Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO3391

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
23-000364-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter terechtzitting in hoger beroep is herhaaldelijk gebleken dat verdachte, macrobiotisch adviseur/deskundige, zich op geen enkele wijze verantwoordelijk acht voor de wijze waarop K., die aan baarmoederhals-kanker leed, met zijn macrobiotische adviezen is omgegaan, ook niet toen hij een verslechtering van haar gezondheidstoestand constateerde.

In de onderhavige zaak had verdachte er vanuit zijn bijzondere zorgplicht bij voortduring voor dienen te waken dat hij een bij K. levende angst voor regulier medisch ingrijpen niet zou aanwakkeren en had hij tegenover haar heel duidelijk moeten zijn over de beperkingen van de macrobiotiek en de noodzaak om ook de mogelijkheden die de reguliere geneeskunde biedt, te benutten. Dat de verdachte dit heeft nagelaten, rekent het hof hem zwaar aan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer ...

rolnummer 23-000364-02

datum uitspraak 10 februari 2004

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 20 december 2001 in de strafzaak onder parketnummer 13-010450-00 van het openbaar ministerie tegen

A. N.,

geboren te … op …,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoons-ge-gevens op het adres

…, en aldaar feitelijk verblijvende.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie betreft niet, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting en gelet op het bepaalde in de artikelen 70 tot en met 72 van het Wetboek van Strafrecht, het tenlastegelegde onder 1 en 2 subsidiair, de tenlastegelegde opzettelijke benadeling van de gezondheid, strafbaar gesteld in artikel 300 lid 4 jo lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, meer subsidiair en meest subsidiair, voor wat betreft de tenlastegelegde dood door schuld, respectievelijk zwaar lichamelijk letsel door schuld gepleegd in de uitoefening van enig beroep, strafbaar gesteld in artikel 307, respectievelijk 308 jo 309 van het Wetboek van Strafrecht, voor wat betreft de tenlastegelegde periode vóór 3 april 1994.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 en 11 december 2001 en in hoger beroep van 11 februari 2003, 6 maart 2003, 13 maart 2003, 20 mei 2003, 28 oktober 2003, 4 november 2003, 26 november 2003 en 27 januari 2004.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie en in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van die dagvaarding en van de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen, met inachtneming van het hiervoor onder "omvang van het hoger beroep" overwogene.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daar-door niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigd.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard omdat deze niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Daartoe heeft zij aangevoerd dat de tenlastelegging zoveel mogelijkheden biedt dat de verdediging te veel moet inlezen en interpreteren om ondubbelzinnig verweer te kunnen voeren, zodat dit een schending van het verdedigingsbelang oplevert.

Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat daarin telkens het verwijt tot uitdrukking wordt gebracht dat door het optreden van verdachte aan zowel J. K. als T. vd L. de benodigde reguliere medische zorg is onthouden die het proces van "een (verdere) doorgroei en/of (verdere) uitzaai van een of meerdere kanker gezwel(len) en/of een verergering van haar ziektebeeld" tot staan had kunnen brengen, althans vertragen.

Dit verwijt heeft de steller van de tenlastelegging feitelijk uitgewerkt en overeenkomstig het in het Nederlandse strafprocesrecht gebruikelijke systeem gevat in de kaders van de wettelijke bepalingen waaronder het mogelijk zou kunnen vallen. Nu hiermede is voldaan aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en de verdediging ervan blijk heeft gegeven de tenlastelegging ook te hebben begrepen en daartegen gedetailleerd verweer heeft gevoerd, kan het beroep op nietigheid van de dagvaarding niet slagen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Vervolgens is door de verdediging gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard

a. omdat de vervolging getuigt van willekeur

b. omdat het openbaar ministerie opzettelijk handelt in strijd met het legaliteitsbeginsel.

Ad a.

De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat uit de verklaringen van R.v.D., E.S. en vele anderen en kenbronnen kan worden afgeleid dat J. K. vanaf 1987 tot aan haar dood vele mensen heeft geconsulteerd, onder wie met name de macrobiotisch consulent R. V.. Het is aldus de verdediging dermate onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie naar deze persoon geen ambtshalve onderzoek heeft gedaan dat dit moet resulteren in niet-ontvankelijkheid.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Noch uit de verklaringen van R. v. D., noch uit die van E. S., noch uit enige andere omstandigheid valt een vermoeden te ontlenen dat anderen dan verdachte soortgelijke handelingen zouden hebben verricht die een nader onderzoek rechtvaardigen.

Van willekeur van het openbaar ministerie bij de vervolging is dan ook geen sprake, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid faalt.

Ad b.

De verdediging heeft hiertoe - zo begrijpt het hof - aangevoerd dat het openbaar ministerie, zich realiserend dat de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna te noemen de Wet BIG) en met name artikel 96 van deze wet - bij gebreke van inwerkingtreding van die wet - niet kon worden toegepast, is overgegaan tot vervolging voor commune delicten, terwijl het hier bij uitstek gedragingen betreft die pas strafbaar zijn gesteld bij de Wet BIG en derhalve - mede gelet op de wetsgeschiedenis van die wet - vóór de inwerkingtreding van de Wet BIG niet strafbaar waren.

De ten laste gelegde gedragingen kunnen naar het oordeel van de verdediging niet aangemerkt worden als gedragingen waarop de delictsomschrijvingen van de ten laste gelegde commune delicten het oog hebben. Door deze extensieve uitleg van de betreffende commune delicten is verdachte compleet verrast. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze extensieve interpretatie ongeoorloofd is en dat het openbaar ministerie door aldus te handelen onzorgvuldig en disproportioneel te werk is gegaan en doelbewust en met veronachtzaming van de belangen van N. en diens recht op een zorgvuldige vervolging van zijn zaak, de beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate heeft geschonden, zodat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ook dit beroep op niet ontvankelijkheid faalt.

Het hof vermag niet in te zien waarom het openbaar ministerie met de wijze waarop het zijn verwijt aan de verdachte in deze tenlastelegging heeft verwoord beginselen van een behoorlijke procesorde zou hebben geschonden. Geen rechtsregel verbiedt in casu vervolging voor commune delicten. Dit standpunt wordt - in tegenstelling tot wat hieromtrent is aangevoerd - ondersteund door de wetsgeschiedenis (bij artikel 96) van de Wet BIG. De Wet BIG is ook niet ingevoerd met de bedoeling vervolging op grond van commune delicten onmogelijk te maken. De wetsgeschiedenis waarnaar de verdediging verwijst heeft betrekking op de invoering van artikel 96a van de Wet BIG (een maatregel) en niet op artikel 96 (een strafbepaling) van die wet.

Voorts is het aan de rechter om te beoordelen of het in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte verwijt, indien dit in enige vorm bewezen wordt geacht, een strafbaar feit oplevert waarvoor de verdachte strafbaar is.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 tweede subsidiair, 2 meer subsidiair en 2 meest subsidiair is ten laste gelegd, zodat de ver-dachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van september 1991 tot en met het jaar 1994 te Amsterdam, althans in Nederland, als macrobiotisch voedingsadviseur, (beroepshalve of bedrijfsmatig handelend) opzettelijk de gezondheid van J.L. K. heeft benadeeld door deze K., die lijdende was aan baarmoederhalskanker,

niet of niet tijdig (actief) te verwijzen naar de reguliere gezondheidszorg en/of

niet aan te raden zich te laten behandelen door "allopatische" artsen en

aan de hand van haar ziektebeeld en/of klachten een macrobiotische oplossing aan te bieden

waardoor J.L. K. de benodigde (reguliere) medische zorg is onthouden,

mede tengevolge waarvan die J.L. K. zwaar lichamelijk letsel te weten een (verdere) doorgroei en/of (verdere) uitzaai van een of meerdere kankergezwel(len) heeft bekomen.

Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

1. Hoewel zich in het dossier van deze zaak verschillende verklaringen bevinden waaruit valt af te leiden dat verdachte mensen, die bij hem op consult komen, aanraadt om onder regulier medische behandeling te blijven, stelt het hof vast dat verdachte vóór en in de periode waarover de tenlastelegging spreekt sommigen van de personen die hem raadpleegden wel degelijk op soms indringende wijze heeft afgeraden zich allopatisch te laten behandelen. Meermalen heeft hij daarbij de indruk gewekt dat hij niet slechts als voedingsadviseur maar ook als behandelaar optrad. Het hof verwijst hierbij naar de verklaringen zoals onder de bewijsmiddelen opgenomen van S., V. C., S., S., V. V. en O.. Deze verklaringen, hoewel niet in alle opzichten rechtstreeks betrekking hebbend op de bewezenverklaring, worden indirect niettemin tot het bewijs gebezigd omdat onder andere hieruit blijkt van verdachte's algemene weerstand tegen medicijnen en de reguliere geneeskunde, maar ook van een steeds terugkerend patroon in de wijze van optreden tegenover mensen die hem consulteerden. Daarbij verklaart V. V. bovendien dat zij in het verhaal dat J. K. haar deed over de adviezen van verdachte herkende hetgeen haar zelf was overkomen. Op grond van bedoelde verklaringen acht het hof de verklaringen van V. D. en J. over de houding van verdachte tegenover J. K. geloofwaardig zodat wordt voorbijgegaan aan de stellingen van verdachte dat J. K. zelf bewust of onbewust iets anders verteld zou hebben aan V. D. dan zij in werkelijkheid van verdachte gehoord had en dat verdachte J. K. herhaaldelijk heeft gezegd dat zij het medisch advies niet in de wind moest slaan. Indien verdachte werkelijk een dergelijk advies gegeven zou hebben, dan valt bovendien niet in te zien waarom er tussen verdachte en V. D., de ex-echtgenoot van J. K., zo'n hooglopend verschil van mening is ontstaan.

2. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat toen J. K. zich in september 1991 voor een eerste officieel consult naar verdachte begaf, haar medische toestand weliswaar zorgelijk was, maar dat zij naar de heersende medische maatstaven een aanzienlijke genezingskans had, mits zij zich terstond onder allopatische behandeling zou stellen en een conisatie zou ondergaan. Die conisatie zou behalve diagnostisch, mogelijk zelfs afdoende therapeutisch gewerkt kunnen hebben.

3. Verdachte is oprichter en mededirecteur van het Kushi-Instituut. Dit instituut organiseert onder verantwoordelijkheid van verdachte educatieve programma's, cursussen en opleidingen in de macrobiotische leef- en eetwijze. Het Kushi-Instituut geeft onder verantwoordelijkheid van verdachte folders uit waarin onder meer wordt aangegeven dat het workshops en macrobiotische studieweken organiseert, waarbij o.a. onderwerpen als "het voorkomen en genezen van borst-, eierstok-, baarmoeder(hals)kanker en cysten" worden behandeld.

Verdachte is leraar in de macrobiotiek en geeft lezingen en cursussen, onder andere in het Kushi-Instituut. Als voedingsdeskundige geeft hij beroepsmatig voedingsadviezen en consulten aan mensen die zich tot hem wenden met gezondheidsklachten. Het gaat daarbij ook om mensen met zeer ernstige klachten, die in twijfel verkeren of zij zich (verder) onder allopatische behandeling zullen stellen. Verdachte stelt diagnoses en zegt zich te realiseren dat mensen hem soms als dokter zien en verwachten dat hij hen kan redden.

Verdachte en J. K. kenden elkaar al vanaf het begin van de jaren tachtig. J. K., die zich al jaren met de macrobiotiek bezig hield en die sinds de oprichting in 1987 in het Kushi-Instituut kwam, daar heeft gewerkt en af en toe lessen, dan wel cursussen in de macrobiotiek heeft gevolgd, heeft verdachte in september 1991 en juni 1992 geconsulteerd en hem in het voorjaar van 1994 gevraagd naar een oplossing voor haar ernstige vaginale bloedingen. Tussentijds zijn er meermalen informele contacten geweest tussen verdachte en J. K..

Tenslotte is zij in juli 1994, terwijl zij ernstig verzwakt was en hevige bloedingen had, in Drakenburgh te Baarn, tijdens een aldaar gehouden studieweek van het Kushi-Instituut onder supervisie van verdachte, 24 uur per dag verzorgd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat J. K., toen zij zich in 1991 tot verdachte wendde in twijfel verkeerde of zij het advies van haar arts en gynaecoloog wel of niet zou opvolgen.

Verdachte had al voor het consult van september 1991 het vermoeden dat J. K. gezondheidsproblemen had, maar vanaf dat consult wist verdachte dat er bij haar sprake was van waarschijnlijk baarmoeder(hals)kanker. Hij was ook op de hoogte van haar grote angst voor medische ingrepen alsmede dat zij een groot vertrouwen in hem stelde en verwachtte dat hij haar zou redden.

Verdachte zegt dat hem in de periode 1991-1994 geen gevallen bekend waren van baarmoederhalskanker die alléén via de macrobiotiek waren genezen of waarin het kankergezwel was ingekapseld als gevolg van het eten van macrobiotische voeding.

4. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte van meet af aan jegens J. K. een bijzondere zorgplicht had, die ten minste met zich had meegebracht dat hij minder zijn weerstand tegen de reguliere geneeskunst had geëtaleerd en haar beter had geïnformeerd over de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de macrobiotiek en het feit dat geen enkel wetenschappelijk onderzoek had bevestigd dat macrobiotiek kanker kon genezen of inkapselen. Zou verdachte zodanig gehandeld hebben, dan zou J. K. op grond van reeele informatie een afgewogen beslissing hebben kunnen nemen.

Verdachte heeft daarentegen J. K. met voorbijgaan aan deze zorgplicht gesterkt in haar opvatting dat een operatie een gevaar voor haar was en in 1991 gezegd dat er nog (voldoende) tijd was (alvorens het advies van de gynaecoloog te volgen). Daarbij heeft hij haar een macrobiotisch dieet geadviseerd en haar verteld dat dit zou helpen, mits zij zich daar strikt aan zou houden.

5. Hierdoor heeft verdachte een proces in gang gezet van beïnvloeding en beperking van de keuzevrijheid van J. K., welk proces ertoe geleid heeft dat zij de beslissing om zich eventueel wel onder (reguliere) doktersbehandeling te stellen steeds uitstelde. In het volgende officiële consult in juni 1992 gaf J. K. aan dat ze een kankerconditie van Pap IV of V had. Verdachte wist dat dit alarmerend was. Hij constateerde bovendien dat zij er slecht aan toe was, wanhopig was en dat de artsen haar wilden opereren, dat zij dat niet wilde en dat zij zich bovendien niet aan het door hem gegeven advies/dieet kon houden. Niettemin is verdachte doorgegaan met het geven van heel strikte voedingsadviezen, heeft hij haar, toen zij zich in het voorjaar van 1994 met hevige bloedingen (die redelijkerwijs in verband gebracht moesten worden met haar baarmoederhalskanker) tot hem wendde, een macrobiotisch condiment laten toedienen en is hij, terwijl hij haar angst voor medisch ingrijpen kende, haar blijven steunen in haar afwijzing van een regulier medische behandeling en heeft hij haar in de waan gelaten dat een operatie niet nodig zou zijn als zij zich maar goed aan zijn voorschriften zou houden.

6. Door niet direct na de vaststelling van de kankerconditie Pap IV of V een conisatie te laten verrichten en een behandeling gedurende twee jaren uit te stellen zijn de genezingskansen van J. K. zeer ernstig nadelig beïnvloed. Het hof beschouwt het hierboven beschreven gedrag van verdachte als een belangrijke oorzaak van deze nadelige beïnvloeding en deze nadelige beïnvloeding als een voorzienbaar gevolg van dat gedrag van verdachte.

7. Zoals hierboven vermeld, blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte wetenschap had dat:

- de aandoening van J. K. potentieel levensbedreigend was en conisatie volgens de reguliere geneeskunde tenminste noodzakelijk was om herstel te bewerkstelligen,

- de ziekte van J. K. op een gegeven moment een ernstig stadium had bereikt,

- zij een grote angst had voor doktoren, ziekenhuizen en operaties,

- J. K. een groot vertrouwen in hem stelde en verwachtte dat hij haar zou kunnen redden,

- het J. K. (door haar thuissituatie) vermoedelijk niet zou lukken strikt macrobiotisch te leven,

en dat verdachte uit wetenschappelijk onderzoek geen gevallen bekend waren van baarmoederhalskanker die uitsluitend door de macrobiotiek waren genezen of waarin het kankergezwel was ingekapseld.

Door onder deze omstandigheden haar niettemin te blijven adviseren en stimuleren met slechts een macrobiotisch dieet door te gaan en haar niet uitdrukkelijk op de onmogelijkheden cq beperkte mogelijkheden van de macrobiotiek te wijzen en haar niet naar haar arts dan wel het ziekenhuis te verwijzen en haar angst voor een reguliere medische behandeling te blijven voeden door te wijzen op het gevaar van een operatie, een bloedtransfusie en een bestraling, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat J. K. zich niet of niet tijdig ter behandeling zou wenden tot haar arts of het ziekenhuis, hetgeen zij inderdaad niet heeft gedaan, met als voorzienbaar gevolg een verergering van haar ziektebeeld, dan wel vermindering van haar kansen op herstel. Dit wordt beschouwd als het opzettelijk benadelen van de gezondheid met zwaar lichamelijk letsel als voorzienbaar gevolg.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het door het hof als zodanig verstane verweer van de raadsvrouwe, ertoe strekkende dat hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd geen strafbaar feit oplevert, wordt - onder verwijzing naar hetgeen is overwogen ten aanzien van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijke benadeling van de gezondheid terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde (opzettelijke benadeling van de gezondheid) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van ƒ 5.000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en de draagkracht van de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep is herhaaldelijk gebleken dat verdachte zich op geen enkele wijze verantwoordelijk acht voor de wijze waarop J. K., die aan baarmoederhals-kanker leed, met zijn macrobiotische adviezen is omgegaan, ook niet toen hij een verslechtering van haar gezondheidstoestand constateerde.

Het respecteren van de keuze van J. K. zich niet (tevens) medisch te laten behandelen, lijkt voor verdachte een vrijbrief te zijn geweest om zijn eigen verantwoordelijkheid als adviseur uit de weg te gaan.

Verdachte is terecht van mening dat zijn verantwoordelijkheid als voedingsadviseur/deskundige zijn beperking vindt in het zelfbeschikkingsrecht van de hulpvrager. Dit neemt niet weg, dat de bijzondere zorgplicht van verdachte als macrobiotisch adviseur/deskundige ten minste met zich brengt dat hij de hulpvrager inlicht omtrent de voor- en nadelen van een bepaalde leef- of eetwijze en de consequenties die een bepaalde keuze voor de hulpvrager kunnen hebben.

Door alle verantwoordelijkheid voor een bepaalde keuze bij de hulpvrager neer te leggen, gaat verdachte voorbij aan het feit dat hij door zijn deskundigheid op het gebied van de macrobiotiek veel invloed op bepaalde mensen kan hebben en daardoor een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de keuzes die advieszoekenden aan de hand van zijn advies maken.

In de onderhavige zaak had verdachte er vanuit zijn bijzondere zorgplicht bij voortduring voor dienen te waken dat hij een bij J. K. levende angst voor regulier medisch ingrijpen niet zou aanwakkeren en had hij tegenover haar heel duidelijk moeten zijn over de beperkingen van de macrobiotiek en de noodzaak om ook de mogelijkheden die de reguliere geneeskunde biedt, te benutten. Dat de verdachte dit heeft nagelaten, rekent het hof hem zwaar aan.

De bewezenverklaarde opzettelijke benadeling van de gezondheid, met zwaar lichamelijk letsel, van J. K. is naar haar aard zo ernstig dat een gevangenisstraf aangewezen is.

Ter terechtzitting in hoger beroep is voorts gebleken dat de lange duur van de procedure en de buitenproportionele aandacht die de media aan deze zaak heeft besteed, zeer nadelige gevolgen voor de verdachte, zijn gezin en zijn beroepsmatige activiteiten heeft gehad. Het hof vindt hierin aanleiding de op te leggen straffen enigszins te matigen.

Hoewel het hof een ernstiger feit bewezen acht dan de rechtbank, vindt het hof - op grond van het bovenstaande - geen aanleiding in belangrijke mate af te wijken van de straffen, zoals door de rechtbank zijn opgelegd. Derhalve acht het hof oplegging van een geldboete en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen -en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 tweede subsidiair, 2 meer subsidiair en 2 meest subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaring omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES (6) MAANDEN.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op TWEE JAREN.

- en voorts -

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,- (tweeduizend euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 35 (vijfendertig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Houben, Schreuder en Van Breukelen-Van Aarnhem, in tegenwoordigheid van mr. Berk als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2004.

Mr. Schreuder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.