Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AP1546

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
16-06-2004
Zaaknummer
03/01196
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet IB. Belanghebbende is rijschoolhouder en maakt aannemelijk dat hij meer dan 70% van het gezamenlijke bedrag van winst en de inkomsten uit arbeid in of vanuit zijn werkruimte heeft behaald, en dat het gezamenlijke bedrag van de winst en de inkomsten uit arbeid voor 30% of meer in de werkruimte is verworven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, hierna de inspecteur, gedagtekend 16 januari 2003, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 december 2003.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 61.106;

- gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Belanghebbende, geboren in 1959 en op huwelijkse voorwaarden gehuwd met A, is in 1999 tezamen met B vennoot van rijschool V.O.F. C (hierna: de VOF). Belanghebbendes echtgenote verricht ook werkzaamheden ten behoeve van de VOF. Belanghebbende heeft in 1999 een pand aan de a-straat 1 (ook wel b-straat 1, omdat het pand ook op dat adres een ingang heeft) te Z gekocht en woont met zijn gezin vanaf 1 september 1999 op de bovenverdieping van dit pand. Het gehele pand aan de a-straat 1 wordt tot het privévermogen van belanghebbende gerekend. De VOF is tot medio 1999 gevestigd in het tot dan tot het ondernemingsvermogen behorende pand op het adres c-straat 1 te Z. Vanaf de tweede helft van 1999 is de VOF gehuisvest in de benedenverdieping van het pand aan de a-straat 1 te Z.

2. Op 5 oktober 1999 is rijschool D B.V. (hierna: de BV) opgericht door belanghebbende en zijn echtgenote. In de BV wordt een van derden gekochte auto- en motorrijschool geëxploiteerd. Van de 40 bij oprichting geplaatste aandelen worden 32 gehouden door belanghebbende en 8 door zijn echtgenote. De BV is eveneens gehuisvest in de benedenverdieping van de woning aan de a-straat 1.

3. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999, salderend op een belastbaar inkomen van ƒ 38.606, inkomsten uit onroerende zaken aangegeven van in totaal ƒ 12.000 ter zake van de verhuur van de benedenverdieping van de a-straat 1 aan de VOF (ƒ 4.000) en de BV (ƒ 8.000).

De inspecteur heeft het aangegeven belastbare inkomen verhoogd met ƒ 22.500 ter zake van stakingswinst gebouwen en met ƒ 2.000, zijnde 50% van de ten laste van de VOF gebrachte huur, omdat het bepaalde in artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) hieraan in de weg zou staan.

4. Ingevolge artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet komen niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de ondernemer zelf die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, de aanhorigheden daarvan daaronder begrepen, indien, ingeval hij tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst en inkomsten uit arbeid niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, dan wel indien, ingeval hij niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst en inkomsten uit arbeid niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de benedenverdieping van de a-straat 1 te Z (hierna ook: werkruimte) vanaf 1 september 1999 is aan te merken als een werkruimte in de zin van artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende niet over een soortgelijke werkruimte buiten de woning beschikt. Derhalve gelden voor de aftrekbaarheid van de kosten van de werkruimte de in artikel 8b, eerste lid, letter a, onderdeel 1, van de Wet genoemde voorwaarden dat meer dan 70% van het gezamenlijke bedrag van winst en de inkomsten uit arbeid in of vanuit de werkruimte moet zijn behaald, en dat het gezamenlijke bedrag van de winst en de inkomsten uit arbeid voor 30% of meer in de werkruimte moet zijn verworven.

6. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de voorwaarden, zoals hiervoor onder 5 genoemd, over het gehele jaar moeten worden beoordeeld, of pas vanaf 1 september 1999. Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval vanaf 1 september 1999 beoordeeld dient te worden of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden. Dit omdat belanghebbende pas na zijn eigen verhuizing en verhuizing van de VOF (vanaf een ander adres dan zijn voormalige woonadres) naar de a-straat 1, vanaf 1 september 1999 in de situatie verkeerde dat hij een werkruimte had in de zin van artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet.

7. De door belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangegeven bedragen aan inkomsten uit arbeid en winst uit onderneming bestaan geheel uit hetgeen belanghebbende als loon van de BV heeft ontvangen en hetgeen hij als winst uit onderneming van de VOF heeft genoten. Daarmee is naar het oordeel van het Hof reeds voldoende aannemelijk dat is voldaan aan de eerste voorwaarde dat belanghebbende - vanaf 1 september 999 - meer dan 70% van het gezamenlijke bedrag van winst en de inkomsten uit arbeid in of vanuit de werkruimte heeft behaald.

8. Belanghebbende dient aannemelijk te maken dat het gezamenlijke bedrag van de winst en de inkomsten uit arbeid voor 30% of meer in de werkruimte is verworven. Belanghebbende heeft daartoe ten aanzien van de VOF en de BV onweersproken verklaard dat de werkruimte functioneert als begin- en eindpunt van de auto- en motorrijlessen, dat hij alle administratieve werkzaamheden alsmede de planning en coördinatie van de lessen verricht in de werkruimte, dat hij alle theorielessen geeft in de werkruimte en dat het onderhoud van de lesauto’s en lesmotoren door hem in de werkruimte wordt verricht. Voorts heeft belanghebbende onweersproken verklaard dat in totaal (bij de VOF en de BV) negen personen werkzaam waren.

Het Hof is gezien de door belanghebbende geschetste omvang van de door hem verrichte activiteiten in de werkruimte, van oordeel dat hij daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gezamenlijke bedrag van de winst en de inkomsten uit arbeid voor 30% of meer in de werkruimte is verworven vanaf 1 september 1999. De stelling van de inspecteur dat bij de beoordeling van de voorwaarden van artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet niet meetelt het bedrag dat belanghebbende als inkomsten uit arbeid (voor de BV) in de werkruimte heeft verworven, kan het Hof niet volgen. Dat dit bedrag wel meetelt is immers expliciet vermeld in artikel van artikel 8b, eerste lid, letter a, ten eerste, van de Wet. Dat de werkruimte eveneens werd gebruikt ten behoeve van de BV doet voorts ook niet af aan het verwerven van ten minste 30% van het gezamenlijke bedrag van inkomsten uit arbeid en winst in de werkruimte door belanghebbende. De stelling van de inspecteur dat de werkzaamheden die in de werkruimte worden verricht dienstbaar en ondergeschikt zijn aan het geven van rijlessen en van geringe omvang, acht het Hof, tegenover de gemotiveerde verklaringen van belanghebbende, van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen.

9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

Proceskosten

Belanghebbende heeft proceskosten gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Het Hof berekent deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht op 2 (beroepschrift van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en verschijnen ter zitting) x € 322 x 1 (gewicht van de zaak) is € 644.

De uitspraak is gedaan op 16 december 2003 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Dit proces-verbaal is opgemaakt door de griffier en door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.