stellen. Het Hof heeft het gevraagde uitstel bij brief van 12 augustus 2003 geweigerd. De griffier heeft de inspecteur afschriften gestuurd van de correspondentie.

Op 26 augustus 2003 heeft belanghebbende een "Dossier Lasten Ziekengeld + Arbeidsongeschiktheid" afgegeven aan de receptie van het Gerechtshof met 58 bijlagen. Dit dossier bevat als bijlage 1e een op 25 augustus 2003 gedateerde opstelling van het belastbaar inkomen over 1989, opgesteld door A. De inspecteur heeft van dit dossier ter zitting van 4 september 2003 kennis kunnen nemen en hij heeft zich er over kunnen uitlaten.

Ter zitting van 4 september 2003 zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van A, alsmede C namens de inspecteur. Belanghebbende heeft na de sluiting van de behandeling meegedeeld dat hij nog een pleitnota had opgemaakt. Het Hof heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In februari 1987 heeft belanghebbende, geboren in 1933, een ernstig auto-ongeluk gehad met hersenletsel. Belanghebbende was in 1987 directeur van en mede-aandeelhouder in Jacht- en Scheepsbouw X B.V. (hierna: de BV).

Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan van het belastbare inkomen over 1987. De inspecteur heeft hem aanslagen opgelegd naar geschatte bedragen.

2.2. In zijn in juni 1996 ingezonden aanvulling op het beroepschrift heeft belanghebbende een 20-tal staten en overzichten overgelegd. Daaruit valt op te maken dat belanghebbende van de BV een motorvrachtschip had gekocht, een schip ter beschikking had gesteld aan een zetschipper, zich heeft laten uitkopen uit een maatschap in P, in 1987 een pand in Q exploiteerde, een rekening-courantverhouding had met de BV, een lening had bij de Postbank, een rekening bij de RABO beheerde op naam van Jachtbouw X en een rekening had bij de NMB-bank. In andere stukken maakt belanghebbende melding van het feit dat hij recht zou hebben op WIR-premie en teruggaven omzetbelasting.

In een andere notitie maakt belanghebbende melding van het feit dat hij in 1987 loon had genoten van de BV. Voorts maakt hij melding van een vordering van ruim f 200.000 op de BV. Een vordering van deze orde van grootte stond ook vermeld in de jaarstukken van de BV.

2.3. Belanghebbende heeft in een stuk van maart 2001 verklaard dat hij rond 1987/1988 materieel en economisch eigenaar was geworden van het vrachtschip MS I. In deze notitie heeft hij ook verklaard eigenaar te zijn geworden van de schepen MS II en MS III (nadien MS IV geheten). Ook maakte hij melding van de exploitatie van het schip MS V in vennootschappelijk verband met de BV en het recht op WIR-premie en teruggaaf van omzetbelasting ter zake van de verwerving van dat schip in 1985.

In de toelichting op zijn aangifte over 2001 heeft belanghebbende gesteld dat hij als ondernemer nog actief was ter afwikkeling van administratieve controles, brandschade, de sloop van twee schepen en verkoop van een derde schip.

2.4. De toenmalige inspecteur der directe belastingen te 's-Gravenhage heeft belanghebbende met dagtekening 30 november 1990 (ambtshalve) een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 75.000 met een verhoging van f 1.000. Na de reorganisatie van de Belastingdienst heeft de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen Rotterdam 2 op 28 juli 1994 uitspraak op het bezwaar gedaan.

2.5. Op 31 mei 2002 heeft A een opstelling van het belastbaar inkomen over 1987 gemaakt uitkomende op een bedrag van f 13.725. In deze opstelling maakte A gewag van salaris, huuropbrengst Q en aftrek premie volksverzekeringen. De opstelling vermeldde geen winst uit onderneming, geen rentebetalingen (afgezien van rente ten laste van de exploitatie van het pand in Q) en evenmin enige verwijzing naar exploitatie van een schip.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de inspecteur de aanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Belanghebbende heeft ter zitting van 21 maart 2002 - onder meer - nog verklaard dat A bereid is de boekhouding te verzorgen over 1986 tot en met 1989.

A heeft nog verklaard dat hij belanghebbende wil helpen met het opmaken van jaarstukken en het berekenen van het belastbare inkomen, mits hij daarvoor de gelegenheid zou hebben tot 1 juni 2002.

De inspecteur heeft nog verklaard dat het inkomen over 1985 uiteindelijk is vastgesteld op f 129.061; dat hij het inkomen over 1987 en 1989 door gebrek aan gegevens slechts globaal kon benaderen; dat hij zich kan vinden in aanhouding van de zaak.

Belanghebbende heeft ter zitting van 15 mei 2003 - onder meer - nog verklaard dat de getuigen die hij had willen laten oproepen niet veel weten van het inkomen 1987 of 1989; dat hij na 1986 geen geld meer had om de boekhouding te laten verzorgen; dat hij na 1986 geen aangifte meer had gedaan maar wel cijfermatige opstellingen had gemaakt; dat hij zich nog niet kan vinden in het compromisvoorstel van de inspecteur.

A heeft nog verklaard dat hij zich kon vinden in het compromisvoorstel van de inspecteur.

De inspecteur heeft nog verklaard dat hij een compromisvoorstel heeft gedaan om een streep te zetten onder alle procedures.

Belanghebbende heeft ter zitting van 4 september 2003 - onder meer - nog verklaard dat hij in 1992 zijn laatste vrachtreis heeft gevaren; dat het moeizaam is alsnog alle gegevens op een rijtje te zetten en dat het moeilijk is om zonder betaling diensten van A te vragen; dat het Hof hem onder tijdsdruk zet en dat hij ook nog niet klaar is met de dossiers voor het Hof te Straatsburg en de Commissie voor de verzoekschriften. A heeft nog verklaard dat de inspecteur beschikt over de stukken over 1987 en 1989; dat alles met betrekking tot de exploitatie van de schepen naar de BV is geboekt.

De inspecteur heeft nog verklaard dat het op 26 augustus 2003 afgegeven dossier geen inkomensopstelling bevat; dat hij nu de opstelling van A van 25 augustus 2003 ziet maar dat hij niet veel meer duidelijkheid heeft gekregen over de hele financiƫle situatie; dat hij geen vergoeding ziet voor de aan de BV ter beschikking gestelde schepen; dat hij in het uiterste geval alsnog het eerder aangeboden compromis gestand wil doen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur heeft belanghebbende een aangiftebiljet uitgereikt en hem na enige tijd aangemaand tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft dit aangiftebiljet niet geretourneerd zodat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (in de destijds geldende tekst) dient het Hof het beroep af te wijzen, tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag onjuist is geweest. Het ligt op de weg van belanghebbende dit bewijs te leveren. Voor zover belanghebbende mocht stellen dat er sprake is geweest van omstandigheden op grond waarvan het niet doen van aangifte niet aan hem kan worden toegerekend, acht het Hof hem in het bewijs van deze stelling niet geslaagd.

5.2. Uiteindelijk heeft belanghebbende, met steun van de heer A, een inkomensberekening overgelegd. Uit deze berekening blijkt niet of en in hoeverre belanghebbende betrokken was bij de exploitatie van schepen terwijl evenmin duidelijk is geworden hoe het verloop is geweest van de rekening-courant van belanghebbende met de BV.

In zijn brief van 1 juli 2002 heeft de inspecteur opgemerkt dat hij geen aansluitingen kan vinden met eerdere jaren en met name niet rond het verloop van bedrijfsmiddelen waarvoor in eerdere jaren WIR-premie is gevraagd. In zijn pleitnota ter zitting van 15 mei 2003 heeft de inspecteur opgemerkt dat in eerdere jaren sprake is geweest van winst uit onderneming (hetgeen strookt met de eerdere stellingen van belanghebbende dat hij recht zou hebben op WIR-premie en een teruggaaf van omzetbelasting) maar dat de thans aangeleverde gegevens (waaruit niet meer blijkt van enige winst uit onderneming) geen inzicht bieden in de afwikkeling van deze onderneming en zulks ook niet in eerdere jaren naar voren is gekomen. Belanghebbende heeft hieromtrent geen duidelijkheid verschaft. Het Hof acht dan ook niet aangetoond dat de inspecteur de aanslag op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

5.3. Ter zitting van 15 mei 2003 heeft belanghebbende verklaard dat hij niets had vernomen van de negen getuigen die hij had willen laten oproepen en dat die niet zoveel weten van zijn inkomen over 1987. Het Hof ziet dan ook geen reden deze getuigen alsnog te horen.

Op 26 augustus 2003 heeft belanghebbende aanvullend getuigenbewijs aangeboden inzake uitlatingen van een met name genoemde belastingambtenaar. Het Hof wijst dit aanbod af omdat, ook indien die ambtenaar de door belanghebbende gestelde uitlatingen onder ede zou bevestigen, zulks niet zou meebrengen dat daarmee zou zijn voldaan aan de op belanghebbende rustende bewijslast.

6. Proceskosten en schadevergoeding

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof is op grond van de bij het instellen van beroep geldende wetgeving niet bevoegd enige schadevergoeding toe te kennen, nog daargelaten de vraag of hiertoe aanleiding zou bestaan.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 29 januari 2004 door mrs. Boersma, voorzitter, Onnes en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.