Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AQ4459

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2003
Datum publicatie
21-07-2004
Zaaknummer
01/90118
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AU8190, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AU8190
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes primaire stelling dat de inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige uitnodiging tot betaling op 5 februari 1998 een zodanig ondeugdelijk motivering zou hebben gegeven en zodanig onzorgvuldig zou hebben gehandeld dat de uitnodiging dient te worden vernietigd, faalt. Belanghebbendes subsidiaire stelling, inhoudende dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en dat sprake is van een vergissing door de douane-autoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken, wordt ook verworpen. Met betrekking tot anti-dumpingheffingen overweegt het Hof dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat in de transactieprijs elementen als bedoeld in artikel 33, letter f, van het CDW zijn begrepen, die geen deel van de douanewaarde uitmaken. Een en ander geldt ook ten aanzien van de heffing van omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. DK 01/90118 en nr. 03/01535

de dato 10 november 2003.

1. De procedure

1.1. Op 20 april 2001 is een beroepschrift ingekomen bij de Tariefcommissie te Amsterdam van A en B van C te Z (thans D te Z), ingediend namens de besloten vennootschap E B.V. te Y, belanghebbende, en aangevuld bij brief van 11 juli 2001. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Douanedistrict F (hierna: de inspecteur) van 6 april 2001, kenmerk ……, inzake het bezwaarschrift van belanghebbende van 9 februari 1998 tegen de uitnodiging tot betaling van 5 februari 1998, voor een bedrag van ? 1.042.669,70 aan douanerechten en ? 4.980.583,10 aan omzetbelasting. Na bezwaar is de uitnodiging tot betaling bij de bestreden uitspraak verminderd tot ? 938.402,80 aan douanerechten en ? 4.482.484,30 aan omzetbelasting.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van ? 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. Op 26 april 2001 bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch een beroepschrift ingekomen tegen de onder 1.1. bedoelde uitspraak van de inspecteur, voor zover deze de omzetbelasting betreft. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 11 juli 2001.

1.5. Op grond van de onder 1.3. vermelde wet is de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam sedert 1 januari 2002 tevens bevoegd ten aanzien van de uitnodiging tot betaling van omzetbelasting die mede was vermeld op het sub 1.1. vermelde aanslagbiljet. Het beroep ter zake was op 1 januari 2002 nog in behandeling bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Op 20 maart 2003 is de behandeling daarvan onder nr. 03/01535 door de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam overgenomen.

1.6. De mondelinge behandeling van het beroep in beide zaken heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam op 15 september 2003. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende A en B alsmede namens de inspecteur drs. G. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, een douane-expediteur, heeft, onder meer in de periode 6 februari 1995 tot en met 1 november 1995 in opdracht van H B.V. i.o. (hierna: H), aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor geheugenmodules voor computers (zogenoemde SIMM’s/DRAM’s).

2.2. Blijkens een verslag van 20 mei 1997 van de Belastingdienst FIOD/INFO Vestiging I hebben medewerkers van de Centrale Vestiging Informatie en de Centrale Vestiging Opsporing van de FIOD “in 1995 en 1996 een project uitgevoerd inzake negatieve aangiften omzetbelasting van bedrijven die handelen in SIMM’s en overige computerbenodigdheden”. In dit kader zijn onder meer gegevens verzameld bij H, een onderneming gedreven door J. Naar aanleiding van een melding van evengenoemde Centrale Vestigingen van de FIOD is er vervolgens door de Belastingdienst/FIOD vestiging K, locatie L, een onderzoek ingesteld inzake de ten behoeve van H ingevoerde geheugenmodules. In het verslag van 20 mei 1997 is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“Gezien van de woonplaats van J werd het onderzoek overgedragen aan de FIOD, vestiging I. Van onze collega’s van Amsterdam ontving ik een historisch overzicht per 28-12-1995 inzake geadresseerde (…) met daarop de afgewerkte aangiten ten invoer over de periode 1-1-1994 tot en met 1-12-1995, drie originele aangiften ten invoer met bijlagen (nrs. (…) (d.d. 2-1-95), (…) (d.d. 9-1-95) en -711465 (d.d. 27-1-95) alsmede 5 Simms die als monster voor waardeonderzoek bij het aanbieden van de aangifte …… waren ingenomen. (…) Op de bij de drie aangiften ten invoer gevoegde fakturen stond als unitprice een bedrag ad $. 1,27 per Simm. De douane M (expertiseteam) beschikte inmiddels over een apparaat waarmee van Simm-modules het geheugen en de snelheid kon worden vastgesteld. De monsters heb ik laten testen, met als resultaat dat drie van de vijf monsters een geheugen gaven van respectievelijk 1 mb, 1mb en 8 mb (waarde in 1995 respectievelijk ?.62,- en ?.479,- per Simm).Van de twee andere monsters kon geen waarde worden bepaald.”

2.3. Met dagtekening 5 februari 1998 is aan belanghebbende de onder 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan. Op deze uitnodiging staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Het betreft een navordering voor invoer van SIMMS voor H B.V. i.o. in de periode vanaf 060295 tot 011195, waarvoor bij invoer onjuiste facturen zijn overgelegd. De invoeraangiften zijn gedaan middels de maandaangiften van E over de betreffende periode. Het bedrag is gebaseerd op de voorlopige onderzoeksresultaten van de FIOD, vestiging I. Het definitieve rapport wordt later uitgebracht. De uitnodiging tot betaling is desalnietemin nu reeds opgelegd ter behoud van rechten (verlopen van de navorderingstermijn).

Motivering

De navordering wordt opgelegd op grond van de artikelen 221 en 201 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad, juncto art. 22a van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.”

2.4. Bij brief van 9 februari 1998 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de onder 2.3. genoemde uitnodiging tot betaling en verzocht om zo spoedig mogelijke toezending van het rapport inzake het FIOD onderzoek.

2.5. Op 5 juni 1998 zijn aan belanghebbende afschriften van de bijlagen die behoren bij het voorlopige FIOD rapport toegezonden. Op deze bijlagen staan vermeld een opgave van de facturen van de Amerikaanse leveranciers aan H voor de geheugenmodules, de data van de facturen en de in rekening gebrachte bedragen, alsmede een berekening van de verschuldigde belastingbedragen zoals die is gemaakt door de douane aan de hand van het FIOD rapport. Voorts is aan belanghebbende verstrekt een weergave, opgemaakt door de inspecteur, van de modus operandi in de zaak H.

2.6. Het definitieve FIOD rapport is opgemaakt op 30 juni 1998. Belanghebbende heeft dit rapport op 11 mei 1999 ontvangen. Bijlage D/398 van het FIOD rapport bevat een genummerd overzicht waarop (onder meer) vermeld de factuurdata, afzenders, goederen, hoeveelheden, stuksprijzen, factuurprijzen alsmede de gecorrigeerde factuurprijzen en op basis daarvan herberekende douanewaarden, waarden voor de omzetbelasting en de verschuldigde belastingbedragen. Tevens zijn als bijlagen bij dit rapport een aantal bescheiden opgenomen inzake een door belanghebbende op 14 december 1994 gedane aangifte ten invoer van geheugenmodules ten behoeve van H en een door N B.V. op 2 januari 1995 gedane aangifte ten invoer van geheugenmodules ten behoeve van H. Op de “definitieve mededeling afhandeling aangifte” inzake de door belanghebbende op 14 december 1994 gedane aangifte is onder meer het volgende vermeld:

“Mededeling Beeindigde verificatie

(…)

Verificatie mededelingen.

(…)

Wijze van controle : Verificatie a.h.v. bescheiden zonder wegvoering

Uitslag van de controle : Conform

Bevindingen : FACTUUR ”

2.7. Het Landelijk Waardeteam van de Belastingdienst heeft, naar aanleiding van het bezwaarschrift van belanghebbende, een onderzoek ingesteld inzake de douanewaarde van de door belanghebbende ten invoer aangegeven goederen. Ter zake van dit onderzoek en de gevolgen van het standpunt van het Landelijk Waardeteam heeft de inspecteur aan belanghebbende in de brief met dagtekening 22 januari 2001, het volgende bericht:

“1.1. Bevindingen Landelijk Waardeteam

(…)

Zoals uit het dossier blijkt is de procedure zo dat voor de goederen die vanuit Amerika worden verzonden door O een factuur wordt gestuurd aan H. Bij levering van de goederen aan de afnemers wordt er door H een factuur gestuurd aan de betreffende afnemer. (…)

1.3 Vaststelling douanewaarde

Bij de aangiften ten invoer is, voor bepalen van de douanewaarde, gekozen voor de methode van de transactiewaarde in de zin van art 29 CDW. De transactie die hierbij is gebruikt is de transactie tussen O en H. Uit de ter beschikking staande stukken is echter gebleken dat de transactie O en H geen echte transactie is in de zin van art. 29 CDW omdat H geen eigenaar wordt van de goederen. Feitelijke is gekozen voor de transactie O, weliswaar via H, en de uiteindelijke afnemers P of Q. (…)

1.4 Berekening dounaewaarde

Als gevolg van het gewijzigde inzicht dat niet de transactie tussen O en H als basis genomen kan worden voor de berekening van de douanewaarde, maar de transactie tussen O en de afnemers (…) dient een herrekening van de uitnodiging tot betaling plaats te vinden. (…) Een en ander heb ik in onderstaand schema verwerkt:

Oud Nieuw

Invoerrechten Fl. 1.042.669,70 Fl. 938.402,80

Omzetbelasting Fl. 4.980.538,10 Fl. 4.482.484,30

Totaal Fl. 6.023.207,80 Fl. 5.420.887,10

(…)”

2.8. Blijkens het verslag van het hoorgesprek op 12 februari 2001 heeft belanghebbende tijdens dit gesprek, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat bij het bepalen van de douanewaarde, gelet op artikel 33 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW), op de transactieprijs de verschuldigde rechten bij invoer waaronder begrepen antidumpingrechten, in mindering moeten worden gebracht. Belanghebbende heeft in dit verband bij brief van 21 maart 2001 een stuk overgelegd waarop onder meer het volgende staat vermeld:

- “ 23/03/95 23:52

(…)

PAKKET BEKEKEN MET DE

DOUANE SPECIFIKATIE PRINTPLAATJE MET 8 IC’S MET DE VOLGENDE CODERING: “PANASONIC JAPAN MN (…)

MADE IN TW ZENDING VRIJGEGEVEN (…)”

2.9. Bij uitspraak van 6 april 2001 heeft de inspecteur het bedrag waar de uitnodiging tot betaling op ziet verminderd conform hetgeen hij in de onder 2.7. vermelde brief van 22 januari 2001 dienaangaande aan belanghebbende heeft meegedeeld.

3. Het geschil

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen:

i. dient de uitnodiging tot betaling te worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek?

ii. zo nee, is er sprake van een vergissing dan wel tekortkoming van de douane-autoriteiten die in de weg staat aan boeking achteraf?

iii. zo nee, dient voor het vaststellen van de douanewaarde van de ingevoerde goederen de transactiewaarde te worden verminderd met anti-dumpingheffingen?

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de handelwijze van de inspecteur bij het vaststellen en uitreiken van de uitnodiging tot betaling strijdig is met het motiveringsbeginsel zoals dit is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. De uitnodiging tot betaling was niet voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Door geen onderbouwing te geven heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De op 5 juni 1998 overgelegde berekeningen uit het voorlopige FIOD rapport voldoen in dit verband niet. Bovendien heeft de inspecteur nagelaten per aangifteregel aan te geven waar de navordering van de verschuldigde rechten betrekking op heeft. De onderhavige uitnodiging tot betaling kan daarom niet in stand blijven.

4.2. Belanghebbendes subsidiaire stelling houdt in dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en dat sprake is van een vergissing door de douane-autoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken. Boeking achteraf is alsdan gelet op artikel 220, tweede lid, letter b, van de het CDW niet mogelijk. Ter onderbouwing van deze stelling voert belanghebbende het volgende aan. De douane-autoriteiten hebben de aangifte van belanghebbende van 14 december 1994 gecontroleerd en vervolgens geaccepteerd. In totaal hebben de douane-autoriteiten negen zendingen daadwerkelijk gecontroleerd en geaccepteerd. Op 2 januari 1995 heeft een andere douane-expediteur een partij SIMM’s/DRAM’s ten invoer aangegeven. De douane-autoriteiten hebben toen reeds een waarde-onderzoek gestart. Ten eerste mocht belanghebbende aan de controles van de douane-autoriteiten het vertrouwen ontlenen dat de douanewaarde juist werd aangegeven. Ten tweede hadden de douane-autoriteiten belanghebbende moeten informeren dat er gegronde twijfels bestonden inzake de aangegeven waarde van de onderhavige goederen. Belanghebbende was dan in de gelegenheid geweest maatregelen te nemen ten opzichte van H om haar positie te beschermen. Belanghebbende verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1996, nr. 30 878 (V-N 1996/2901 pt. 25).

4.3. Belanghebbende stelt zich tot slot op het standpunt dat bij het berekenen van de douanewaarde ten onrechte geen rekening is gehouden met anti-dumpingheffingen. De inspecteur gaat voor de berekening van de douanewaarde uit van de verkoopprijzen van O aan de uiteindelijke afnemers. Op de aldus bepaalde transactieprijs dienen gelet op artikel 33 van het CDW anti-dumpingheffingen in mindering te worden gebracht. De onderhavige goederen zijn van oorsprong uit Japan. Dit is door de douane-autoriteiten vastgesteld en belanghebbende heeft dit op een intern bescheid vastgelegd. Tot 9 juni 1995 was voor SIMM’s/DRAM’s van oorsprong uit Japan en Zuid Korea een anti-dumpingheffing ingesteld. Vanaf 9 juni 1995 zijn deze anti-dumpingheffingen voor een periode van negen maanden geschorst. Dit betekent dat voor de periode tot 9 juni 1995 alsnog rekening dient te worden gehouden met verschuldigde anti-dumpingheffingen.

4.4. Ter zitting is namens belanghebbende, zakelijk weergeven, nog het volgende verklaard. De inspecteur heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Hij heeft de heffing van de verschuldigde rechten bij invoer zeker willen stellen doch beschikte over onvoldoende gegevens om een claim van een dergelijke omvang te rechtvaardigen. Dit brengt mee dat de aanslag dient te worden vernietigd. Voorts is belanghebbende van mening dat sprake is van een vergissing van de douane-autoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken en waarbij belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld. De door belanghebbende ten behoeve van H ingediende aangiften ten invoer zijn meerdere malen gecontroleerd. Ook bij N B.V., een collega expediteur, is een aangifte gecontroleerd. Het is belanghebbende niet bekend wat er na de controle van de aangifte van N B.V. is gebeurd. Belanghebbende heeft bij de door haar ten behoeve van H gedane aangiften ten invoer steeds facturen overgelegd. De waarde vermeld op die facturen van de geheugenmodules was laag: $ 1,27 dan wel $ 3,85. Die facturen blijken thans niet juist te zijn. Ook bij de geverifieerde aangifte van 14 december 1994 is een dergelijke factuur overgelegd. Desgevraagd geeft belanghebbende aan thans niet een kopie van die factuur te kunnen verstrekken, doch er kan voor deze procedure vanuit worden gegaan dat de daarop vermelde waarde laag was; in de orde van $ 1,27 dan wel $ 3,85. Desgevraagd geeft belanghebbende voorts aan dat deze lage waarde voor een bij haar werkzame deskundige aanleiding vormde bij H te informeren of deze waarde wel juist was. Deze informatie werd achteraf ingewonnen; voor een bedrijf als dat van belanghebbende ligt de eerste prioriteit bij snelheid. Naar aanleiding van de vragen gesteld door belanghebbende aan H is haar door H verzekerd dat de waarde juist was; H heeft zulks ook schriftelijk jegens belanghebbende bevestigd; de lage waarde hield ermee verband dat het “obsolete” (bijvoorbeeld gebruikte dan wel niet recente) geheugenmodules betrof. Belanghebbende kende de verkoopprijs van de geheugenmodules niet. Belanghebbende realiseert zich dat zij volgens vaste jurisprudentie als aangever verantwoordelijk is voor de regelmatigheid van de ingediende aangiften maar werpt de vraag op of het naar huidige maatstaven nog wel gerechtvaardigd is een aangever, in een situatie als de onderhavige, aansprakelijk te stellen voor de douaneschuld. De douane-autoriteiten beschikken over veel meer mogelijkheden en bevoegdheden een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de facturen en betalingen dan belanghebbende. Belanghebbende is voorts van mening dat de douane-autoriteiten verzuimd hebben haar tijdig op de hoogte te stellen van de twijfels die bestonden inzake de juistheid van de door haar ingediende aangiften. Belanghebbende leidt uit de stukken af dat die twijfels al bestonden sinds begin 1995. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat voor de zendingen die tot 9 juni 1995 ten invoer zijn aangegeven anti-dumpingheffingen waren verschuldigd die buiten de douanewaarde van de ingevoerde goederen hadden moeten worden gelaten. Ingeval het gelijk dienaande aan belanghebbende is dient de uitnodiging tot betaling te worden verminderd tot de in de bijlage bij het beroepschrift vermelde bedragen; ingeval het gelijk ter zake aan de inspecteur is dient de uitnodiging tot betaling in stand te blijven. Zo het beroep gegrond wordt verklaard verzoekt belanghebbende om een proceskosten-vergoeding gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.5. De grieven tegen de verschuldigdheid van omzetbelasting zijn dezelfde als die zijn genoemd in het beroepschrift dat is ingediend bij de Tariefcommissie tegen de verschuldigdheid van de douanerechten.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De inspecteur bestrijdt dat de uitnodiging tot betaling onjuist of onvolledig gemotiveerd is dan wel dat er een ander vormgebrek aan kleeft. In de uitnodiging tot betaling van 5 februari 1998 is zowel de feitelijk als de juridische grondslag weergegeven. In juni 1998 zijn aan belanghebbende diverse stukken toegezonden inzake de berekening van de aanslag. De inspecteur verwijst naar jurisprudentie waaruit blijkt dat het de inspecteur vrijstaat, ook in een geding voor het Hof, de elementen van de aanslag te veranderen met dien verstande dat de aanslag niet op een hoger bedrag mag worden vastgesteld dan de oorspronkelijke. Voorts stelt de inspecteur dat het niet verplicht is per aangifteregel aan te geven waar de navordering van de verschuldigde rechten betrekking op heeft. Overigens vallen in de bijlagen bij het FIOD rapport inzake de berekening van de verschuldigde bedragen vrij eenvoudig de aangifteregels terug te vinden.

5.2. De inspecteur bestrijdt voorts dat artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW in casu in de weg staat aan boeking achteraf. De aangifte op 14 december 1994 is slechts aan de hand van de bescheiden gecontroleerd. Deze bescheiden gaven geen bijzonderheden te zien, vandaar dat de uitslag conform was. De overige door belanghebbende genoemde negen aangiften die zouden zijn geverifieerd zijn de inspecteur niet bekend. Belanghebbende heeft ter zake ook geen bewijs geleverd. De aangifte van N B.V. speelt geen rol in dezen omdat deze aangifte is ingediend door een andere expediteur.

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de douane-autoriteiten reeds begin 1995 gegronde twijfels hadden aangaande de regelmatigheid van de aangiften ingediend door belanghebbende geldt dat dit niet juist is. Op 28 december 1995 zijn door de douane-autoriteiten vijf SIMM’s ontvangen en getest. Het formele onderzoek heeft vervolgens plaatsgevonden in de periode mei 1997 tot juni 1998. Er was derhalve geen aanleiding belanghebbende reeds begin 1995 te informeren.

5.3. De inspecteur bestrijdt dat er anti-dumpingheffingen in mindering dienen te worden gebracht op de transactieprijs. Belanghebbende heeft een eigen intern stuk overgelegd waaruit zou blijken dat er anti-dumpingheffingen verschuldigd waren. Uit de als bijlage bij het FIOD rapport gevoegde invoeraangifte corresponderend met het interne bescheid van belanghebbende, blijkt evenwel dat er invoerrechten en omzetbelasting verschuldigd waren doch geen anti-dumpingheffingen. Ook uit de bijbehorende facturen blijkt niet dat de goederen van oorsprong uit Japan waren.

5.4. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergeven, nog het volgende verklaard. Ten tijde van het opleggen van de aanslag is belanghebbende zo goed mogelijk geïnformeerd; in de bezwaarfase zijn uitgebreide nadere stukken verstrekt. Zodra de belastingdienst over stukken beschikte, en het Ministerie van Justitie deze stukken vrijgaf, werden de stukken aan belanghebbende verstrekt. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat sprake is van een consistent beleid van de douane-autoriteiten waaraan belanghebbende het vertrouwen mocht ontlenen dat de aangegeven douanewaarde juist was merkt de inspecteur op dat de door belanghebbende genoemde verificaties, behoudens de verificatie van de aangifte van 14 december 1994, hem niet bekend zijn. Met betrekking tot de verificatie van de aangifte van N B.V. begin 1995 geldt dat er toen nog geen vermoedens bij de douane bestonden dat er iets structureel niet in orde zou zijn met de aangiften ten behoeve van H en de daarop vermelde douanewaarde. Er is derhalve geen sprake van het ten onrechte niet informeren van belanghebbende omtrent begin 1995 bestaande vermoedens. Op zijn vroegst in december 1995 is het onderzoek naar de douanewaarde van de desbetreffende geheugenmodules aangevangen. Desgevraagd geeft de inspecteur aan niet te weten hoe de controle bij N B.V. is afgelopen. Met betrekking tot belanghebbendes grief dat het naar huidige maatstaven niet meer gerechtvaardigd is een aangever, in een situatie als de onderhavige, aansprakelijk te stellen voor de douaneschuld geldt dat dit het wettelijk systeem is. Het klopt dat de douane-autoriteiten over veel meer mogelijkheden en bevoegdheden beschikken een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de facturen en betalingen dan belanghebbende. Met betrekking tot de anti-dumpingheffingen geldt dat er in 1994 anti-dumpingheffingen zijn opgelegd aan H; echter niet in 1995. Er bestaat geen reden anti-dumpingheffingen in mindering te brengen op de transactieprijs. Met betrekking tot de bedragen geldt dat ingeval het gelijk te dezer zake aan belanghebbende is haar berekening kan worden gevolgd; ingeval het gelijk aan de inspecteur is dient de uitnodiging tot betaling te worden gehandhaafd.

5.5. Met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting geldt mutatis mutandis hetzelfde als met betrekking tot de verschuldigdheid van douanerechten.

6. De rechtsoverwegingen

Met betrekking tot een eventuele schending van het motiveringsbeginsel:

6.1. Het Hof is van oordeel dat belanghebbendes primaire stelling dat de inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige uitnodiging tot betaling op 5 februari 1998 een zodanig ondeugdelijk motivering zou hebben gegeven en zodanig onzorgvuldig zou hebben gehandeld dat de uitnodiging dient te worden vernietigd, faalt. Het Hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbende via de toelichting op het litigieuze aanslagbiljet is geïnformeerd over de aanleiding van de aanslag - te weten de voorlopige onderzoeksresultaten van de FIOD -, over de reden waarom de aanslag reeds op evenbedoeld tijdstip is opgelegd - te weten het dreigende verlopen van de navorderingstermijn -, over de juridische basis van de aanslag alsmede over de omstandigheid dat het definitieve FIOD rapport later zal worden uitgebracht. De inspecteur heeft in juni 1998 belanghebbende (onder meer) bijlagen bij het voorlopige FIOD rapport met berekeningen inzake de hoogte van de aanslag doen toekomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, heeft de inspecteur naar ’s Hofs oordeel niet zodanig willekeurig gehandeld en de uitnodiging tot betaling niet zodanig ontoereikend gemotiveerd, dat op die grond de uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven. Niet gezegd kan worden dat in het onderhavige geval de aan belanghebbende toekomende rechtsbescherming geweld is aangedaan door het vaststellen van de uitnodiging tot betaling op basis van nog voorlopige onderzoeksresultaten.

6.2. Het Hof merkt in dit verband op dat ook ingeval er sprake zou zijn van de schending van een vormvoorschrift bij het vaststellen van de onderhavige uitnodiging, dit niet steeds leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan de inspecteur een besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, ondanks schending van een vormvoorschrift, in stand laten indien blijkt dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Gelet op het onder 6.1. overwogene doet zich dit geval hier niet voor. Het Hof neemt hierbij tevens in overweging dat belanghebbende in de bezwaarfase een uitgebreide onderbouwing van de aanslag heeft gekregen alsmede een toelichting op het voornemen het bezwaar (gedeeltelijk) af te wijzen waarop belanghebbende, alvorens de inspecteur uitspraak deed, zowel mondeling als schriftelijk heeft kunnen reageren.

6.3. Belanghebbendes stelling dat de inspecteur per aangifteregel moet aangeven waar de navordering van de aanvullend verschuldigde rechten bij invoer op ziet kan haar evenmin baten. Op de onder 2.6. genoemde bijlage D/398 bij het FIOD rapport is een gespecificeerd genummerd overzicht opgenomen van zowel factuurgegevens van de ingevoerde goederen en op basis daarvan verschuldigde belastingbedragen als herberekeningen van de douanewaarde en verschuldigde belastingbedragen. De inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld, en het Hof acht dit ook aannemelijk, dat met deze gegevens vrij eenvoudig de desbetreffende aangifteregel terug te vinden is.

Met betrekking tot een eventuele vergissing van de douane-autoriteiten:

6.4. Belanghebbendes subsidiaire stelling houdt in dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en dat sprake is van een vergissing door de douane-autoriteiten die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken. Dienaangaande geldt dat ingevolge artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW niet tot boeking achteraf wordt overgegaan ingeval het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douane-autoriteiten zelf die de belastingschuldigde redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Naar ’s Hofs oordeel faalt belanghebbendes beroep op evengenoemde uitsluitingsgrond van artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW voor boeking achteraf reeds omdat belanghebbende niet de juiste gegevens heeft verschaft - te weten de juiste facturen - voor het vaststellen van de douanewaarde van de goederen. Uitgesloten van het toepassingsbereik van artikel 220, tweede lid, letter b zijn immers vergissingen die zijn veroorzaakt door onjuiste verklaringen van de belastingschuldige. De stelling van belanghebbende dat zij die gegevens te goeder trouw heeft verschaft en niet opzettelijk onjuist heeft verstrekt doet daar niet aan af, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1991, zaak C-348/89, Mecanarte, Jur. 1991, blz. 3277.

6.5. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de douane-autoriteiten haar begin 1995 op de hoogte hadden moeten stellen van bestaande vermoedens van onregelmatigheden geldt dat de inspecteur gemotiveerd heeft gesteld, welke stelling belanghebbende niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, dat er op dat tijdstip nog geen vermoedens van onregelmatigheden bestonden, dat op zijn vroegst in december 1995 een zodanig vermoeden bij de douane-autoriteiten is gerezen welk vermoeden heeft geleid tot een in 1997 en 1998 door de FIOD ingesteld onderzoek inzake door of ten behoeve van H gedane aangiften en dat er derhalve geen sprake is van het ten onrechte achterwege laten van het informeren van belanghebbende van begin 1995 bestaande vermoedens. Het Hof acht aannemelijk dat er bij de douane-autoriteiten begin 1995 nog geen sprake was van een zodanig vermoeden van (structurele) onregelmatigheden bij de aangiften ten behoeve van H van geheugenmodules dat er redelijkerwijs aanleiding bestond in overleg te treden met belanghebbende. Ook in zoverre faalt derhalve het beroep van belanghebbende.

Met betrekking tot anti-dumpingheffingen:

6.6. Belanghebbende stelt dat de transactieprijs dient te worden verminderd met verschuldigde anti-dumpingheffing. Ingevolge artikel 33 van het CDW maken bepaalde elementen geen deel uit van de douanewaarde, op voorwaarde dat zij van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn te onderscheiden. Gelet op letter f van evengenoemd artikel behoren hiertoe rechten bij invoer en andere belastingen die in de Gemeenschap ingevolge de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan.

6.7. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in de transactieprijs elementen als bedoeld in artikel 33, letter f, van het CDW zijn begrepen, die geen deel van de douanewaarde uitmaken. De inspecteur heeft in dit verband niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat belanghebbende in de aangiften die zijn gedaan in het tijdvak waar de navordering betrekking op heeft, de desbetreffende anti-dumpingrechten niet heeft vermeld of anderszins heeft onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Gesteld noch gebleken is dat op de facturen gevoegd bij de aangifte de desbetreffende anti-dumpingheffingen apart zijn vermeld. Er bestaat derhalve naar ’s Hofs oordeel geen aanleiding een deel van de transactieprijs toe te rekenen aan anti-dumpingheffingen die gelet op artikel 33 van het CDW geen deel uitmaken van de douanewaarde.

Slotsom met betrekking tot de douanerechten:

6.8. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het gelijk ten aanzien van de heffing van douanerechten aan de inspecteur is.

Met betrekking tot de omzetbelasting:

6.9. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zijn de wettelijke bepalingen inzake de douanerechten van overeenkomstige toepassing op de ter zake van de invoer verschuldigde omzetbelasting. Dit houdt gelet op het vorenoverwogene in dat ook het gelijk ten aanzien van de heffing van omzetbelasting aan de inspecteur is.

7. De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

I. Met betrekking tot zaak nr. 01/90118 DK (douanerechten)

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

II. Met betrekking tot zaak nr. 03/01535 DK (omzetbelasting)

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 5 november 2003 door mrs. Bijl, voorzitter, en Van Hilten en Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Goedhart als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.