Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO2795

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
546/2003 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Klager heeft de klacht ingediend met overschrijding van de in artikel 99 lid 2 WNA genoemde termijn en is derhalve niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 29 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 546/2003 NOT van:

[N],

notaris te [plaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. B.J. de Deugd,

t e g e n

[K],

wonende te [woonplaats]

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 23 mei 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze uitspraak gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te 's-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 23 april 2003, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, gegrond is verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing werd opgelegd.

1.2. Op 31 juli 2003 is namens klager een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Op 3 september 2003 is een aanhoudingsverzoek van de advocaat van de notaris, mr. De Deugd, ter griffie ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2003. De notaris en zijn advocaat zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd.

1.5. Klager is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Per faxbericht van 12 november jongstleden heeft klager meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in haar beslissing van 23 april 2003 heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de klacht tegen de notaris die betrekking heeft op zijn handelen in 1994, gezien het tijdstip van indiening ontvankelijk is.

4.2. Nu klager zijn klacht in eerste instantie na de invoering van de Wet op het Notarisambt, hierna: WNA, heeft ingediend, dient het hof de ontvankelijkheid van de klacht te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 WNA.

Ingevolge artikel 99 lid 12 WNA kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

4.3. Klager heeft gedateerd 14 februari 2002 , ingekomen ter griffie van de kamer op 21 februari 2002, een klacht ingediend, ter zake van de rol van de notaris bij een zogenaamde geld-terug-aktie in juni 1994 van [B] Dat betekent dat klager de klacht heeft ingediend met overschrijding van de in artikel 99 lid 2 WNA genoemde termijn.

4.4. Het hier voorgaande leidt dan ook tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 23 april 2003, en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart klager alsnog niet ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 29 januari 2003.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen 's­Gravenhage

Beslissing inzake de klacht onder nummer 02-14 van:

[K],

hierna ook te noemen klager,

tegen

[N],

notaris te [plaats].

De procedure

De Kamer heeft kennis genomen van:

· de klacht, met bijlagen, ingekomen op 21 februari 2002,

· het antwoord van de notaris,

· de repliek van klager,

· de dupliek van de notaris.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 maart 2003.

Partijen zijn niet verschenen op deze zitting.

De feiten

- In 1994 heeft klager gereageerd op een advertentie van [bedrijfsnaam]. [verder [I]], betreffende een zogenaamde geld-terug-aktie [GTA].

- Blijkens de tekst van deze advertentie zou men, indien via [I] een computer werd gekocht, - zakelijk weergegeven - na vijf jaar de koopsom gerestitueerd krijgen.

- In voornoemde advertentie stond onder het kopje ZEKERHEDEN onder meer:" Certificering door [N], Notaris te [plaats]". Ook is de naam van de notaris vermeld onder het kopje: "In samenwerking met".

- Na het sluiten van de koopovereenkomst in juni 1994 met betrekking tot een computerconfiguratie heeft klager een vanwege notaris [N] (hierna: de notaris) verstrekt GTA Certificaat ontvangen.

- Enige tijd vóór het aflopen van de vijf-jaarsperiode is klager gebleken dat [I] per 10 oktober 1998 is geliquideerd.

De klacht

Klager stelt dat de notaris heeft gehandeld in strijd met de Beroeps- en Gedragsregels die voor het notariaat gelden.

Hij stelt dat de actie in de advertentie werd gepresenteerd als een samenwerkingsverband waarbij de notaris was betrokken. De medewerking van de notaris zou moeten waarborgen dat de door [I] aangegane verplichtingen daadwerkelijk werden nagekomen. In ieder geval is de inbreng van de notaris uitdrukkelijk genoemd onder het kopje: Zekerheden.

Klager was van een en ander voldoende onder de indruk om bij [I] een bestelling te plaatsen. Thans ziet hij zich echter geconfronteerd met insolventie aan de zijde van [I].

Bij navraag bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat [I] in 1992 en 1993 een ongezonde onderneming was, terwijl latere resultaten niet gepubliceerd zijn. Klager stelt dat de notaris zich van de financiële gegoedheid van [I] op de hoogte had dienen te stellen, alvorens zijn medewerking aan onderhavige actie te verlenen.

De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna - voorzover nodig - zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

Het verweer van de notaris dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens overschrijding van een redelijke termijn, wordt verworpen. Het enkele feit dat de klacht ingediend is vijftien maanden na de laatste briefwisseling tussen partijen betekent niet dat de notaris zich met vrucht op rechtsverwerking kan beroepen.

Volgens de notaris heeft [I] slechts aan hem de opdracht verstrekt om samen met haar register-accountant te controleren welke klanten van [I] tijdig bepaalde gelden zouden hebben betaald, om vervolgens voor die klanten een certificaat terzake te stempelen en te tekenen. Tijdige betaling was één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deelname aan de actie van [I]. Klager was één van de klanten die aan de door de notaris te beoordelen voorwaarden voor deelname voldeed. Klager bezit daarom dan ook een door de notaris gestempeld en getekend certificaat.

De notaris heeft bestreden dat hij een samenwerkingsverband had met [I] of dat hij ingestemd heeft met enige publicatie waarin die indruk wordt gewekt. Voorts bestrijdt de notaris dat hij toestemming heeft verleend om zijn naam en professie publicitair aan de actie te verbinden.

In het bijzonder weerspreekt de notaris dat hij zich op enigerlei wijze garant heeft gesteld voor juiste nakoming door [I] van haar verplichtingen en dat zulks af te leiden zou zijn uit de certificaten waaraan hij zijn medewerking heeft verleend.

De Kamer is van oordeel dat medewerking door een notaris aan de gevoerde reclamecampagne in strijd is met de in artikel 50c van de Wet op het Notarisambt 1842 neergelegde tuchtnorm.

Niet gesteld of gebleken is echter dat de notaris eerder dan in de aanloop tot de onderhavige procedure ervan op de hoogte was dat [I] zijn naam in de bewuste advertentie had gebruikt. Dat geldt ook voor enige wetenschap bij de notaris met betrekking tot de (slechte) financiële positie waarin [I] kennelijk in 1994 verkeerde.

Dat neemt niet weg dat het op de weg van de notaris had gelegen om, alvorens hij met [I] in zee ging, onderzoek te doen naar het kader waarin de door hem getekende certificaten gebruikt zouden worden. Van de notaris moet verwacht worden dat hij bij dienstverlening als de onderhavige enig onderzoek verricht naar het doel daarvan. Nu de notaris een dergelijk onderzoek niet ingesteld heeft, valt zulks hem tuchtrechtelijk te verwijten.

Het feit waarover geklaagd wordt, is door de notaris begaan onder de werking van de Wet op het Notarisambt van 9 juli 1842, Stb. 1842, 20. Per 1 oktober 1999 is deze wet vervangen door de Wet op het notarisambt van 3 april 1999, Stb. 1999, 190. Elk van genoemde wetten heeft haar eigen pakket van maatregelen voor het geval een klacht tegen een notaris wordt gegrond bevonden. Mede gelet op de aard van de in het notariële tuchtrecht op te leggen maatregelen, mag naar het oordeel van de Kamer de invoering van laatstgenoemde wet er niet toe leiden dat ­bij een gegrond bevinden van de klacht­ aan de notaris een maatregel wordt opgelegd, die zwaarder is dan een maatregel die zou zijn opgelegd overeenkomstig de eerstgenoemde wet.

De Kamer acht de geconstateerde overtreding van de tuchtnorm dusdanig ernstig dat de Kamer ter zake daarvan onder de huidige wet aan de notaris de maatregel van waarschuwing als bedoeld in artikel 103, eerste lid onder a, van deze wet als de lichtste maatregel zou opleggen. Op grond van de Wet op het Notarisambt 1842 zou de Kamer echter de maatregel van berisping als bedoeld in artikel 50c , eerste lid onder a, van die wet als lichtste maatregel op zijn plaats hebben geacht.

Aangezien de notaris onder de Wet op het notarisambt 1999 met het opleggen van een berisping een zwaardere maatregel opgelegd zou worden dan onder de Wet op het Notarisambt 1842, is de Kamer van oordeel dat de notaris thans de maatregel opgelegd dient te worden van waarschuwing.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht gegrond;

legt notaris [N] de maatregel van waarschuwing op;

bepaalt dat deze waarschuwing zal worden uitgesproken in de eerstvolgende vergadering van de Kamer nadat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze beslissing is gegeven door mrs R.J. Paris, voorzitter, R. van der Galiën, A.J.M. van Velzen, leden, en M.G.L.den Os-Brand en R.R.J.F.H. Muller, plaatsvervangende leden, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr H.C. Veenendaal-Husen, in het openbaar uitgesproken op 23 april 2003.

Afschrift van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan de notaris en aan de klager gezonden.

Binnen dertig dagen na de dagtekening van de begeleidende brief kunnen de notaris en de klager van deze beslissing in hoger beroep komen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.