Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:AO2662

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
459/2003 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster stelt met kandidaat-notaris mr. [K-N], een ex-kantoorgenoot van de notaris, een afspraak te hebben gemaakt over de te ontvangen rente op de, na verkoop van een deel van de obligaties uit de onverdeelde nalatenschap, resterende obligaties. In strijd met deze afspraak heeft klaagster niet de totale rente ontvangen.

Voorts stelt klaagster dat er twee albums met Franse postzegels zijn zoekgeraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 8 januari 2004 in de zaak onder rekestnummer 459/2003 NOT van:

[N],

notaris te [plaats],

APPELLANT

t e g e n

[K],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: [I].

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 17 april 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Rotterdam, verder te noemen de kamer, van 20 maart 2003. Bij deze beslissing is de klacht - voor zover niet ingetrokken - gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard, zonder oplegging van een maatregel.

1.2. Op 6 juni 2003 is namens klaagster een verweerschrift - met bijlagen - ingediend.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2003. De notaris, vergezeld van de heer R.H.Gardeslem als zijn adviseur, en de gemachtigde van klaagster zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in zijn beslissing van 20 maart 2003 daarover heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster stelt met kandidaat-notaris mr. [K-N], een ex-kantoorgenoot van de notaris, een afspraak te hebben gemaakt over de te ontvangen rente op de, na verkoop van een deel van de obligaties uit de onverdeelde nalatenschap, resterende obligaties. In strijd met deze afspraak heeft klaagster niet de totale rente ontvangen.

4.2. Voorts stelt klaagster dat er twee albums met Franse postzegels zijn zoekgeraakt. Kennelijk is er een telfout gemaakt. De notaris heeft verzuimd klaagster hierover te informeren, ook is hierover niets schriftelijk vastgelegd.

4.3. Tot slot heeft klaagster ten kantore van de notaris een metalen kistje afgegeven. Zij wil dit kistje terugontvangen zonder tussenkomst van haar zuster, [Z], hierna: mede-erfgename.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris stelt in de eerste plaats dat de rente op de obligaties is bijgeschreven op de rekening van de notaris en dat deze rente vervolgens is uitgekeerd aan de erfgenamen. De rente is niet geheel uitgekeerd aan klaagster in afwijking van hetgeen klaagster stelt dat zou zijn overeengekomen. De notaris heeft de mede-erfgename van klaagster geraadpleegd over het bestaan van zodanige afspraak, evenals de kandidaat-notaris die destijds bij de afhandeling van de nalatenschap betrokken is geweest. Beiden kunnen zich niets van het bestaan van een dergelijke afspraak herinneren. Ook zijn er geen aantekeningen in het dossier terug te vinden dat een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt. De mede-erfgename van klaagster heeft geweigerd het bedrag, dat klaagster stelt nog te vorderen te hebben, op de rekening van de notaris te storten. De notaris wijst erop dat klaagster ruim tevoren het concept van de akte van verdeling met de daarbij behorende bijlagen heeft ontvangen en de kans heeft gehad naar aanleiding daarvan haar vordering in te dienen. Daarnaast was klaagster ervan op de hoogte dat de deelgenoten door ondertekening van de akte elkaar over en weer kwijting en décharge verlenen en afstand doen van elk recht om ontbinding of vernietiging van de verdeling te vorderen. Verder heeft de verdeling plaatsgevonden overeenkomstig een rechterlijke uitspraak, waarin is bepaald dat de verkoopopbrengst van de obligaties uit de nalatenschap verdeeld dient te worden tussen de erfgenamen. Voor de rente, verkregen op de obligaties, is geen uitzondering gemaakt.

5.2. Wat betreft de postzegelverzameling stelt de notaris het volgende. De kandidaat-notaris heeft op 25 september 1996 een overzicht gemaakt van de in bewaring genomen postzegelalbums. Na controle heeft hij de door hem in ontvangst genomen albums gespecificeerd, waarna hij dit overzicht vervolgens aan partijen heeft toegestuurd. Geen van de partijen heeft bezwaar gemaakt tegen dit overzicht. Uit dit overzicht blijkt dat de kandidaat-notaris destijds 23 postzegelalbums in ontvangst heeft genomen behorende bij de serie "Engeland, Ierland e.o.". Door het Vendu Notarishuis zijn vervolgens, ten kantore van de voorganger van de notaris, de albums getaxeerd. Bij de taxatie is kennelijk een typ- of telfout gemaakt door enkele albums extra te vermelden bij eerdergenoemde verzameling. Ook bij de vermelding van de serie "België en Luxemburg" in het taxatierapport is een typ- of telfout te vinden. Daar staan 10 albums vermeld terwijl door de kandidaat-notaris 12 albums in ontvangst zijn genomen. In het taxatierapport staan in totaal 83 albums vermeld, terwijl slechts 81 albums door de kandidaat-notaris in ontvangst zijn genomen.

5.3. Terzake van het metalen kistje heeft de notaris medegedeeld dat hij de mede-erfgename heeft gevraagd of zij ermee akkoord gaat dat het kistje wordt teruggegeven aan klaagster. De mede-erfgename heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen afgifte. Klaagster kan het kistje afhalen op het kantoor van de notaris.

6. De beoordeling

6.1. Het hof kan de kamer niet volgen in haar oordeel dat de brief van 15 maart 2002, van de notaris aan de mede-erfgename, het aannemelijk maakt dat er een afspraak is gemaakt tussen de kandidaat-notaris en klaagster omtrent de uit te betalen rente over de resterende obligaties. Uit deze brief blijkt immers dat de notaris de brief schrijft omdat hij is benaderd door klaagster en dat hij van klaagster heeft begrepen dat er destijds een afspraak is gemaakt over de te betalen rente. Nu er niet van andere aanknopingspunten voor het bestaan van een dergelijke afspraak is gebleken oordeelt het hof dat eerdergenoemde brief niet doorslaggevend is. Dit temeer nu het hof als zeer ongebruikelijk voorkomt dat een dergelijke afspraak wordt gemaakt tussen één van de twee erfgenamen en de kandidaat-notaris. Het hof oordeelt dan ook dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

6.2. Inzake het klachtonderdeel betreffende de zoekgeraakte postzegelalbums is het volgende van belang. Evenals de kamer oordeelt het hof dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de twee albums met Franse postzegels zijn zoekgeraakt. Uit de overgelegde stukken alsmede uit de door de notaris gegeven toelichting is genoegzaam gebleken dat de, op 29 oktober 1996 door het Vendu Notarishuis opgestelde, taxatie van postzegelalbums afwijkt van het overzicht dat door de kandidaat-notaris is opgesteld getiteld "Overzicht van de op 25 september 1996 in bewaring genomen postzegelalbums in de nalatenschap van de heer [E]." Nu dit laatste overzicht aan partijen is voorgelegd en zij hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt gaat het hof ervan uit dat dit overzicht juist is en dat in de naderhand gemaakte taxatie typ- en/of telfouten zijn gemaakt.

6.3. Het hof kan klaagster voorts niet volgen in haar klacht dat de notaris heeft verzuimd klaagster over deze typ- en/of telfouten te informeren. Blijkens de stukken is bij brief van 23 augustus 2002 gericht aan de KNB voor het eerst namens klaagster hierover een opmerking gemaakt. De notaris heeft hierover, via de KNB, informatie verschaft bij brief van 30 september 2002. Het hof acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

6.4. Nu het derde onderdeel van de klacht namens klaagster is ingetrokken tijdens de mondelinge behandeling door de kamer ligt dit onderdeel van de klacht niet meer ter beoordeling voor aan het hof.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer;

- verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Schipper, Stille en Van Os, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 8 januari 2004.

Kamer v-an Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notaris-sen te Rotterdam

Reg.nr. 21/02

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt (1999) van:

[K],

klager,

- tegen -

[N],

notaris te Rotterdam,

de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- klaagschrift d.d. 28 oktober 2002, met bijlagen;

- verweerschrift d.d. 18 november 2002;

- aanvulling op het klaagschrift d.d. 3 december 2002.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 20 februari 2003. Klager alsmede de notaris, vergezeld door

mr. [F], zijn verschenen en hebben elk hun standpunt nader toegelicht.

2. Vaststaande feiten

De vader van klagers echtgenote, de heer [ E], is op 1 augustus 1996 overleden. Klagers echtgenote, mevrouw [P] en haar zuster mevrouw [Z] zijn ieder voor de helft van de nalatenschap tot erfgenamen benoemd. De nalatenschap omvatte onder andere een pakket obligaties, waarvan een deel uit de onverdeelde nalatenschap is verkocht teneinde een aantal schulden (kosten crematorium en de voorlopige aanslag successierechten) te voldoen. [N] heeft de werkzaamheden van notaris [X]J, die de afwikkeling van de nalatenschap in eerste instantie behandelde, overgenomen.

3. Inhoud van de klacht

3.1

In essentie stelt klager dat de notaris onzorgvuldig gehandeld heeft op de 3 navolgende punten:

1) Klager stelt dat er een afspraak is gemaakt met kandidaat-notaris mr.[K-N], kantoorgenoot van de notaris, omtrent de te ontvangen rente op de, na de verkoop van een deel van de obligaties uit de onverdeelde nalatenschap, resterende obligaties. Klager stelt dat zijn echtgenote deze rente in strijd met de gemaakte afspraken niet heeft ontvangen;

2) Klager stelt voorts dat er twee postzegelalbums afkomstig uit Frankrijk zijn zoekgeraakt zonder daarvan aan zijn echtgenote melding te maken;

3) Tevens stelt klager dat een metalen kistje toebehorend aan zijn echtgenote en dat ten kantore van notaris [J] is afgegeven, nog niet aan haar is geretourneerd.

3.2

Klager legt aan het eerste onderdeel van zijn klacht ten grondslag een brief d.d. 15 maart 2002 van [S] waarin aan mw.[Z] wordt verzocht om een teveel ontvangen bedrag aan rente ten bedrage van f. 2.838,82 aan haar zuster over te maken. Klager heeft verklaard dat zijn echtgenote haar aandeel in de crematiekosten en de voorlopige aanslag successierechten uit eigen financiële middelen heeft voldaan, aangezien zij haar erfdeel voorzover mogelijk in obligaties wenste te behouden om de rente daarover te kunnen ontvangen. De door mw. [Z] verschuldigde kosten zijn voldaan door het verkopen van een deel van de obligaties. Klagers echtgenote wenste voor deze voorfinanciering van haar zuster een vergoeding te ontvangen. Klager stelt dat er een afspraak is gemaakt met mr. [K-N], inhoudende dat klagers echtgenote bij de verdeling van de nalatenschap de renteopbrengst over de niet verkochte obligaties zou ontvangen, gelijk aan de renteopbrengst die door de verkoop van de obligaties uit de onverdeelde nalatenschap niet is gerealiseerd.

3.3

Klager heeft ten aanzien van het tweede onderdeel van zijn klacht een overzicht van de op 25 september 1996 in bewaring genomen postzegelalbums in de nalatenschap van de heer [E] en een taxatierapport van Vendu Notarishuis overgelegd.

3.4

Klager heeft bij de mondelinge behandeling het derde onderdeel van zijn klacht ingetrokken.

4. Standpunt van de notaris

4.1

De notaris heeft met betrekking tot het eerste onderdeel van de klacht aangevoerd dat van een dergelijke afspraak tussen klager en mr. [K-N] niet in het dossier is gebleken. Tevens kan mr. [K-N] zich niet herinneren dat een dergelijke afspraak is gemaakt.

4.2

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht heeft de notaris geen verklaring gegeven voor het zoekraken van twee postzegelalbums afkomstig uit Frankrijk.

Ter mondelinge behandeling heeft de notaris meegedeeld dat deze klacht aan notaris [X] gericht dient te worden.

5. De beoordeling

5.1

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 van de WNA. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

5.2

Ten aanzien van het eerste onderdeel van klagers klacht en het door de notaris gevoerde verweer, oordeelt de Kamer dat, hoewel er geen expliciete stukken ter onderbouwing van de gestelde afspraak zijn overgelegd, het wel aannemelijk is dat een dergelijke afspraak is gemaakt, getuige de brief van 15 maart 2002 van de notaris aan [Z]. De Kamer ziet op grond van het vorenstaande aanleiding om de klacht ten aanzien van het eerste onderdeel gegrond te verklaren.

5.3

Ten aanzien van het tweede onderdeel van klagers klacht, oordeelt de Kamer dat uit de overgelegde stukken, als genoemd in 3.3 van deze beslissing, niet blijkt dat postzegelalbums afkomstig uit Frankrijk zijn zoekgeraakt. Het tweede onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

5.4

Het derde onderdeel van de klacht is ter mondelinge behandeling ingetrokken en behoeft derhalve geen bespreking.

6. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-nota-ris-sen te Rotterdam,

verklaart de klacht ten aanzien van het eerste onderdeel gegrond zonder oplegging van een maatregel, ten aanzien van het tweede onderdeel ongegrond en ten aanzien van het derde onderdeel ingetrokken.

Deze beslissing is gegeven op 20 februari 2003 door mrs F.W.H. van den Emster, A.G. Scheele-Mülder, R. van der Galiën, R.G.M Gores en J.H.J. Preller, in tegenwoor-digheid van de plaatsvervangend secretaris, mr. E.C. Höhner.

Uitgesproken ter openbare vergadering.

De plaatsvervangend secretaris, De voorzitter,

E.C. Höhner F.W.H. van den Emster

Deze beslissing is verzonden op:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.