Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ9982

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
15-09-2004
Zaaknummer
02/04164
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Betreft: uitspraak na verwijzing door de HR in zijn arrest van 12 juli 2002, nummer 36 902.

Vader verkoopt aandelen in zijn BV, die handelt in onroerende zaken, aan belanghebbende en diens broer, tegen de boekwaarde. De waarde in het economische verkeer van de aandelen is veel hoger. Er is sprake van schenking.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 1, geldigheid: 2003-06-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1429
FutD 2004-1697
V-N 2004/61.1.6

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2002 onder nummer 36 902 arrest gewezen op het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 21 december 2000, nr. BK-99/2054, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van schenking ter zake van een schenking door A. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij voormelde uitspraak de uitspraak waarvan beroep bevestigd. De Hoge Raad heeft de uitspraak van genoemd hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.3. Bij brief van 25 juli 2002 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil na verwijzing. De inspecteur heeft bij brief van 23 september 2002 van die mogelijkheid gebruik gemaakt, welke brief op 26 september 2002 ter kennisneming aan belanghebbende is gezonden. Gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het verzoek van de griffier om een schriftelijke toelichting van 25 juli 2002 haar niet bekend is, maar dat zij van mening is dat belanghebbende daardoor niet in zijn belang is geschaad.

1.4. Ter zitting van 29 april 2003 zijn verschenen namens belanghebbende mr. B, hierna: gemachtigde, en namens de ambtsopvolger van de inspecteur, de inspecteur van de Belastingdienst te Q, C en D. Tijdens deze zitting zijn het beroep van belanghebbende en het beroep van zijn broer Y, hofnummer 02/04165, gelijktijdig behandeld. Zowel de gemachtigde als de inspecteur hebben tijdens de zitting een pleitnota overgelegd. De gemachtigde heeft haar pleitnota voorgedragen. De pleitnota van de inspecteur, waarvan de inhoud reeds bij de gemachtigde en het Hof bekend was, is niet voorgedragen.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest onder 3.3, 3.4 en 3.5 overwogen:

3.3. (…) Voorzover het eerste onderdeel strekt ten betoge dat ’s Hofs oordeel dat de deskundigen – het Hof doelt hier kennelijk op belanghebbbendes gemachtigde en de accountant van de B.V. – zich moeten hebben gerealiseerd dat de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans van de B.V. geen juiste maatstaf was voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de aandelen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, treft het doel. Die maatstaf is immers niet onder alle omstandigheden onjuist.

3.4. Het Hof heeft voor zijn hiervoor in 3.2 vermelde oordeel voorts redengevend geacht dat belanghebbendes gemachtigde reeds ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst bij de beoogde aandelenoverdracht was betrokken, en dat dit meebrengt dat belanghebbendes vader zich in december 1994 moet hebben gerealiseerd dat zijn zoons door de aandelentransactie aanzienlijk werden bevoordeeld en dat hijzelf zijn vermogen met eenzelfde bedrag zou zien verminderen, ook al was op dat moment nog niet exact bekend om welk bedrag het ging. Het derde onderdeel van middel I betoogt terecht dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is immers niet duidelijk waarom belanghebbendes vader reeds in december 1994 zich vanwege de bijstand van belanghebbendes gemachtigde de bevoordeling moet hebben gerealiseerd, in aanmerking genomen dat volgens artikel 2 van de op 30 december 1994 gesloten koopovereenkomst de koopprijs van de aandelen gelijk is aan de door de accountant van de B.V. te bepalen intrinsieke waarde per 31 december 1994. Niet duidelijk is of de partijen bij die overeenkomst het oog hadden op de intrinsieke waarde, berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de beleggingen van de B.V., dan wel reeds toen op de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans van de B.V., maar zelfs in het laatste geval kan niet worden gezegd dat toepassing van die maatstaf onder alle omstandigheden tot een lagere waarde leidt dan de waarde in het economische verkeer.

3.5. Opmerking verdient nog dat, naast bewustheid van bevoordeling, de wil tot bevoordelen een afzonderlijk vereiste vormt voor het aannemen van een schenking in de zin van artikel 1, lid 2, van de Successiewet 1956, en dat de aanwezigheid van de wil tot bevoordeling zelfstandig moet worden beoordeeld op grond van de omstandigheden, en niet kan worden afgeleid louter uit de aanwezigheid van de bevoordelingsbewustheid bij degene die bevoordeelt. Indien het Hof dit heeft miskend, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de zo-even weergegeven, juiste rechtsopvatting, dan heeft het zijn oordeel dat de vader van belanghebbende ook bevoordelingswil had, onvoldoende met redenen omkleed. De in het middel besloten liggende klacht van deze strekking slaagt dus eveneens.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

Voor de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof naar de door de Hoge Raad onder 3.1 van zijn arrest omschreven feiten.

4. Geschil

In geschil is of belanghebbendes vader, en/of de door hem geraadpleegde deskundigen, met de in artikel 2 van de koopovereenkomst genoemde intrinsieke waarde per 31 december 1994 het oog hebben gehad op de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans van A Beheer BV (hierna ook: de vennootschap) en zo ja, of in het onderhavige geval de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans een juiste maatstaf is voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de verkochte aandelen.

Indien de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans i.c. geen juiste maatstaf blijkt te zijn voor de vaststelling van de waarde in het economische verkeer van de verkochte aandelen, rijst vervolgens de vraag of belanghebbendes vader, en/of de door hem geraadpleegde deskundigen, zich dit op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst hebben gerealiseerd.

Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is vervolgens nog in geschil of belanghebbendes vader ook de wil tot bevoordeling heeft gehad op 30 december 1994.

5. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Ter zitting is namens belanghebbende het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aan zijn standpunt toegevoegd:

Het initiatief tot het sluiten van de koopovereenkomst is uitgegaan van belanghebbendes vader. Omdat op het moment van het aangaan van de koopovereenkomst nog niet de gegevens beschikbaar waren aan de hand waarvan de koopprijs kon worden bepaald, zou gemachtigde een formule in de koopovereenkomst opnemen waardoor de reële waarde van de aandelen zo goed mogelijk benaderd zou worden. De accountant was er op dat moment niet bij betrokken. Later, toen de jaarstukken gereed waren, heeft de accountant de waarde van de aandelen per 31 december 1994 vastgesteld op fl. 6.181.271. De omstandigheid dat deze waarde gelijk was aan het eigen vermogen van de vennootschap volgens de commerciële balans heeft bij niemand de vraag doen rijzen of er nog sprake was van stille reserves. Ook gemachtigde heeft zich niet afgevraagd of de waardevaststelling van de accountant in overeenstemming was met de waarde als bedoeld in artikel 2 van de koopovereenkomst. Daarin werd gesproken van intrinsieke waarde, en dat was de waarde die de accountant heeft vastgesteld. Er is toen ook niemand anders dan de accountant bij betrokken geweest.

Belanghebbendes vader is altijd slager geweest. Na de verkoop van de slagerijen is hij gaan beleggen. Hij verrichtte in dat kader werkzaamheden. Hij was een behoudende belegger. Ik weet niet of hij zelf panden aankocht. Hij schakelde ook wel eens anderen, kennissen, in. Hij was wel de initiator als het ging om aan- en verkopen. Het beheer van de verhuurde panden deed hij samen met een administratieve kracht. Hij had wel enig inzicht in de waarde van onroerende zaken. Hij ging soms naar veilingen om panden te kopen. Hij ging dan vaak met ex-collega’s uit de slagerijbranche.

De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd:

Met intrinsieke waarde wordt veelal bedoeld de werkelijke waarde van het vermogen en niet de boekwaarde volgens de winstbepalende balans.

Belanghebbendes vader heeft in 1994 in ieder geval twee keer een pand aangekocht en op korte termijn, met winst, doorverkocht. Hieruit leid ik af dat belanghebbendes vader de nodige kennis had van de onroerendgoedmarkt.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In de koopovereenkomst van 30 december 1994 wordt als koopprijs van de aandelen genoemd de door de accountant van de vennootschap te bepalen intrinsieke waarde per 31 december 1994. De accountant bepaalt deze waarde op 26 maart 1996 op fl. 6.181.271. Deze vaststelling vindt plaats overeenkomstig de ‘intrinsieke waarde (…) blijkens de balans van de vennootschap per 31 december 1994’. Deze intrinsieke waarde is derhalve gelijk aan de boekwaarde van het vermogen van de vennootschap per 31 december 1994.

6.2. De boekwaarde van de tot het vermogen van de vennootschap behorende onroerende zaken bedroeg ongeveer 70% van de aanschafwaarde. Deze lage boekwaarden in verhouding tot de vastgestelde WOZ-waarden en de waarden volgens het taxatierapport van de belastingdienst kunnen naar het oordeel van Hof niet uitsluitend worden verklaard uit de omstandigheid dat de panden verhuurd waren. Ook uit de brieven van de gemachtigde d.d. 14 juli 1998 en 6 oktober 1998 volgt dat, gezien de aldaar gehanteerde waarderingsmaatstaven ten behoeve van de waardering van de aandelen, de intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans lager is dan de waarde in het economische verkeer.

6.3. In de koopovereenkomst wordt in artikel 2 de koopprijs bepaald op de intrinsieke waarde per 31 december 1994. Naar het normale spraakgebruik weerspiegelt de intrinsieke waarde de werkelijke waarde van het in de vennootschap aanwezige vermogen, waarvan de stille reserves (verminderd met de latente vennootschapsbelastingclaim) deel uitmaken. Alleen in het geval dat er geen stille reserves aanwezig zijn, laat het zich denken dat de intrinsieke waarde gelijk is aan de boekwaarde. Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat de omstandigheid, dat de accountant de intrinsieke waarde per 31 december 1994 vaststelde op de boekwaarde van de winstbepalende balans, noch bij belanghebbendes vader, noch bij diens gemachtigde de vraag heeft doen rijzen of er geen stille reserves aanwezig waren. De waardevaststelling van de accountant was immers de intrinsieke waarde blijkens de balans en daarmee was naar de mening van partijen uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 2 van de koopovereenkomst, op een wijze die strookte (blijkens de tekst van de vaststellingsovereenkomst van 11 april 1996) met de daaromtrent bij de contractspartijen op 30 december 1994 bestaande bedoeling. Tevens blijkt uit de koopovereenkomst dat de intrinsieke waarde door de accountant zou worden vastgesteld, zonder overlegging van een taxatierapport door een terzake deskundige. Op grond van deze omstandigheden en omdat partijen steevast spreken van ‘intrinsieke waarde’ waar feitelijk de boekwaarde wordt bedoeld, acht het Hof het aannemelijk dat partijen reeds ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met intrinsieke waarde het oog hebben gehad op de ‘intrinsieke waarde volgens de winstbepalende balans’, oftewel, volgens het normale spraakgebruik: de boekwaarde. De bewering van gemachtigde ter zitting dat belanghebbendes vader een reële prijs voor de aandelen wilde hebben, acht het Hof dan ook niet geloofwaardig.

6.4. Belanghebbendes vader was nauw betrokken bij de onroerendgoedhandel die plaatsvond in de vennootschap. Hij was de initiator van aan- en verkopen van panden en bezocht met ex-collega’s uit de slagerijbranche veilingen alwaar hij zelfstandig panden aankocht. Ook uit een brief van gemachtigde d.d. 6 oktober 1998 (blz. 3) blijkt dat belanghebbende goed op de hoogte was van de onroerendgoedmarkt. Het Hof acht het dan ook aannemelijk dat belanghebbendes vader op 30 december 1994, bij het aangaan van de koopvereenkomst, wist dat de onroerende zaken van Gerritsen Beheer B.V. aanzienlijk meer waard waren dan de bedragen waarvoor deze te boek stonden, en dat belanghebbendes vader zich dan ook bewust is geweest van de vermogensverschuiving die de desbetreffende overeenkomst teweegbracht.

6.5. Het Hof is tevens van oordeel dat belanghebbendes vader de bedoeling had om belanghebbende te bevoordelen. Dit leidt het Hof af uit de volgende omstandigheden. De koopovereenkomst werd op initiatief van de vader gesloten. De prijs kon in alle vrijheid tot stand komen en er was op geen enkele wijze sprake van enige druk die belanghebbendes vader ertoe dwong om met een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer genoegen te nemen. Dit leidt tot het oordeel dat de vermogensverschuiving zoals hiervoor vermeld, ook door belanghebbendes vader is gewild. Daarbij komt dat de wederpartij bij de koopovereenkomst geen willekeurige derde was, maar zijn zoon van 14 jaar, aan wie hij, blijkens uitlatingen in het controlerapport, de meerwaarden wilde doen toekomen.

6.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is en de bestreden uitspraak van de inspecteur moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Aangezien het Hof het beroep ongegrond heeft verklaard zijn er, behoudens bijzondere omstandigheden, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. In het onderhavige geval is evenwel sprake van een bijzondere omstandigheid. Door een communicatiefout binnen de belastingdienst kon de eerder geplande zitting op 21 maart 2003 geen doorgang vinden. Dit bericht bereikte gemachtigde eerst toen zij bij het gerechtsgebouw arriveerde. Deze omstandigheid noopt het Hof ertoe de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende te veroordelen, voor zover deze geacht kunnen worden voor die zitting te zijn gemaakt. Het Hof stelt het bedrag van die kosten met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures op ƒ 710, vermenigvuldigd met 1 punt voor proceshandelingen en met de factor 1,5 voor het gewicht van de zaak. Voorts gelden voor het berekenen van de vergoeding deze zaak en de onder 1.4 genoemde zaak met kenmerk 02/04165, als met elkaar samenhangende zaken. Het Hof zal in elk van deze beide zaken de helft van de vergoeding toekennen. In de onderwerpelijke zaak komt de vergoeding dan uit op de helft van ƒ 1.065, dat is ƒ 532,50 (€ 241,64).

8. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 241,64 en gelast de Staat dit bedrag aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 20 juni 2003 door mrs. Onnes, Steenbergen en Van Vijfeijken, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.