Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO2797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
462/2003 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De kamer oordeelt de klacht ongegrond. Het hof acht klager niet ontvankelijk in het beroep wegens overschrijding van de termijn, zoals gesteld in artikel 45 lid 1 GDW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 29 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 462/2003 GDW van:

[K],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

t e g e n

[GD],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDE,

gemachtigde: [G]

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 22 april 2003 ingekomen een verzoekschrift van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 4 maart 2003, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2003.

1.2. Bij die met redenen omklede beslissing heeft de kamer de klachten van klager ongegrond verklaard.

1.3. Ter griffie van het hof is op 23 juli 2003 een verweerschrift van geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2003, alwaar de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen en het woord heeft gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1. Tegen een beslissing van de kamer kan, ingevolge artikel 45, eerste lid Gerechtsdeurwaarderswet, binnen dertig dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van deze beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij dit hof.

3.2. In casu is aan klager bij aangetekende brief van 19 maart 2003 de bestreden beslissing toegezonden. De brief van klager van 18 april 2003, waarbij hij in hoger beroep is gekomen van de beslissing van de kamer, is ter griffie van het hof ingekomen op 22 april 2003. Reeds omdat klager daarmee de hiervoor onder 3.1. genoemde termijn heeft overschreden kan hij niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

3.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 4 maart 2003.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 29 januari 2004.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 4 maart 2003 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 192.2002 van:

[ K ],

wonende te [woonplaats ],

klager,

tegen:

[GD],

gerechtsdeurwaarder te [plaats ],

beklaagde,

gemachtigde [ ].

Partijen worden hierna aangeduid als klager en de gerechtsdeurwaarder.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 9 juli 2002 heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 16 juli 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder een reactie gegeven op de klacht.

Bij brief van 8 oktober 2002 heeft klager nog een aanvulling gegeven op zijn klacht.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 14 januari 2003, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen..

Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is nader bepaald op 11 maart 2003.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Bij uitspraak van 8 februari 2001 heeft de Centrale Raad van Beroep het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (de debiteur) onder meer veroordeeld tot vergoeding van schade als in de uitspraak aangegeven. De uitspraak is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard en tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. Bij brief van 22 november 2001 heeft de gerechtsdeurwaarder klagers opdracht van 31 oktober 2001 om tot executie van voormelde uitspraak over te gaan, bevestigd.

b) Bij brief van 28 januari 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder de debiteur onder meer geschreven:"Zoals reeds aan u is bericht is uw visie, zoals verwoord bij brief van 22 november 2001 waarin u stelt dat uw instantie aan de verplichtingen conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft voldaan, onjuist. (….) Uw betaling van f. 755,49 betreft slechts een klein deel van het in totaal te vergoeden bedrag aan rente.(…..)".

c) Bij brief van 13 februari 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer geschreven:"Hierbij deel ik u mede uw schrijven van 5 februari 2002, alsmede de hierbij gevoegde reactie van het GAK van 30 januari 2002 in goede orde te hebben ontvangen. In het bovengenoemd schrijven van het GAK wordt niet duidelijk gemaakt dat uitvoering is gegeven de instructies van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2001. Daarbij handhaaft het GAK haar standpunt dat de Rechtbank te Groningen dient te beslissen over de hoogte van de wettelijke rente, welke is toegekend door de Centrale Raad van Beroep. Het lijkt me dat voldoende is gereageerd op de wederzijdse standpunten en dat in verband hiermee een concept-dagvaarding kan worden opgesteld."

d) Bij brief van 13 maart 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer geschreven:"(….)2.GAK Nederland BV verwijst voor het geschil over de hoogte van het gevorderde bedrag naar de lopende procedure onder 98/1160 WW. Dit beroep betreft de vraag of de reeds uitgekeerde bedragen aan rente op een correcte manier zijn berekend.(…..)"

e) Bij brief van 2 april 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager meegedeeld: "Inzake opgemeld heb ik contact opgenomen met de Centrale Raad van Beroep aangezien ik mij nog immer niet kan vinden in uw opdracht tot dagvaarding over te gaan."

f) Bij brief van 27 mei 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager onder meer medegedeeld:"Inzake opgemeld heb ik heden nogmaals schriftelijk advies verzocht bij de Centrale Raad van Beroep. Vooralsnog zal ik derhalve NIET tot dagvaarding overgaan. Mocht u het met mijn weloverwogen beslissing niet eens zijn dan dient u zich tot een andere gerechtsdeurwaarder dan wel raadsman te richten."

g) Bij brief van 7 juni 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager geschreven: "Zoals aan u reeds bericht heb ik ten tweede male de Centrale Raad van Beroep om informatie gevraagd. Via de Raad vernam ik dat u inmiddels om herziening van de uitspraak van 8 februari 2001 heeft verzocht. De uitspraak van de CRvB d.d. 8 februari 2001 is NIET uitvoerbaar bij voorraad. Het herzieningdossier is thans nog niet administratief rond. De Raad verwacht eerst in het najaar omtrent uw verzoek uitspraak te doen."

h) Bij brief van 6 juli 2002 heeft klager de Centrale Raad van Beroep verzocht de uitspraak van 8 februari 2001 voor het gedeelte inzake de toekenning van de wettelijke rente bij voorraad uitvoerbaar te verklaren, aan welk verzoek bij beslissing van 17 september 2002 is voldaan.

i) Bij brief van 4 oktober 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat een goede werkrelatie met klager niet meer mogelijk is en heeft de opdracht aan klager teruggegeven.

2. De klacht

2.1 Klager klaagt erover:

a.) dat aan zijn verzoeken om informatie over het verloop van de zaak niet of onvoldoende tegemoet is gekomen. Evenmin is voldoende gereageerd op zijn klacht hierover;

b.) dat de toezeggingen tot uitvoering van zijn opdracht steeds opnieuw door de gerechtsdeurwaarder werden teruggedraaid en niet nagekomen;

c.) dat als reden voor uitstel van de zaak is verwezen naar adviezen en mededelingen van de Centrale Raad van Beroep, hetgeen bij navraag echter niet is bevestigd;

d.) dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte heeft gesteld dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep niet uitvoerbaar bij voorraad zou zijn wegens het verzoek om herziening. Op grond van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak immers niet geschorst door het aanwenden van een rechtsmiddel;

e.) dat de gerechtsdeurwaarder de grosse had dienen op te vragen en in verband daarmee het ontbreken van de grosse niet had kunnen aanvoeren als reden van uitstel voor het uitbrengen van een dagvaarding.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

3.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover van belang wordt dit verweer hierna besproken.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat het opstellen van een dagvaarding behoort tot de niet-ambtelijke werkzaamheden van een gerechtsdeurwaarder aangezien deze werkzaamheden ook door een andere (juridische) dienstverlener of door de opdrachtgever zelf kunnen worden verricht. Slechts het uitbrengen (betekenen) van een dagvaarding behoort tot de in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet verplicht gestelde ambtshandelingen.

4.2 Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht is -samengevat- het volgende gebleken. Klager heeft de gerechtsdeurwaarder verzocht een niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep te executeren. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder de debiteur gesommeerd de vordering van klager te voldoen bij gebreke waarvan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zou worden betekend. Nadat de debiteur op de sommatie een reactie had gegeven heeft klager de gerechtsdeurwaarder uiteindelijk verzocht een dagvaarding op te stellen teneinde betaling van de rente te vorderen in een procedure voor de kantonrechter. Vervolgens heeft er een briefwisseling plaatsgevonden tussen klager en de gerechtsdeurwaarder die ertoe heeft geleid dat de gerechtsdeurwaarder klager bij brief van 27 mei 2002 heeft medegedeeld op weloverwogen gronden niet tot (opstellen van een) dagvaarding over te zullen gaan. Hierna heeft nogmaals een briefwisseling plaatsgevonden tussen de gerechtsdeurwaarder, klager en de griffier van de Centrale Raad van Beroep welke ertoe heeft geleid dat de gerechtsdeurwaarder de opdracht heeft teruggegeven.

4.3 Onder de hiervoor vermelde omstandigheden is van onvoldoende informatie over het verloop van de procedure niet gebleken. Van onvoldoende reactie op de door klager ingediende klacht evenmin. Inzake de door klager gegeven opdracht tot het opstellen van een dagvaarding geldt dat de gerechtsdeurwaarder twijfels had over de door klager aangeleverde gegevens en daarop inlichtingen heeft ingewonnen. Over deze inlichtingen verschilden de gerechtsdeurwaarder en klager vervolgens inhoudelijk van mening. Op grond daarvan heeft de gerechtsdeurwaarder klager medegedeeld dat de dagvaarding niet zou worden uitgebracht en uiteindelijk de opdracht teruggegeven. Onder deze omstandigheden is dat niet onbegrijpelijk althans niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm. Ten aanzien van de klacht met betrekking tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad geldt het volgende. Een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt niet geschorst door het aanwenden van een rechtsmiddel. Echter de beslissing van de Centrale Raad is eerst bij beslissing van 17 september 2002 op verzoek van klager uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eerst vanaf dat moment had dat vonnis tenuitvoer kunnen worden gelegd. Nu de klacht ziet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder geen dagvaarding wenste uit te brengen, valt niet in te zien op welke grond de door de gerechtsdeurwaarder gedane mededeling tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Dat de verhoudingen tussen klager en de gerechtsdeurwaarder inmiddels zodanig waren verstoord dat de gerechtsdeurwaarder op basis van laatstgenoemde beslissing niet alsnog tot dagvaarding wilde overgaan, is (tuchtrechtelijk) niet onbegrijpelijk. Hoezeer overigens de Kamer begrip heeft voor klagers verbazing over de gang van zaken. Ten aanzien van het opvragen van de grosse geldt dat de gebruikelijke gang van zaken is dat deze door de opdrachtgever aan de gerechtsdeurwaarders ter hand wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande treffen de klachten geen doel en wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- wijst de klachten als zijnde ongegrond af.

Aldus gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend-voorzitter, mr. R.G. Kemmers en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2003 in tegenwoordigheid van de secretaris, F.C.H. Krieger.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Hoger beroep ingesteld