Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AP4588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2003
Datum publicatie
29-06-2004
Zaaknummer
00/90256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het gestelde blijkt dat belanghebbende met de ondertekening op 12 mei 1997 van de brief van de inspecteur van 21 april 1997 onvoorwaardelijk heeft ingestemd met de vaststelling van het terug te geven bedrag aan wijnaccijns, overeenkomstig vermelde berekeningswijze. Aldus hebben belanghebbende en de inspecteur een overeenkomst gesloten waarbij zij, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. Dit brengt mee dat belanghebbende aan de daarbij overeengekomen berekeningswijze is gebonden, zodat zij tegen het overeengekomene niet meer kan opkomen in bezwaar en beroep. Bovendien heeft belanghebbende met het sluiten van de hiervoor bedoelde overeenkomst ingestemd met de voorwaarde dat zij zou afzien van rechtsmiddelen tegen de berekeningswijze van de terug te geven accijns, behoudens voor zover het de voorraad ultimo 1991 betreft. Omtrent dit laatste is niets gesteld of gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 00/90256 DK (voorheen: 0256/2000 TC)

de dato 18 februari 2003

1. De procedure

1.1. Op 8 december 2000 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van mr. dr. A (B, belastingadviseurs te Z), ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D, de inspecteur, van 27 oktober 2000, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking teruggaaf wijnaccijns van 22 augustus 1997, kenmerk ……, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 28 september 2001 is een conclusie van repliek ingekomen. De inspecteur heeft op 28 november 2001 een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Am-sterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 23 april 2002. Namens belanghebbende zijn daar verschenen haar gemachtigde mr. dr. A en E, hoofd Commerciële Admi-nistratie van F. Namens de inspecteur is verschenen mevrouw mr. G die tot haar bijstand was vergezeld door H. Belanghebbende en de inspecteur hebben beiden een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op een stelling in de pleitnota van de inspecteur. Op 3 juni 2002 is een nader stuk van belanghebbende ingekomen, voorzien van bijlagen. Bij op 11 juli 2002 ingekomen brief heeft de inspecteur daarop gereageerd.

1.5. Een tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 3 september 2002. Daar zijn namens belanghebbende verschenen mr. dr. A en E. Namens de inspecteur is verschenen mr. I, die tot zijn bijstand was vergezeld door mevrouw mr. G en H. Belanghebbende en de inspecteur hebben beiden een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Op verzoek van belanghebbende zijn ter zitting twee getuigen gehoord. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.6. Met deze zaak zijn ter zitting gelijktijdig behandeld de zaken met de kenmerken 00/90257 DK, 00/90258 DK en 00/90259 DK.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende maakt deel uit van het zogenoemde J-concern. In de jaren 1987 tot en met 1991 heeft belanghebbende wijnen afkomstig uit andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen in Nederland ingevoerd. Namens belanghebbende hebben K B.V. (hierna: K) en L B.V. (hierna: L) aangifte ten invoer met de bestemming inslag onder krediet voor accijns gedaan (documenten ED 36). De wijnen zijn overgebracht naar de kredietbergplaats voor wijn van belanghebbende en in die bergplaats ingeslagen. De hoeveelheid wijn is in haar kredietrekening opgenomen. Tegen de heffing van wijnaccijns op de door haar in die jaren ingevoerde wijnen die zij in haar kredietbergplaats heeft ingeslagen, hebben K en L namens belanghebbende bezwaar ingediend. In genoemde periode behoorden, naast die van belanghebbende, onder meer nog de volgende kredietbergplaatsen tot het J-concern:

M B.V. te X(hierna: M);

N B.V. te W;

O B.V. te V.

2.2. Tussen deze kredietbergplaatsen onderling zijn partijen wijn onder krediet voor de accijns doorgeleverd. Doorlevering geschiedde onder geleide van documenten Benelux 40. De kredietbergplaatshouders hebben de hoeveelheden die van de ene naar de andere tot het J-concern behorende kredietbergplaats zijn overgebracht op de kwartaaloverzichten apart opgenomen onder de aanduiding "onderlinge leveringen". Die doorleveringen vonden binnen het J-concern om logistieke redenen plaats.

2.3. In bedoelde periode heeft belanghebbende voorraden wijn (248.436 liter in 1990 en 33.645 liter in 1991) onder geleide van een document Benelux 40 uitgeslagen uit haar kredietbergplaats en doorgeleverd aan M, die deze wijn onder krediet voor accijns heeft ingeslagen in haar kredietbergplaats.Voor deze wijn heeft belanghebbende als eerste kredietbergplaatshouder geen wijnaccijns be-taald. Bij uitslag tot verbruik uit haar kredietbergplaats heeft M die betaald.

2.4. Naar aanleiding van een op 11 augustus 1995 gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken C-367/93-377/93 heeft de Tariefcommissie op 23 september 1996 beslist dat vruchtenwijn gelijksoortig is aan bepaalde soorten druivenwijn en daaraan de conclusie verbonden dat van de in geding zijnde wijn bij invoer uit andere lidstaten uit de Europese Gemeenschappen geheven wijnaccijns als niet verschuldigd moet worden teruggegeven.

2.5. In een brief van 5 december 1996, kenmerk ..., gericht aan de Centrale Vereniging van Nederlandse Wijnhandelaren (CVNW), heeft de plaatsvervangend Directeur-Generaal der Belastingen (hierna: de DG) namens de Staatssecretaris van Financiën een toelichting gegeven op de afdoening van bezwaarschriften en verzoeken om teruggaaf als gevolg van de uitspraak van de Tariefcommissie. In deze toelichting is meegedeeld dat voor de afhandeling een speciale projectgroep is ingesteld bij het Douanedistrict D. Voorts is in de toelichting onder meer het standpunt ingenomen dat de importeur in beginsel recht heeft op teruggaaf van de wijnaccijns die is betaald ter zake van de uitslag uit de kredietbergplaats, mits hij deze betalingen kan relateren aan aangiften ED 36. Met inachtneming van het gestelde in de brief zijn de in 2.1 genoemde bezwaren aangemerkt als verzoeken om teruggaaf van belanghebbende in haar hoedanigheid van kredietbergplaatshouder.

2.6. In verband met gerezen problemen met betrekking tot het leggen van een een-op-een-relatie tussen het invoerdocument ED 36 en de gevraagde teruggaaf van het kredietdeel van de accijns, hetzij via bezwaar hetzij via teruggaaf, heeft de DG onderzocht of op dit punt onder bepaalde voorwaarden een tegemoetkoming kan worden verleend. Hiertoe heeft hij in overleg met het bedrijfsleven een methode voor de eerste kredietbergplaatshouder (dat is degene die de wijn met ED 36 inslaat in zijn kredietbergplaats) ontwikkeld die op praktische wijze tot een benadering kan leiden van de hoogte van de te verlenen teruggaaf. Als uitgangspunt bleef gelden dat er een relatie moet blijven bestaan met de betaling van accijns. Deze methode is neergelegd in een besluit van de DG namens de Staatssecretaris van Financiën van 18 april 1997, kenmerk ..., waarvan afschriften aan de wijnimporteurs zijn gezonden. Voorzover hier van belang is in het besluit het volgende meegedeeld:

"Indien de hierna te beschrijven praktische berekeningswijze wordt aanvaard, kan worden volstaan met deze eenvoudiger methode om de omvang van de claim te onderbouwen. Aan de berekeningswijze is onverbrekelijk verbonden dat de Ben. 40 transacties worden geëlimineerd en de korting van 1% wordt toegepast zoals deze in de berekeningswijze is opgenomen. Tevens is aan aanvaarding van de bereke-ningswijze de voorwaarde verbonden dat wordt afgezien van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de berekeningswijze van de terug te geven accijns behoudens voor zover het de voorraad per ultimo 1991 betreft.

Bij niet aanvaarding van hiervoor geschetste compromis, zal de teruggaaf alleen door het aantonen van de één op één relatie tussen het ED36 document en de betaling van accijns geldend kunnen worden gemaakt. Alsdan behoudt de Belastingdienst alle rechten en weren voor inclusief het juridisch standpunt.

(…)

Ik verzoek u de thans genoemde gegevens te verstrekken binnen drie weken na dagtekening van de bijgaande brief van de Projectgroep. Indien u kunt instemmen met een vaststelling van de teruggaaf volgens de hiervoor beschreven berekeningswijze en de daaraan verbonden voorwaarden, verzoek ik u tevens bij het verstrekken van de benodigde gegevens te verklaren dat u deze onvoorwaardelijk aanvaardt. Dit kunt u doen door een kopie van de brief van de Projectgroep voor gezien en accoord te ondertekenen en terug te zenden aan de Projectgroep. Indien u met het aangeboden compromis niet kunt instemmen, verzoek ik u dit schriftelijk te melden aan de Projectgroep."

2.7. Met dagtekening 21 april 1997, kenmerk ……, heeft de inspecteur aan belanghebbende de hiervoor bedoelde brief van de projectgroep toegezonden. Op 12 mei 1997 heeft belanghebbende een kopie daarvan voor gezien en akkoord ondertekend. Voorzover hier van belang luidt deze brief als volgt:

"In het kader van de afwikkeling van de wijnaccijnsprocedures zend ik u bijgaand een afschrift van de brief van de plv. Directeur-Generaal der Belastingen namens de Staatssecretaris van Financiën van 18 april 1997, nr. .... Deze bevat een compromisvoorstel om op basis van een vereenvoudigde berekeningsmethode tot de vaststelling van de op documenten ED 36 aan importeurs/kredietbergplaatshouders te verlenen teruggaven te komen.

(…)

Ondergetekende verklaart in te stemmen met de vaststelling van het terug te geven bedrag aan wijnaccijns op de door of namens hem ingediende bezwaarschriften of verzoeken om teruggaaf, overeenkomstig de berekeningswijze zoals deze is omschreven in de bovenvermelde brief van de plv. Directeur-Generaal der Belastingen van 18 april 1997."

2.8. Met dagtekening 2 mei 1997 heeft de algemeen secretaris van de CVNW een circulaire aan de leden gezonden (nr. 15), luidende onder meer als volgt:

"Met een brief van 21 april 1997 heeft de projectgroep wijnaccijns (douanedistrict D) een compromis voorstel gedaan aan alle bij de projectgroep geregistreerde eerste k.b.-houders. Hierover heeft op 29-04-1997 diepgaand overleg plaatsgevonden met het Ministerie van Financiën en de projectgroep. Onderstaand enkele punten die onzerzijds zijn gesteld. Het Ministerie beraadt zich daarover.

(…)

4.3. Positie 2e en latere k.b.-houder.

Over dit punt is nog geen overeenstemming bereikt. Wij doen ons best een methodiek te vinden om de vereiste aansluiting ED 36 en daadwerkelijke betaling van de accijns door een latere k.b.-houder te krijgen. In dat geval kan een latere k.b.-houder ook accijns terugkrijgen."

2.9. Bij besluit van 21 juli 1997, kenmerk ..., heeft de DG namens de Staatssecretaris van Financiën over de afdoening van wijnprocedures onder meer het volgende besloten:

"In de brief van 18 april 1997, nr. ..., heb ik in het kader van de uitwerking van de teruggaven van wijnaccijns ingegeven door de bewijsproblemen die anders zouden ontstaan, voor de belanghebbenden, een praktische berekeningsmethode voor de teruggaven aan eerste kredietbergplaatshouders op basis van ED 36 invoerdocumenten voorgesteld. Naar gebleken is, bestaan er op een aantal onderdelen nog vragen. Derhalve kom ik na overleg met het bedrijfsleven op een aantal onderdelen van deze berekeningsmethode en op een aantal andere aspecten van de uitwerking van de teruggaven met wijzigingen/aanvullingen.

1. Korting.

(…)

In afwijking van het gestelde op dit punt in mijn brief van 18 april 1997, nr. ...., stel ik dit percentage thans vast op 0,75%. Indien positief op het voorstel is gereageerd, zal bij de afwerking met dit percentage rekening worden gehouden.

(…)

5. Eindvoorraad per 31-12-1991.

(…)

In verband met het voorgaande is reeds aangegeven in de aan de importeurs toegezonden brief namens de Staatssecretaris van Financiën van 5 december 1996, nr. ..., betreffende de methode voor de berekening van de teruggaaf van de kredietbergplaatshouder, dat het daarin omschreven compromis niet inhoudt dat wordt afgezien van rechtsmiddelen tegen de berekeningswijze van de teruggaaf voorzover het betreft de voorraad per ultimo 1991."

2.10. Met dagtekening 22 augustus 1997, kenmerk ……, heeft de inspecteur ten aanzien van belanghebbende het volgende besloten:

"gezien de door belanghebbende ingediende verzoeken om teruggaaf van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn, welke overeenkomstig de in de bijlage opgenomen gegevens is voldaan ter zake van de invoer van wijn van druiven uit andere lidstaten van de EEG;

gelet op de uitspraken van de Tariefcommissie van 23 september 1996 inzake de heffing van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn ter zake van invoer in Nederland van wijn van druiven uit andere lidstaten;

gelet op artikel 159 AWDA juncto artikel 2 Beschikking teruggaaf heffingen bij invoer 1980, zoals deze luidden tot 1 januari 1992, voor zoveel van toepassing in samenhang met het bepaalde in de Verordening (EEG) nr. 1430/79;

overwegende dat aan de hand van door belanghebbende nader overgelegde gegevens en met toepassing van de bij compromis overeengekomen berekeningswijze van het terug te geven bedrag, is vastgesteld dat teruggaaf kan worden verleend van de op de in de bijlage vermelde documenten geheven wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn, voorzover deze is voldaan door belanghebbende zelf naar aanleiding van de uitslag tot verbruik uit de kredietbergplaats voor wijn;

in aanmerking nemend dat het hoofd van de Belastingdienst/Douanedistrict D door de overige hoofden van de Belastingdienst/Douane is gemachtigd tot de behandeling en afdoening van de bij die districtshoofden in de hoedanigheid van bevoegde inspecteur ingediende verzoeken om teruggaaf inzake de heffing van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn;

besluit aan belanghebbende op de bovenaangeduide verzoeken teruggaaf te verlenen van wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn tot een totaalbedrag van: fl *1207358,60*

en bepaalt voorts – gelet op artikel 9 van Beschikking teruggaaf heffingen bij invoer 1980 – dat de onderhavige beschikking heeft te gelden als afzonderlijke beschikking op elk van de vorenbedoelde verzoekschriften."

2.11. Overeenkomstig de berekeningswijze die is vermeld in het in 2.6 bedoelde besluit heeft bij de vaststelling van voormeld bedrag een aftrek plaatsgevonden voor wijnen die belanghebbende onder geleide van Benelux 40 documenten aan M heeft doorgeleverd.

2.12. Bij brief van 6 augustus 1998, kenmerk ……, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende en drs. P, heeft de DG namens de Staatssecretaris van Financiën zijn standpunt kenbaar gemaakt inzake teruggaaf van wijnaccijns met betrekking tot tweede en eventueel volgende kredietbergplaatshouders (daarmee wordt gedoeld op degene die wijn van een andere kredietbergplaats-houder onder geleide van een document Benelux 40 inslaat). Voor zover hier van belang luidt deze brief als volgt:

"In het kader van de besprekingen over de uitwerking van teruggaven van wijnaccijns met betrekking tot tweede en eventueel volgende kredietbergplaatshouders is van de zijde van de branche een voorstel gedaan om op basis van een berekeningsmethode aan de tweede en volgende kredietbergplaatshouders terggaaf te verlenen naar rato van de accijns welke is belichaamd in de ED 36 documenten waartegen rechtsgeldig bezwaar is gemaakt terzake van de invoer. Mede onder verwijzing naar de verschillende overleggen die over de onderhavige problematiek hebben plaatsgevonden, deel ik u het volgende mede."

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van wijnaccijns ter zake van door haar op documenten Benelux 40 aan M doorgeleverde wijnen, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Primair: een bezwaar, ingediend tegen een aangifte ten invoer ED 36 door de importeur/eerste kredietbergplaatshouder is ook rechtsgeldig ten aanzien van een opvolgende kredietbergplaatshouder. Deze laatste heeft volgens belanghebbende geen behoorlijke en duidelijk kenbare bezwaarmogelijkheid.

4.2. Subsidiair: op grond van artikel 15 van de Verordening (EEG) nr. 1430/79 kan teruggaaf worden verleend aan de persoon die de heffing heeft voldaan of gehouden is deze te voldoen en aan personen die hem in zijn rechten en verplichtingen zijn opgevolgd. Hieraan verbindt belanghebbende de conclusie dat ongeacht de vraag wie van de in die verordening genoemde personen het verzoek om teruggaaf doet, in dit geval de tweede kredietbergplaatshouder, kan worden aangemerkt als de persoon die de importeur in diens rechten en verplichtingen is opgevolgd. Aldus zou aan M teruggaaf moeten worden verleend.

4.3. Meer subsidiair: het verzoek om teruggaaf/bezwaar is ontvankelijk daar zowel belanghebbende als M tot hetzelfde concern behoren en voor overige belastingen als een fiscale eenheid worden aangemerkt. Het is voor haar onbegrijpelijk dat aan haar zustermaatschappij M teruggaaf wordt onthouden. Bezwaar en betaling waren steeds in één hand.

4. Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden en heeft ter zitting van 23 april 2002 het primaire standpunt ingenomen dat belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het bezwaar.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Vaststaat dat de inspecteur bij de beschikking van 22 augustus 1997 op de als verzoeken tot teruggaaf aangemerkte in 2.1 vermelde bezwaarschriften aan belanghebbende teruggaaf heeft verleend van een bedrag aan wijnaccijns en bijzondere accijns van wijn dat is berekend op de wijze zoals deze is omschreven in het namens de Staatssecretaris van Financiën genomen besluit van de DG van 18 april 1997, kenmerk ..., dat hiervoor in 2.6 is vermeld.

6.2. Zoals aldaar is weergegeven, kan bij aanvaarding van deze berekeningswijze worden volstaan met een eenvoudiger methode om de omvang van de claim te onderbouwen. Naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, hield deze methode een aanmerkelijke vereenvoudiging voor de bewijspositie van de belanghebbenden in. Zoals eveneens in 2.6 is weergegeven, is in voormeld besluit bepaald dat aan de berekeningswijze onverbrekelijk is verbonden dat de Benelux 40 transacties worden geëlimineerd.

6.3. Uit het gestelde in 2.7 blijkt dat belanghebbende met de ondertekening op 12 mei 1997 van de brief van de inspecteur van 21 april 1997 onvoorwaardelijk heeft ingestemd met de vaststelling van het terug te geven bedrag aan wijnaccijns, overeenkomstig voormelde berekeningswijze.

6.4. Aldus hebben belanghebbende en de inspecteur een overeenkomst gesloten waarbij zij, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.

6.5. Dit brengt mee dat belanghebbende aan de daarbij overeengekomen berekeningswijze is gebonden, zodat zij tegen het overeengekomene niet meer kan opkomen in bezwaar en beroep. Een vaststellingsovereenkomst is immers bindend voor beide daarbij betrokken partijen, tenzij die overeenkomst zo duidelijk in strijd is met het recht dat niet op nakoming van de overeenkomst mag worden gerekend. Gesteld noch gebleken is dat dit laatste het geval is.

6.6. Bovendien heeft belanghebbende met het sluiten van de hiervoor bedoelde overeenkomst ingestemd met de voorwaarde dat zij zou afzien van rechtsmiddelen tegen de berekeningswijze van de terug te geven accijns, behoudens voor zover het de voorraad ultimo 1991 betreft. Omtrent dit laatste is niets gesteld of gebleken.

6.7. Uit het vorenstaande volgt dat de Douanekamer het door de inspecteur primair ingenomen standpunt juist acht.

6.8. Belanghebbende heeft zich tegen dit standpunt verweerd door aan te voeren dat het compromis niet inhoudt dat geen beroep kon worden ingesteld tegen de aftrek Benelux 40. Met hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd en door het horen van de getuigen acht de Douanekamer deze door belanghebbende voorgestane uitleg van de overeenkomst geheel onbewezen en in strijd met de duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare tekst daarvan, zoals die is neergelegd in het hiervoor genoemde besluit van 18 april 1997. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat onzorgvuldig is gehandeld ten opzichte van de fiscale onderhandelingscommissie van het CVNW en dat daarmee in elk geval het vertrouwen is gewekt dat er van een compromis ten aanzien van de Benelux 40 problematiek geen sprake was. De Douanekamer verwerpt ook deze stelling. Feiten en omstandigheden die deze stelling schragen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Alleen al de verklaring van de getuige Q, die als lid van die commissie bij vrijwel alle onderhandelingen aanwezig is geweest, inhoudende dat het begin 1997 doordrong dat doorlevering op Benelux 40 niet voor teruggaaf in aanmerking kwam, wijst op de onjuistheid daarvan.

6.9. Belanghebbende heeft in dit verband voorts erop gewezen dat omtrent de positie van de tweede en eventueel volgende kredietbergplaatshouder, samenhangend met wat zij noemt: "de Benelux 40 problematiek", geen overeenstemming was bereikt. Die omstandigheid doet echter op geen enkele wijze afbreuk aan de bij de vaststellingsovereenkomst overeengekomen berekeningsmethode. Zoals belanghebbende zelf ook heeft gesteld, was voor alle betrokkenen duidelijk dat de berekeningsmethode slechts van toepassing was op importeurs in hun hoedanigheid van eerste kredietbergplaatshouders. De vraag of, en zo ja op welke wijze, opvolgende kredietbergplaatshouders een recht op teruggaaf geldend zouden moeten kunnen maken, is voor de beslechting van het onderhavige geschil dus niet van betekenis en moet dan ook buiten beschouwing blijven.

6.10. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt door belanghebbende aan het compromis te binden en haar het recht te ontzeggen te procederen omtrent de Benelux 40 problematiek, daar waar anderen die een voorbehoud hebben gemaakt wel dit recht toekomt. Daartegenover heeft de inspecteur aangevoerd dat de voorbehouden niet zijn aanvaard en dat in die gevallen de vereenvoudigde bewijsregeling dan niet van toepassing is, maar dat afhandeling van de desbetreffende verzoeken om teruggaaf worden afgehandeld via de een-op-een-relatie. Van een ongelijke behandeling is volgens de inspecteur dan ook geen sprake. Dienaangaande overweegt de Douanekamer dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de inspecteur ten opzichte van haar heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals door haar als voormeld is gesteld. Hetzelfde lot deelt de stelling van belanghebbende dat sprake is van een volstrekt willekeurige behandeling van belastingplichtigen.

6.11. Als meer subsidiaire stelling heeft belanghebbende voorts aangevoerd dat de inspecteur in strijd handelt met het gemeenschapsrecht door vast te houden aan een strikte interpretatie van het compromis, nu dit in de weg zou staan aan een effectieve uitoefening van de rechten van belanghebbende onder het communautaire recht. Ook deze stelling faalt. Zij miskent immers het bindende karakter van de vaststellingsovereenkomst.

6.12. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar bezwaar. Dit houdt uiteraard in dat de Douanekamer aan het verzoek van belanghebbende om zich - bij gebondenheid van belanghebbende aan het compromis - uit te spreken over haar stelling dat het door de eerste kredietbergplaatshouder ingediende verzoek dient door te werken naar de opvolgende kredietbergplaatshouders, voorbijgaat.

7. De proceskosten

In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, ziet de Douanekamer aanleiding de inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de Douanekamer deze kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.898 (3 punten voor proceshandelingen; factor 2 voor gewicht van de zaak; factor 1,5 voor samenhangende zaken; waarde per punt € 322). Nu deze zaak samenhangt met de zaken met de kenmerken 00/90257 DK, 00/90258 DK en 00/90/259 DK, zal de Douanekamer een vierde gedeelte van dat bedrag, ofwel € 724,50, aan deze zaak toerekenen.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- verklaart, doende wat de inspecteur had behoren te doen, belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en gelast de Staat der Nederlanden deze kosten, groot € 724,50, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht ad € 204,20 te voldoen.

Aldus gewezen op 18 februari 2003 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.