Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ5254

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
26-07-2004
Zaaknummer
01/03220
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In art. 848 UCDW is niet voorzien in een zo dwingende bewijsvoering om de status van “terugkerende goederen” aan te tonen, zoals de inspecteur die in zijn stukken naar voren heeft gebracht. Van particuliere reizigers kan niet worden verlangd, dat zij - wat dit punt betreft - van alle goederen die zij bezitten en die zich lenen om op reis te worden meegenomen tot in lengte van jaren bewijs-stukken bewaren. Bij particulieren dient als doel voorop te staan dat het reizen niet ernstig moet worden belemmerd, en dat de bewijslast ten aanzien van de status van goederen, die op het eerste gezicht niet voor handelsdoeleinden zijn bestemd, en die naar algemeen gebruik tot een normale bagage of tot een normale dracht gerekend mogen worden, niet primair op de reiziger moet drukken. Vanzelfsprekend dient de reiziger aan te geven dat het om terugkerende goederen gaat, waartoe ook het passeren van de “groene doorgang”, die belanghebbende in casu volgde, gerekend kan worden. Slechts bij gerede twijfel omtrent de juistheid van de aangifte en aan de hand van objectieve criteria kunnen de douaneautoriteiten die aangifte voorshands niet volgen, en van belanghebbende nader bewijs verlangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 01/03220 DK

de dato 11 december 2003

1. De procedure

1.1. Op 27 september 2001 is bij het Gerechtshof te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van Y te Amsterdam, belanghebbende. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Hoofddorp (hierna: de inspecteur) van 16 augustus 2001, kenmerk …….., waarbij het bezwaar tegen het in de uitnodiging tot betaling van 22 oktober 2000, nummer ……, vermelde bedrag van f 6.226,-- aan omzetbelasting, werd afgewezen

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van f 225,--. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) bevoegd ten aanzien van de met voornoemde op de uitnodiging tot betaling gevorderde omzetbelasting.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de enkelvoudige kamer van de Douanekamer van 25 juni 2002. Namens de inspecteur is toen verschenen mr. A. Belanghebbende, bij aangetekende brief van 29 mei 2002 op de hoogte gesteld, van plaats, dag en uur van de zitting, is niet verschenen.

1.5. Na de sub 1.4. genoemde zitting is gebleken dat de voornoemde oproeping belanghebbende niet heeft bereikt. Daarop zijn partijen opnieuw opgeroepen voor een mondelinge behandeling van de zaak, welke op 9 december 2003 heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn toen verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde mr. B, alsmede, namens de inspecteur, mr. C en D.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 16 juli 2000 is belanghebbende, woonachtig in Nederland, met het vliegtuig rechtstreeks vanuit Turkije op de luchthaven Schiphol in Nederland aangekomen. In de aankomsthal op de luchthaven is hij de zogeheten groene doorgang gepasseerd, waarna een douaneambtenaar de goederen, die hij bij zich had, heeft gecontroleerd. Bij deze controle zijn twee horloges opgemerkt, te weten om zijn pols een horloge van het merk Brequet, type XX, nr. 47536, en in zijn koffer een gouden horloge van het merk Raymond Weil, type Parsifal, groot model. De douane-ambtenaar heeft belanghebbende daarop in de gelegenheid gesteld van de horloges de aankoopfacturen over te leggen. In afwachting daarvan zijn de horloges door de douane in bewaring genomen, waarvoor een bewijs van inbewaringneming van goederen, nummer ..., is afgegeven.

2.2. Op 20 juli 2000 heeft belanghebbende twee schriftelijke verklaringen, genummerd ... en ..., overgelegd van juwelier L te Amsterdam, waarin een geschatte waarde is opgegeven voor elk van beide horloges. Een horloge, omschreven als ‘Raymond Weil, Parsifal goudbriljant, groot model’, wordt in verklaring nummer ... van 18 december 1998 geschat op een waarde van f 32.000,--. Een ‘gouden horloge, Brequet, type XX, no. 47536’ wordt in verklaring ... van 25 mei 1999 op een waarde van f 17.500,-- geschat. Na ontvangst van deze verklaringen heeft een douaneambtenaar de horloges aan belanghebbende teruggegeven en verklaard dat de zaak hiermee als afgedaan kon worden beschouwd.

2.3. Op 27 augustus 2000 heeft de douane een brief aan belanghebbende gezonden, waarin wordt medegedeeld dat de overgelegde taxatieverklaringen niet toereikend zijn om de herkomst uit het vrije verkeer aan te tonen. Belanghebbende wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen de aankoopfacturen over te leggen. Belanghebbende heeft daarop op 15 september 2000 meegedeeld dat hij van mening is, dat door de vrijgave van de goederen de zaak is afgedaan en dat een heropening daarvan niet op zijn plaats is.

2.4. Op 22 oktober 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling uitgereikt voor een bedrag van in totaal f 6.226,-- (€ 2.825,24) aan omzetbelasting. De verschuldigde omzetbelasting (tarief van 17,5 %) is voor het horloge, merk Raymond Weil, berekend over een douanewaarde van f 10.000,--. Voor het horloge, merk Brequet, is de douanewaarde bepaald op f 25.577,--.

3. Het geschil

Primair is in geding het antwoord op de vraag of ter zake van de invoer van de onderhavige goederen de zogeheten vrijstelling voor “terugkerende goederen” als bedoeld in artikel 185, lid 1, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) juncto artikel 21, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) van toepassing is, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt. Subsidiair is in geding of de heffing van omzetbelasting in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Meer subsidiair is in geding het antwoord op de vraag of de douanewaarde van de horloges juist is vastgesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De horloges zijn al eerder in het douanegebied van de Europese Gemeenschap geweest. Het is niet vreemd dat er twee horloges aanwezig waren. Belanghebbende is gecharmeerd van dit soort horloges en wisselt deze graag af. De horloges zijn tweedehands in Nederland gekocht en contant betaald. De originele aankoopnota’s zijn niet meer te vinden. Voor tweedehands horloges worden geen garantiebewijzen afgegeven. Degene van wie beide horloges zijn gekocht, de heer J., heeft een schriftelijke verklaring afgelegd over de gang van zaken. Zijn verklaring is als bijlage bij het beroepschrift gevoegd. Hij heeft goede connecties in de Antwerpse juwelierswereld en heeft de horloges vanuit die wereld aangeboden gekregen. Het horloge Raymond Weil is in november 1998 via de heer J, gekocht bij een juwelier in Antwerpen voor f 9.500. Belanghebbende heeft dit bedrag contant voldaan aan de heer J, die daarop de juwelier in Antwerpen heeft betaald. Ten bewijze daarvan wordt een certificaat, nummer ..., van G te Antwerpen overgelegd. De juwelier L te Amsterdam heeft het horloge naderhand getaxeerd op f 32.000,--. Het horloge van het merk Brequet is medio 1999 door de heer J aangeboden. Het is eind mei 1999 getaxeerd op f 17.500,--. Begin december 1999 heeft belanghebbende het horloge gekocht voor f 11.000,--, de prijs die is betaald aan de Antwerpse juwelier. Ten bewijze daarvan wordt een certificaat, nummer ..., van G te Antwerpen overgelegd.

4.2. De douaneambtenaar op Schiphol heeft de goederen op 20 juli 2000 meegegeven en gezegd dat ‘hiermee de zaak was afgedaan’. Terugkomen op deze mededeling is in strijd met het vertrouwensbeginsel.

4.3. De waarde van de horloges moet worden vastgesteld op de door mij betaalde aankoopprijzen, te weten f 9.500,-- respectievelijk f 11.000,--.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat horloges van het merk Brequet vóór het jaar 2002 niet verkocht werden in Turkije. Dit heeft hij ook destijds aan de controlerende douaneambtenaar medegedeeld. De valsheid van de onder 4.1 vermelde certificaten kan belanghebbende niet worden tegengeworpen Hij heeft de horloges van de heer J gekocht en is afgegaan op diens verklaring. De certificaten heeft hij van de heer J gekregen; hij is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de opmaak van deze certificaten. Het gaat om horloges die voornamelijk voor een verzameling worden aangeschaft. De markt voor dit soort horloges is klein. De prijs is afhankelijk van vraag en aanbod en kan in korte tijd behoorlijk fluctueren.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De vrijstelling voor terugkerende goederen kan worden verleend, indien komt vast te staan dat de goederen zich tijdens de uitvoer uit het douanegebied van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer bevonden dan wel dat voor goederen afkomstig uit derde landen de verschuldigde rechten reeds zijn voldaan. Als bewijsstukken moeten worden overgelegd:

- een inkoopfactuur van een in de Europese Gemeenschap gevestigde handelaar,

- een kwitantie van de bij invoer betaalde rechten,

- een bewijs dat de goederen eerder bij de douane zijn aangegeven.

Het niet overleggen van een van deze bewijsstukken leidt tot heffing van de rechten. Belanghebbende heeft het gevraagde bewijs niet geleverd. De taxatierapporten zijn niet voldoende om de herkomst aan te tonen. De horloges zijn contant gekocht, er is derhalve geen creditcardafschrift of bankafschrift voorhanden. Op de certificaten die belanghebbende heeft overgelegd staat niet aan wie de horloges zijn verkocht. Belanghebbende kan de aankoopnota’s niet vinden. Pas in het beroepschrift deelt belanghebbende mee dat hij de goederen niet zelf heeft gekocht in Antwerpen, maar via de heer J. Deze heeft van de oorspronkelijke leverancier te Antwerpen de certificaten kunnen bemachtigen. Naar aanleiding van deze certificaten is telefonisch contact geweest met G te Antwerpen. De heer X van G heeft desgevraagd meegedeeld dat hij deze horloges niet heeft verkocht, dat het handschrift van de aan hem ter controle gefaxte verklaringen niet van hem is, en dat hij de heer J niet kent. Op 28 februari 2002 heeft de heer X het voorgaande schriftelijk bevestigd.

5.2. Door de groene doorgang te kiezen heeft belanghebbende kenbaar gemaakt geen belaste goederen bij zich te hebben. Op grond van artikel 78 CDW mogen de douaneautoriteiten achteraf, dat wil zeggen na de vrijgave van de goederen, controles instellen Als uit deze controles volgt dat de betrokken regeling niet juist is toegepast, moeten de douaneautoriteiten de nodige maatregelen nemen om de onjuistheid weg te nemen. Hieronder wordt onder andere verstaan de “boeking achteraf”op grond van de artikelen 220 en 221 CDW juncto artikel 868 tot en met 876 Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW). In deze zaak was het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit de douaneschuld niet geboekt, terwijl de wettelijke bepalingen wel voorzien in een boeking. Met deze boeking achteraf wordt geen gewekt vertrouwen geschonden.

5.3. De douanewaarde is vastgesteld op grond van artikel 31 CDW. Gelet op de gebreken, die kleven aan de door belanghebbende overgelegde bewijsmiddelen, kunnen deze niet dienen als bewijs voor een afwijkende douanewaarde. Belanghebbende heeft ook niet anderszins aangetoond dat de douanewaarde onjuist is vastgesteld.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat in het algemeen bij binnenkomst van goederen in het douanegebied van de EG op de reiziger de bewijslast rust van het communautaire karakter van goederen. De douane vraagt in het algemeen alleen dan om bewijsstukken als het gaat om relatief nieuwe goederen of in gevallen waarin gerede twijfel bestaat over het (voorheen) communautaire karakter van de goederen. Deze twijfel kan gelegen zijn in verschillende omstandigheden. Door belanghebbende zijn vanaf het moment van de invoer en daarna tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

De overgelegde bewijsstukken zijn op hun merites beoordeeld. Het is niet zeker dat de taxatierapporten van de Amsterdamse juwelier L betrekking hebben op de onderhavige horloges. Bovendien tonen deze niet aan dat voor de goederen bij een eerdere binnenkomst in de EG invoerformaliteiten zijn vervuld en de verschuldigde heffingen zijn voldaan. De certificaten van de Antwerpse juwelier zijn valselijk opgemaakt en kunnen niet als bewijs dienen. Gelet op het voorgaande werd terecht van deze belanghebbende nader bewijs gevraagd, welk bewijs tot op heden niet genoegzaam is geleverd. Dat de horloges aanvankelijk zonder heffing van omzetbelasting aan de belanghebbende zijn gegeven was een vergissing van de douane, een vergissing overigens die belanghebbende redelijkerwijs kon ontdekken, zodat aan de voorwaarden voor het afzien van de navordering niet is voldaan.

Voorts heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat het horloge van het merk Weil sporen van gebruik vertoonde. De douanewaarde voor dit horloge is bepaald op basis van de hier te lande door de importeur van dit merk gehanteerde consumentenverkoopprijs voor een vergelijkbaar horloge. Na aftrek van een in de voorschriften vastgesteld forfaitair percentage van 40 % is de waarde voor dit horloge vastgesteld op f 10.000,--. Het percentage van 40 % wordt geacht een correctie te zijn voor elementen in de prijs, die voor de douanewaarde niet mogen meetellen zoals de kosten van binnenlands vervoer, de bij invoer betaalde belastingen, de in de consumentenprijs begrepen omzetbelasting, de waardevermindering in verband met de ouderdom en andere elementen. Het horloge van het merk Brequet had minder sporen van gebruik. Op basis van welke gegevens de douanewaarde van dat horloge is bepaald, is de inspecteur niet bekend.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van artikel 185, lid 1, CDW worden communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht en binnen een termijn van drie jaar in het vrije verkeer worden gebracht, op verzoek van de belanghebbende van rechten bij invoer vrijgesteld. Met overeenkomstige toepassing van deze bepaling bestaat ingevolge artikel 21, lid 1, onderdeel a, Wet OB juncto artikel 100 Douaneregeling aanspraak op vrijstelling voor de omzetbelasting bij invoer.

6.2. In artikel 848 UCDW is niet voorzien in een zo dwingende bewijsvoering om de status van “terugkerende goederen” aan te tonen, zoals de inspecteur die in zijn stukken naar voren heeft gebracht. Van particuliere reizigers kan niet worden verlangd, dat zij - wat dit punt betreft - van alle goederen die zij bezitten en die zich lenen om op reis te worden meegenomen tot in lengte van jaren bewijs-stukken bewaren.

6.3. Bij particulieren dient als doel voorop te staan dat het reizen niet ernstig moet worden belemmerd, en dat de bewijslast ten aanzien van de status van goederen, die op het eerste gezicht niet voor handelsdoeleinden zijn bestemd, en die naar algemeen gebruik tot een normale bagage of tot een normale dracht gerekend mogen worden, niet primair op de reiziger moet drukken. Vanzelfsprekend dient de reiziger aan te geven dat het om terugkerende goederen gaat, waartoe ook het passeren van de “groene doorgang”, die belanghebbende in casu volgde, gerekend kan worden. Slechts bij gerede twijfel omtrent de juistheid van de aangifte en aan de hand van objectieve criteria kunnen de douaneautoriteiten die aangifte voorshands niet volgen, en van belanghebbende nader bewijs verlangen.

6.4. In casu hebben de douaneautoriteiten op geen enkele wijze aangegeven dat een toetsing aan objectieve criteria - zoals bijvoorbeeld de aard van de goederen, een redelijke hoeveelheid voor een reiziger, het doel van de reis en sporen van gebruik - toch als gevolg zou moeten hebben dat de aangifte en de nadere verklaringen van belanghebbende terzijde moeten worden gesteld. De inspecteur heeft de reeds bij het doen van de aangifte ingenomen stelling van belanghebbende dat beide horloges gebruikt waren, min of meer als vaststaand feit erkend.

6.5. Gelet op alle feiten en omstandigheden en met inachtneming van het vorenoverwogene, komt de Douanekamer tot het oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om aan de aangifte en de in dat kader bij de douane afgelegde verklaring van belanghebbende te twijfelen. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat de litigieuze goederen “terugkerende goederen” zijn, die op 16 juli 2000 van omzetbelasting bij invoer waren vrijgesteld.

6.6. De certificaten die door de heer J (sub 4.1.) zijn uitgereikt en die door de inspecteur - na onderzoek – als vals zijn bestempeld, kunnen aan het voorgaande oordeel niet afdoen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende met de onregelmatige totstandkoming van deze stukken iets van doen heeft gehad; zij laten bovendien alleen de wijze van verkrijging van de horloges door de heer J in het ongewisse, maar tasten op zichzelf het bestaan van de koopovereenkomst tussen de heren J en Y niet aan.

6.7. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is en dat de uitspraak, waarvan beroep, en de uitnodiging tot betaling moeten worden vernietigd. De overige geschilpunten (sub 3 als subsidiair en meer subsidiair aangeduid) behoeven geen behandeling.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 1 (verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 483,--.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 483,--, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 102,10 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen op 11 december 2003 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. M.E. van Hilten en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S Hesselink, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.