Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ6516

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
06-08-2004
Zaaknummer
01/90136
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inhoud van de brief van de inspecteur - waarin geen sprake is van voorwaarden waaraan niet is of niet meer wordt voldaan, noch van niet voldoen aan verplichtingen - behelst, anders dan in het hoofd is vermeld, geen intrekking van de BTI’s, doch houdt in dat deze naar de opvatting van de inspecteur in verband met de indelingsverordening hun geldigheid hebben verloren en dat belanghebbende nieuwe BTI’s kan aanvragen. Nu de inspecteur met de brief (slechts) zijn opvatting geeft met betrekking tot de geldigheid van de BTI’s en hij de BTI’s bij deze brief niet heeft ingetrokken, houdt deze brief geen beslissing in die voor belanghebbende rechtsgevolgen heeft. Bedoelde brief is mitsdien geen beschikking in de zin van artikel 4, lid 5, van het CDW. Derhalve kan deze brief evenmin op de voet van artikel 30a van de AWR worden aangemerkt als voor bezwaar vatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 01/90136 (voorheen: 0136/2001 TC)

de dato 21 januari 2003

1. De procedure

1.1. Op 21 mei 2001 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van A en B, verbonden aan C. Het beroepschrift werd ingediend namens de vennootschap naar Amerikaans recht D te Z (Y), belanghebbende. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict X (hierna: de inspecteur) van 9 april 2001, nummer …., waarbij belanghebbendes bezwaar tegen de ongeldigverklaring door de inspecteur van na te melden bindende tariefinlichtingen werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht geheven van f 450,--. De inspecteur heeft het beroepschrift bij verweerschrift bestreden.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) van 12 december 2002. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende de heren A en E, verbonden aan F, alsmede, namens de inspecteur, de heren G en H. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Douanekamer en aan de wederpartij. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer als tussen partijen niet in geschil of door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Op 2 juni 1995 heeft de douane onder nummers NL ... en NL ... twee bindende tariefinlichtingen aan belanghebbende verstrekt (hierna ook: de BTI’s). Het betrof feestballonnen “van kunststof, met een aluminiumcoating, in diverse vormen, met verschillende opdruk, afhankelijk van de gebeurtenis waarvoor het dient, zoals verjaardag, geboorte, valentijnsdag enz.”. De onder nummer NL ... verstrekte BTI had betrekking op vermelde ballonnen die eenmalig met lucht worden gevuld en daarna luchtdicht gesloten, de onder nummer NL ... gegeven BTI betrof ballonnen die eenmalig worden gevuld met helium en voorzien zijn van een afsluiter waardoor deze beveiligd zijn tegen gasverlies. Beide categorieën ballonnen zijn blijkens de respectievelijke BTI’s ingedeeld onder tariefpost 9505 90 00 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT). Tot de stukken van het geding behoort een monster van een ballon zoals die welke in geding is. Het bedoelde monster is aan beide zijden voorzien van de opdruk “Happy Birthday”.

2.2 Op 25 februari 2000 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschap (hierna: Commissie) indelingsverordening EG/442/2000 vastgesteld (hierna: de indelingsverordening). Op grond van artikel 1 van de indelingsverordening worden de goederen, omschreven in kolom 1 van de in de bijlage bij de indelingsverordening opgenomen tabel in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de corresponderende GN-code vermeld in kolom 2 van voornoemde tabel.

2.3. In bedoelde bijlage is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Omschrijving

(1) Indeling

GN-code

(2) Motivering

(3)

3. Ballons, van folie van kunstmatige plastische stof met een opgedampte laag aluminium. De folie van kunstmatige plastische stof vormt de buitenzijde. De ballons hebben een vulopening, die een ventiel in de vorm van een strip van kunststof bevat. Deze strip van kunststof sluit automatisch het in de ballon aanwezige gas luchtdicht af en voorkomt dat het gas ontsnapt. De ballons worden met gas (lucht of helium) gevuld 9503 90 32 De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2, onder v), op hoofdstuk 39, alsmede de tekst van de GN-codes 9503, 9503 90 en 9503 90 32.

Deze producten kunnen zijn bedrukt met verschillende motieven, die echter niet van invloed zijn op de indeling als speelgoedballon.

2.4. De indelingsverordening is gepubliceerd in Pb EG L54/33 van 26 februari 2000. Zij treedt, blijkens artikel 3 daarvan, in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, dat wil zeggen op 17 maart 2000.

2.5. Bij brief van 25 oktober 2000 is namens belanghebbende aan de inspecteur verzocht de onder 2.1 vermelde BTI’s in te trekken in het geval dat naar de mening van de inspecteur de indelingsverordening van toepassing was op de ballonnen waarvoor de BTI’s waren verstrekt.

2.6. Naar aanleiding van de onder 2.5 vermelde brief heeft de douane bij brief van 19 december 2000 met kenmerk …. belanghebbende geïnformeerd dat de beide bovengenoemde BTI’s met ingang van 17 maart 2000 hun geldigheid hebben verloren. In deze brief is, voor zover hier van belang, vermeld:

“Betreft: Intrekking bindende tariefinlichtingen

(…)

Met ingang van 17 maart 2000 zijn deze BTI’s niet meer geldig. Vanaf die datum mogen de BTI’s dus niet meer worden gebruikt bij de aangiften. De reden hiervoor is dat op 25 februari 2000 de Commissie in een indelingsverordening (..) heeft besloten de goederen anders in te delen.

Als u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u bij team 2 een bezwaarschrift indienen. (…).

Indien u dat wenst, kunt u bij ons nieuwe BTI’s aanvragen voor dezelfde producten. Uw aanvraag zal dan met voorrang behandeld worden (…)”.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de in geding zijnde BTI’s ongeldig heeft verklaard.

Belanghebbende staat indeling van de goederen conform de verstrekte BTI’s, onder post 9505 90 00 van het GDT voor. De inspecteur bepleit indeling van de goederen conform de indelingsverordening, onder post 9503 90 32 van het GDT.

3.2. De desbetreffende posten luiden als volgt:

Post 9503 90 32

“9503 Ander speelgoed; modellen op schaal en dergelijke modellen voor

ontspanning, ook indien bewegend; puzzels van alle soorten:

(…)

9503 90 - ander:

(…)

-- ander:

--- van kunststof:

9503 90 32 ---- zonder mechanisme.”

Post 9505 90 00

“9505 Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen,

benodigdheden voor het goochelen en fop- en schertsartikelen daaronder begrepen:

(…)

9505 90 00 - andere.”

GS-Toelichting post 9503

“Deze post omvat speelgoed dat hoofdzakelijk is bestemd voor het vermaak van personen (kinderen en volwassenen). (..) Onder deze post vallen onder meer:

A. alle speelgoed dat niet is bedoeld bij de posten 95.01 en 95.02. Het kan voorzien zijn van een motor (mechanische, elektrische of andere).

Hiervan kunnen worden genoemd:

(…)

6. ballons en vliegers, andere dan bedoeld bij post 88.01 (onder die post vallen luchtballons en luchtschepen; Douanekamer);

(…).”.

GS-Toelichting post 9505

Deze post omvat:

A. feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen die, in verband met hun gebruik, veelal van eenvoudige en weinig sterke makelij zijn. van deze artikelen kunnen worden genoemd:

(…)

4. vermaakartikelen en andere: ballen, confetti, serpentines (..)

3.3. De algemene indelingsregels 1, 3, aanhef en onderdelen a en c luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.

3. Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2b of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:

a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. (…)

c) in de gevallen waarin indeling aan de hand van het bepaalde onder 3a en 3b niet mogelijk is, wordt van verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatste geplaatst is.”

Algemene indelingsregel 6, ten slotte, bepaalt dat hetgeen in de indelingsregels 1 tot en met 5 is neergelegd, ook van toepassing is voor de indeling van goederen binnen één post.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de in de BTI’s bedoelde ballonnen met toepassing van de algemene indelingsregels moeten worden ingedeeld in tariefpost 9505 90 00. Subsidiair meent belanghebbende dat de Commissie met de indelingsverordening is afgeweken van de algemene indelingsregeling, hetgeen tot gevolg heeft dat de indelingsverordening (door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen) ongeldig moet worden verklaard. Meer subsidiair is belanghebbende van mening dat de in de BTI’s bedoelde ballonnen niet onder de werking van de indelingsverordening kunnen worden gebracht.

4.2. Belanghebbende doet haar standpunten steunen op de gronden die zij daartoe heeft aangevoerd in de van haar afkomstige stukken, daaronder begrepen de onder 1 vermelde pleitnota.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan nog het volgende toegevoegd. De vulopening van de ballonnen waarop de in geding zijnde BTI’s betrekking hebben, bevat een ventiel in de vorm van een strip van kunststof. De ballonnen worden veel verkocht via bloemenzaken, postkantoren en dergelijke. De prijs is ongeveer € 4. Het is niet de bedoeling dat ter gelegenheid van de op de ballon genoemde feestdag vele ballonnen als die welke in geding zijn de kamer sieren, zoals bij “gewone” ballonnen wel gebeurt. De ballonnen hangen stil. Het is niet mogelijk er bijvoorbeeld mee over te gooien. Het financiële belang van de zaak kan hier niet precies worden gegeven. Voor heel Europa ging het om enkele miljoenen guldens aan douanerechten.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De inspecteur is de opvatting toegedaan dat de ballonnen waarvoor de BTI’s zijn verstrekt onder de omschrijving vallen van de in de indelingsverordening beschreven ballonnen en dat deze indelingsverordening niet in strijd is met de algemene indelingsregels. Naar de mening van de inspecteur dienen de ballonnen in post 9503 te worden ingedeeld. Naar zijn oordeel heeft hij terecht de BTI’s ingetrokken.

5.2. De inspecteur doet zijn evenvermelde standpunt steunen op de gronden die hij daartoe heeft aangevoerd in de van hem afkomstige stukken, waaronder begrepen de pleitnota, als vermeld onder 1.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur daaraan nog het volgende toegevoegd: Ten tijde van de afgifte van de BTI’s was ik de mening toegedaan dat de onderhavige ballonnen als feestartikel konden worden aangemerkt, ondanks het gegeven dat ook destijds in de GS-toelichting op post 9503 ballonnen waren vermeld.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Krachtens artikel 243 van het Communautair Douanewetboek (tekst 2000; hierna: CDW) heeft iedere persoon het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken. Onder “beschikking” moet in dit verband worden verstaan elke administratieve beslissing verband houdend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft. De Douanekamer verwijst te dezen naar artikel 4, lid 5, van het CDW. Een BTI is, naar in vermeld artikel 4, lid 5 is aangegeven, een beschikking in de zin van het CDW.

6.2. Blijkens het tweede lid van artikel 243 van het CDW kan het recht op beroep worden uitgeoefend in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de lidstaten aangewezen douaneautoriteit. In artikel 23, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat hij die bezwaar heeft tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, een bezwaarschrift kan indienen. Daarbij heeft op de voet van artikel 30a van de AWR te gelden dat een beslissing die door de inspecteur is genomen op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet voor bezwaar vatbaar is, indien deze is aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

6.3. Op grond van artikel 12, lid 5, aanhef en onderdeel a van het CDW verliest een BTI haar geldigheid wanneer zij - voorzover hier van belang -:

i. ten gevolge van de vaststelling van een verordening niet meer met het aldus vastgestelde recht in overeenstemming is;

iii. overeenkomstig artikel 9 wordt ingetrokken of gewijzigd en mits aan de verkrijger van de inlichting daarvan kennis wordt gegeven.

6.4. In artikel 9, leden 1 en 2, van het CDW, is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

“1. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien in andere dan de in artikel 8 genoemde gevallen, aan een of meer daaraan verbonden voorwaarden niet is of niet meer wordt voldaan.

2. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking kan worden ingetrokken wanneer degene tot wie zij is gericht niet voldoet aan een verplichting die, in voorkomend geval, ingevolge deze beschikking op hem rust.”

6.5. De inhoud van de onder 2.6 weergegeven brief van de inspecteur - waarin geen sprake is van voorwaarden waaraan niet is of niet meer wordt voldaan, noch van niet voldoen aan verplichtingen - behelst, anders dan in het hoofd is vermeld, geen intrekking van de BTI’s, doch houdt in dat deze naar de opvatting van de inspecteur in verband met de indelingsverordening hun geldigheid hebben verloren en dat belanghebbende nieuwe BTI’s kan aanvragen.

6.6. Nu, zoals onder 6.5 overwogen, de inspecteur bij zijn onder 2.6 aangehaalde brief van 19 december 2000 (slechts) zijn opvatting geeft met betrekking tot de geldigheid van de BTI’s en hij de BTI’s bij deze brief niet heeft ingetrokken, houdt deze brief geen beslissing in die voor belanghebbende rechtsgevolgen heeft. Bedoelde brief is mitsdien geen beschikking in de zin van artikel 4, lid 5, van het CDW. Derhalve kan deze brief evenmin op de voet van artikel 30a van de AWR worden aangemerkt als voor bezwaar vatbaar.

6.7. Gelet op het onder 6.6 gegeven oordeel kan in het midden blijven of intrekking van een BTI, welke op grond van artikel 12, lid 5, aanhef en onderdeel a, onder i., van het CDW (aangehaald onder 6.3), haar geldigheid reeds heeft verloren, nog aan de orde kan zijn.

6.8. Aan het onder 6.6 gegeven oordeel doet niet af dat belanghebbende in haar onder 2.5 vermelde brief aan de inspecteur verzocht heeft een beschikking af te geven. Een dergelijk verzoek maakt immers de reactie daarop niet tot een beschikking in de zin van artikel 4, lid 5, van het CDW.

6.9. Uit al het vorenstaande volgt dat het onderhavige bezwaar rechtens niet mogelijk was, en dat het derhalve alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

8. De beslissing

De Douanekamer:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

? verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar;

? gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad ƒ 450,-- (€ 218) aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen op 21 januari 2003 door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, M.E. van Hilten en Th.J.G. van Berkum, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.