Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2004:5

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
1529/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 23, lid 1 Wet op de Architectentitel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 1529/02

8 januari 2004

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST

in de zaak van:

1. [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] Architectuur B.V., handelend onder de naam [X] Architectuur en Milieutechniek B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

APPELLANTEN,

procureur: mr. M.B. Ruisbroek Jetten,

t e g e n

de stichting

STICHTING BUREAU ARCHITECTENREGISTER,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. A. Volders.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) [X] c.s. en SBA genoemd.

Bij dagvaarding van 30 augustus 2002 is [X] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Alkmaar, sector kanton (hierna: de kantonrechter) van 17 juli 2002, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 111590-01-2726 gewezen tussen

SBA als eiseres en hem als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft [X] c.s. zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd zoals in die memorie weergegeven.

Bij memorie van antwoord heeft SBA de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd zoals in die memorie weergegeven.

Ten slotte zijn de stukken van beide instanties - waarvan de inhoud als hier ingveoegd wordt beschouwd - overgelegd en is arrest gevraagd.

2 Grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder "De feiten" een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange­merkt.

Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4 Beoordeling

4.1

Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. Bij inleidende dagvaarding van 31 juli 2001 heeft SBA [X] c.s. gedagvaard tot staking van het gebruik van de titel "architect" of een woordsamenstelling waarin die titel voorkomt, zoals "architectuur" alsmede van de concrete naam [X] Architectuur en Milietechniek B.V. onder andere omdat de door [X] gehanteerde naam [X] Architectuur en Milieutechniek strijd oplevert met de Wet op de Architectentitel (hierna: de Wet).

4.2

De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Aan dit oordeel heeft hij ten aanzien van appellante sub 2. - kort en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd, dat de naam van degene die zelf niet de architectentitel mag voeren, niet in de naam van de rechtspersoon mag voorkomen, aangezien dit tegenover consumenten de onjuiste indruk wekt dat deze persoon zelf architect is, hetgeen verwarring kan veroorzaken en misleidend is. Voorts heeft hij ten aanzien van appellant sub 1. - kort en zakelijk weergegeven - geoordeeld dat ook deze zich ten onrechte als architect presenteert omdat de misleidende titelvoering waarin zijn naam voorkomt, hem als oprichter en materieel bestuurder en enig aandeelhouder van appellant sub 2. toe- en aan te rekenen valt.

4.3

Tegen dit oordeel richten zich de grieven I tot en met V. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4

Ingevolge art 23, eerste lid, van de Wet (welk artikel op 1 oktober 1993 in werking is getreden) is gerechtigd tot het voeren van een titel, als bedoeld in art 2, tweede lid, of een afkorting van die titel (hof: de titel architect), hetzij zonder nadere aanduiding, hetzij in woordsamenstellingen waarin de titel of een afkorting van die titel, voorkomt, uitsluitend hij die onder deze titel in het register staat ingeschreven.

4.5

Vast staat dat [X] niet in het hiervoor bedoelde register staat ingeschreven en dat hij (als natuurlijke persoon) niet gerechtigd is tot het voeren van de titel architect.

4.6

Vast staat dat appellante sub 2 in haar statutaire naam en in haar handelsnaam en ook overigens in het openbaar de aanduiding "Architectuur" gekoppeld aan de naam " [X] " voert. Uitgangspunt bij de beoordeling of dit strijdt met art. 23, eerste lid, van de Wet (ook partijen nemen dit tot uitgangspunt), dient te zijn dat weliswaar moet worden aangenomen dat het in beginsel voor een rechtspersoon mogelijk moet zijn de titel architect of een daarmee op een lijn te stellen aanduiding te voeren, maar dat het niet zo mag zijn dat

een natuurlijke persoon die niet gerechtigd is de titel te voeren, op eenvoudige wijze aan het verbod zou kunnen ontkomen door zijn beroep in de vorm van een rechtspersoon uit te oefenen.

4.7

Waar de persoonsnaam " [X] " wordt gekoppeld aan het woord "Architectuur", wekt dit de indruk dat [X] een geregistreerde architect is, terwijl vast staat dat dit niet het geval is. Dat eventueel andere, wel geregistreerde architecten bij appellante sub 2. in dienst zijn, die feitelijk leiding zouden geven aan haar bouwkundige activiteiten, neemt deze indruk niet weg. Dit leidt tot het oordeel dat appellante sub 2. in strijd handelt met het bepaalde bij art. 23, lid 1, van de Wet.

4.8

Niet in geschil is dat appellant sub 1. via [X] Beheer B.V. enig bestuurder en aandeelhouder is van appellante sub 2.

Voorts is niet in geschil dat appellant sub 1. oprichter en feitelijk leidinggevende is van appellante sub 2. Dit brengt met zich mee dat appellant sub 1. verantwoordelijk moet worden gehouden voor de naamgeving van appellante sub 2. en dat het materieel in zijn macht ligt deze naamgeving te wijzigen. Zoals hiervoor is overwogen wordt door de koppeling van " [X] " met "Architectuur" de indruk gewekt dat [X] (appellant sub 1.) architect is. Nu appellant sub 1. hiervoor de verantwoordelijkheid draagt, moet ook ten aanzien van hem worden geoordeeld dat hij in strijd handelt met artikel 23, lid 1, van de Wet. Dat appellant sub 1. gedurende de overgangsperiode in aanmerking zou zijn gekomen voor een ontheffing, doet hier niet aan af, nu hij van deze mogelijkheid kennelijk geen gebruik heeft gemaakt.

4.9

Gezien het hiervoor overwogene falen de grieven I tot en met V. Grief VI heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft in het licht van het voorgaande geen nadere bespreking.

5 Slotsom

Het vooroverwogene betekent dat de grieven niet tot vernietiging van het beroepen vonnis kunnen leiden en dat dat

vonnis dus zal worden bekrachtigd. [X] dient als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep te worden veroordeeld.

6 Beslissing Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [X] in de kosten van het appèl en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van SBA gevallen op 964,43 Euro, waarvan 193,-- Euro aan verschotten en 771,43 Euro voor salaris van de procureur,

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Thiessen, Van Dijk en Van de Beek en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2004.