Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO2798

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
549/2003 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 34, eerste lid juncto artikel 49 van de Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: GDW, kunnen slechts gerechtsdeurwaarders (waaronder in de GDW en in deze beslissing mede worden begrepen waarnemend gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.

Hierom kan de maatschap [M] niet worden aangemerkt als degene over wie geklaagd wordt. Bij klachten tegen een samenwerkingsverband dient de tuchtrechter te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarders de klachten zich richten. Het hof merkt daarbij op dat de tuchtrechter het er voor mag houden dat tegen een samenwerkingsverband gerichte klachten, die niet betrekking hebben op gedragingen van een specifieke gerechtsdeurwaarder, zijn gericht tegen de van het samenwerkingsverband deel uitmakende gerechtsdeurwaarder die zich namens het samenwerkingsverband tegen de klacht verweert, zoals in deze zaak door de gerechtsdeurwaarder [GD] op onderdelen van de klacht is geschied.

Het hof vernietigt de beslissing van de kamer en acht de klacht ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 29 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 549/2003 GDW van:

[K],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

t e g e n

[GD],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

[tGD],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

gemachtigde: [GD],

GEïNTIMEERDEN.

1. De procespartijen

Het hof overweegt dat ingevolge artikel 34, eerste lid juncto artikel 49 van de Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: GDW, slechts gerechtsdeurwaarders (waaronder in de GDW en in deze beslissing mede worden begrepen waarnemend gerechtsdeurwaarders en toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen.

Hierom kan de maatschap [M] niet worden aangemerkt als degene over wie geklaagd wordt. Bij klachten tegen een samenwerkingsverband dient de tuchtrechter te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarders de klachten zich richten. Het hof merkt daarbij op dat de tuchtrechter het er voor mag houden dat tegen een samenwerkingsverband gerichte klachten, die niet betrekking hebben op gedragingen van een specifieke gerechtsdeurwaarder, zijn gericht tegen de van het samenwerkingsverband deel uitmakende gerechtsdeurwaarder die zich namens het samenwerkingsverband tegen de klacht verweert, zoals in deze zaak door de gerechtsdeurwaarder [GD] op onderdelen van de klacht is geschied. Wat betreft één onderdeel van de klacht, zoals hierna zal worden vermeld, is de klacht echter gericht tegen de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder[tGD]. Voorwat deze klacht betreft wordt gerechtsdeurwaarder [GD] aangemerkt als de gemachtigde van [tGD].

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Ter griffie van het hof alhier is op 4 juni 2003 ingekomen een geschrift van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 6 mei 2003.

2.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 8 oktober 2002, waarin de voorzitter van de kamer de klacht van klaagster deels niet ontvankelijk en deels ongegrond heeft verklaard, gegrond verklaard, de bedoelde beslissing van de voorzitter van de kamer vernietigd en de klacht ongegrond verklaard.

2.3. Op 4 juli 2003 is van de zijde van geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders, een verweerschrift ter griffie ingekomen.

2.4. Bij brief van 4 november 2003 heeft klaagster het hof om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht. Bij brief van 11 november 2003 heeft klaagster inhoudelijk gereageerd op de afwijzende reactie op het aanhoudingsverzoek van klaagster.

2.5. Het hof is klaagster echter in zoverre tegemoet gekomen in haar verzoek, dat klaagster bij faxberichten van 18 en 19 november 2003 is meegedeeld dat het tijdstip van aanvang van de behandeling van de zaak, in verband met een de klaagster persoonlijk betreffende omstandigheid, verschoven is naar 12.00 uur, in plaats van het oorspronkelijke tijdstip van 13.45 uur. Hiervan heeft klaagster geen gebruik gemaakt.

2.6. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2003, alwaar de gerechtsdeurwaarder mede namens de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder is verschenen. Klaagster is - hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen - niet verschenen.

3. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de hiervoor vermelde stukken.

4. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze derhalve vernietigen. Het hof is van oordeel dat de kamer niet gelijktijdig tot een behandeling van het verzet en een inhoudelijke behandeling van de klacht kon overgaan zonder behoorlijke oproeping voor het tijdstip van de behandeling van de klacht. Gelet hierop kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

5. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing daaromtrent heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

6. Het standpunt van de klaagster

6.1. Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarders kort samengevat dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door op 12 juli 2001 een door de rechtbank te Zwolle op 27 juni 2001 tegen klaagster gewezen vonnis aan klaagster te betekenen en daarbij gelijktijdig bevel te doen om aan de inhoud van dat vonnis te voldoen. De betekening is geschied door de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder.

6.2. Voorts hebben de gerechtsdeurwaarders klaagster bij exploot van 17 augustus 2001 verzocht opgave te doen van haar bronnen van inkomsten. De betekening van dit exploot is geschied door de gerechtsdeurwaarder. Klaagster stelt dat het tegen haar gewezen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was en dat zij hiertegen nog een rechtsmiddel kon aanwenden waardoor de ten uitvoerlegging van dat vonnis zou worden geschorst.

7. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders betwisten dat het op 27 juni 2001 gewezen vonnis niet in executoriale vorm zou zijn uitgevaardigd. Voorts is het correct dat het vonnis niet uitvoerbaar is verklaard bij voorraad, doch het is de gerechtsdeurwaarders niet gebleken dat klaagster beroep in cassatie heeft ingesteld. Klaagster was dan ook gehouden tot betaling aan de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarders vermogen niet in te zien wat zij verkeerd hebben gedaan.

8. De beoordeling

8.1. Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder tegen de wijze van de behandeling ter terechtzitting van 11 maart 2003, waarbij de klacht gelijktijdig is behandeld met het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer.

Het hof begrijpt uit de stukken van de eerste aanleg dat klaagster is opgeroepen bij brief van 6 februari 2003 om (uitsluitend) te worden gehoord door de kamer naar aanleiding van het door haar ingestelde verzet. Naar thans is gebleken is de zaak ter zitting in volle omvang behandeld, onder gelijktijdige behandeling van het verzet.

Het bezwaar van klaagster, behoeft echter, nu deze door haar gestelde tekortkoming ten gevolge van de behandeling in hoger beroep is hersteld, geen nadere bespreking.

8.2. Met de kamer is het hof van oordeel dat bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt geldt dat de kamer tegen gerechtsdeurwaarders ingediende klachten toetst aan de tuchtrechtelijke norm als vermeldt in artikel 34 lid 1 GDW. Aan een beoordeling van de klacht voor zover deze is gericht tegen de inhoud van de tegen klaagster gewezen vonnissen komt het hof - evenals de kamer - dan ook niet toe.

Het is ook niet aan de gerechtsdeurwaarders - die een ministerieplicht hebben ten opzichte van hun opdrachtgevers - om de inhoud van de tegen klaagster gewezen vonnissen ter discussie te stellen. Van onrechtmatig handelen van de gerechtsdeurwaarders op dit onderdeel van de klacht is dan ook niet gebleken.

8.3. Ten aanzien van het andere deel van de klacht van klaagster geldt het volgende: rechterlijke uitspraken werken in beginsel van rechtswege, dat wil zeggen vanaf het moment dat zij zijn uitgesproken. Voor een rechtsgeldige tenuitvoerlegging ingevolge het bepaalde in artikel 430 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is wel voorafgaande betekening van de titel vereist. Deze aan de executie voorafgaande betekening heeft tot doel te verzekeren dat de veroordeelde kennis krijgt van het vonnis en de aanstaande executie daarvan.

Om tot executie van een vonnis over te gaan, behoeft men niet te wachten tot het kracht van gewijsde heeft verkregen. Uit het stelsel van de wet volgt dat rechterlijke uitspraken voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, ook al kan een gewoon rechtsmiddel daartegen worden aangewend. Eerst wanneer zulks inderdaad is geschied, wordt - behoudens indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard - de werking van het vonnis geschorst. De wet drukt dit uit door de bepaling dat het beroep in cassatie schorsende kracht heeft. Op deze wijze wordt afdoende recht gedaan aan beide partijen. De in het gelijk gestelde partij kan direct de executie van een vonnis ter hand nemen en de in het ongelijk gestelde partij wordt in staat gesteld de aanvang van de executie of haar voortgang te verhinderen. Niet is gebleken dat klaagster op enig moment cassatie heeft ingesteld. Bij brief van 22 augustus 2001 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster er overigens nog op gewezen dat het vonnis inderdaad niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, maar dat niet was gebleken dat klaagster in cassatie was gegaan. Dat het vonnis niet in executoriale vorm zou zijn uitgegeven is niet gebleken. De gerechtsdeurwaarder [GD] heeft ter zitting een kopie van het door de griffier voor grosse uitgegeven vonnis overgelegd. Uit het voorgaande volgt dat van enig handelen of nalaten in strijd met de tuchtrechtelijke norm niet is gebleken.

8.4. Dit leidt dan ook tot de volgende beslissing.

9. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 6 mei 2003 en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in

het openbaar uitgesproken op donderdag 29 januari 2004.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 6 mei 2003 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 282.2002 ingesteld door:

[ K ],

wonende te [woonplaats ],

klaagster,

tegen:

[GD],

gerechtsdeurwaarders te [ plaats ] ,

beklaagden,

gemachtigde [ M ].

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 8 oktober 2002 heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders een beslissing ex artikel 39 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet gegeven op een door klaagster tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht.

Bij aangetekende brief van 9 oktober 2002 is klaagster een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief van 21 oktober 2002 is klaagster tegen de beslissing van de voorzitter in verzet gekomen.

Biji brief van 2 december 2002 heeft klaagster uitstel verzocht van de behandeling van 10 december 2002.

Bij brief van 25 februari 2003 heeft klaagster wederom uitstel van de behandeling verzocht, op welk verzoek de Kamer ter zitting van 11 maart 2003 afwijzend heeft beslist.

Het verzet is vervolgens behandeld ter openbare terechtzitting van 11 maart 2003, alwaar klaagster niet en gerechtsdeurwaarder [ ] wel is verschenen.

Van de behandeling is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 6 mei 2003.

2. Het verzet en de gronden van de klacht

2.1. Klaagster heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in haar verzet kan worden ontvangen.

2.2. In haar verzetschrift voert klaagster aan dat het hier duidelijk niet een geschil betreffende de uitvoering van executoriale- of conservatoire titels betrof maar, aldus samengevat,"zowel een aangetoond onrechtmatig handelen en verklaren in in de eigen ambtsprofessie, als een bewust medewerking verlenen aan onrechtmatig handelen en verklaren in anders anbtsprofessies (in casu: van advocatuur en rechters), zoals in genoemde klachtstukken duidelijk is uiteengezet." In haar inleidende klachtbrieven van 27 augustus 2001 en 3 september 2001, beide gericht aan de gerechtsdeurwaarder klaagt klaagster samengevat over het feit dat de gerechtsdeurwaarder op 12 juli 2001 een door de rechtbank te [ ] op 27 juni 2001 tegen haar gewezen vonnis heeft betekend en daarbij gelijktijdig bevel heeft gedaan aan de inhoud van dat vonnis te voldoen. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder haar bij exploot van 17 augustus 2001 verzocht opgave te doen van haar bronnen van inkomsten. Klaagster meent dat de gerechtsdeurwaarder in juridische zin onrechtmatig heeft gehandeld omdat het tegen haar gewezen vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en zij, naar de Kamer begrijpt, hiertegen nog een rechtsmiddel kon aanwenden waardoor de executie van dat vonnis zou worden geschorst, aldus klaagster.

3. De beoordeling van het verzet

2.1 Bij beschikking van 8 oktober 2002 heeft de voorzitter klaagster deels niet-ontvankelijk verklaard in haar klachten voor zover de klacht betrekking had op gedragingen van de gerechtsdeurwaarder welke zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet en de klachten voor het overige ongegrond verklaard. In zijn beslissing van 7 november 2002 heeft het Gerechtshof in hoger beroep in een andere klachtzaak onder meer overwogen dat het overgangsrecht met zich brengt dat het handelen of nalaten van een gerechtsdeurwaarder (of van diens onder zijn verantwoordelijkheid werkzame medewerker) van vóór 15 juli 2001 is onderworpen aan de voordien geldende regelgeving, tenzij de norm van artikel 34 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet voor de gerechtsdeurwaarder gunstiger is en mits de klachten zijn ingediend binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en betrekking hebben op handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder in strijd met de ten tijde van dat handelen of nalaten geldende normen.

2.2 Getoetst aan deze maatstaf kan klaagster in haar klacht worden ontvangen nu deze naar het oordeel van de Kamer is ingediend binnen de redelijke termijn als hiervoor vermeld en betrekking heeft op handelen of nalaten in strijd met de ten tijde van dat handelen of nalaten geldende normen. Het betrof hier immers de betekening en de verdere tenuitvoerlegging van een op 27 juni 2001 uitgesproken rechterlijk vonnis.

2.3 Op grond van het voorgaande kan de beslissing van de voorzitter van 8 oktober 2002 niet in stand blijven en dient daarom te worden vernietigd.

3. De beoordeling van de klacht

3.1 Bij de beoordelingen van de klacht geldt als uitgangspunt dat de Kamer tegen gerechtsdeurwaarders ingediende klachten toetst aan de tuchtrechtelijke norm als vermeld in artikel 34 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet. Aan een beoordeling van de klacht voor zover deze is gericht tegen de inhoud van de tegen klaagster gewezen vonnissen komt de Kamer derhalve niet toe. Het is ook niet aan de gerechtsdeurwaarder -die een ministerieplicht heeft ten opzichte van zijn opdrachtgever- om de inhoud van de tegen klaagster gewezen vonnissen ter discussie te stellen. Van onrechtmatig handelen van de gerechtsdeurwaarder

op dit onderdeel van de klacht is dan ook niet gebleken.

3.2 Ten aanzien van het andere deel van de klacht van klaagster geldt het volgende: rechterlijke uitspraken werken in beginsel van rechtswege, dat wil zeggen vanaf het moment dat zij zijn uitgesproken. Voor een rechtsgeldige executie ingevolge het bepaalde in artikel 430 lid 3 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is wel voorafgaande betekening van de titel vereist. Deze aan de executie voorafgaande betekening heeft tot doel te verzekeren dat de veroordeelde kennis krijgt van het vonnis en van de aanstaande executie daarvan. Om tot executie van een vonnis over te gaan, behoeft men niet te wachten tot het kracht van gewijsde heeft verkregen; onze wet huldigt het stelsel dat rechterlijke uitspraken voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn ook al kan een gewoon rechtsmiddel daartegen worden aangewend; eerst wanneer zulks inderdaad is geschied, wordt -behoudens indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard- de werking van het vonnis geschorst. De wet drukt dit uit door de bepaling dat het beroep in cassatie schorsende kracht heeft. Op deze wijze wordt afdoende recht gedaan aan beide partijen. De winnaar kan dadelijk de executie van een vonnis ter hand nemen en de verliezer wordt in staat gesteld de aanvang van de executie of haar voortgang te verhinderen. Niet gebleken is dat klaagster op enig moment cassatie heeft ingesteld. Bij brief van 22 augustus 2001 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster er overigens nog op gewezen dat het vonnis inderdaad niet uitvoerbaar bij voorraad was verklaard maar dat niet was gebleken dat klaagster in cassatie was gegaan. Dat het vonnis niet in executoriale vorm zou zijn uitgegeven is niet gebleken. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting een kopie van het door de griffier voor grosse uitgegeven vonnis overgelegd. Uit het voorgaande volgt dat van enig handelen of nalaten in strijd met de tuchtrechtelijke norm niet is gebleken.

4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de beslissing van de voorzitter van 8 oktober 2002;

- en opnieuw beslissend: verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend voorzitter, mr. R.G. Kemmers en

J. Smit, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2003 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

hoger beroep ingesteld