Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO8832

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
23-001097-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een betrekkelijk korte tijd, samen met anderen en telkens voorzien van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een aantal overvallen gepleegd. Zijn mededaders hebben daarbij telkens de daar aanwezige personen bedreigd met dat wapen (voorwerp) en, in de meeste gevallen, geld en goederen gestolen. Verdachtes aandeel was dat hij bij het merendeel van de overvallen volgens tevoren gemaakte afspraken met zijn mededaders, heeft opgetreden als bestuurder van de vluchtauto.

Verweer ongeldigheid dagvaarding na wijziging verworpen.

4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf + schadevergoedingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 23-001097-02

datum uitspraak 15 december 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 13 maart 2002 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15/031317-01 (zaak A) en 15/030392-02 (zaak B) van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring "Compagnie en Zwaag" te Zwaag.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 februari 2002 en in hoger beroep ter terechtzittingen van 14 februari 2003, 14 mei 2003, 22 september 2003 en 1 december 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen in zaak A en zaak B, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 februari 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging in zaak A. Van die dagvaardingen en die vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlasteleggingen worden hier overgenomen.

Voorzover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding in zaak A

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op de nietigheid van de inleidende dagvaarding in zaak A wat betreft feit 2. De raadsvrouw heeft daartoe - naar het hof begrijpt - het volgende gesteld - zakelijk weergegeven -:

A) In de dagvaarding in zaak A is onder 2 ten laste gelegd - kort gezegd - dat verdachte, samen met anderen, op of omstreeks 16 mei 2001 te Alkmaar een overval heeft gepleegd op shoarmazaak Tip Top. Ter terechtzitting in eerste aanleg is op vordering van de officier van justitie door de rechtbank een wijziging tenlastelegging toegestaan in die zin dat na de woorden "16 mei 2001" is toegevoegd "of 3 mei 2001". Deze wijziging is niet toelaatbaar omdat als gevolg van deze wijziging de tenlastelegging niet langer "hetzelfde feit" behelst in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

B) Door voormelde wijziging toch toe te staan is de tenlastelegging op dit punt een obscuur libel geworden en voldoet zij niet meer aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Door toevoeging van voormelde pleegdatum is het voor cliënt volstrekt onduidelijk geworden tegen welke overval hij zich heeft te verweren en daarom dient de dagvaarding in zaak A wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit te worden nietigverklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(ad A) Ook na wijziging van de tenlastelegging door toevoeging van de woorden "of 3 mei 2001", is nog steeds sprake van dezelfde verweten gedraging die zou zijn begaan onder dezelfde omstandigheden zodat niet gezegd kan worden dat de tenlastelegging door de wijziging niet langer hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht inhoudt. Dit betekent dat de in eerste aanleg gevorderde wijziging naar het oordeel van het hof toelaatbaar is.

(ad B) De vraag of de dagvaarding na die wijziging voldoende duidelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt tenlastegelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van de gewijzigde tenlastelegging bezien in samenhang met de inhoud van het onderliggende dossier en met hetgeen de verdachte omtrent het hem verweten feit heeft begrepen.

Het hof is van oordeel dat de door de officier van justitie genoemde pleegdatum "op of omstreeks 16 mei 2001 of 3 mei 2001", gezien in de context van de in de tenlastelegging aan de verdachte verweten gedraging - voldoende specifiek is bepaald, gelet op de inhoud van het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij op 3 mei 2001 een overval heeft gepleegd in shoarmazaak Tip Top te Alkmaar, terwijl de verdediging ter terechtzitting van het hof ervan blijk heeft gegeven de tenlastelegging te hebben begrepen en zich daartegen ook heeft verdedigd. Nu de tenlastelegging ook overigens voldoet aan de eisen, daarvoor gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, wordt het verweer van de raadsvrouw ter zake verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak B onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 1, 2 en 3 primair en in zaak B onder 2 is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde -

hij op 31 mei 2001 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

en

met het oogmerk of zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat een van verdachtes mededaders de loop van een op een pistool gelijkend voorwerp in de buik van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en dreigend meermalen heeft geroepen "Je geld" en "Je portemonnee";

- ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde -

hij op 16 mei 2001 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, ongeveer ƒ 2.400,--, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat een van verdachtes mededaders een op een pistool gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft gericht en gericht gehouden;

- ten aanzien van het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde -

op 1 juli 2001 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig goed, toebehorende aan een persoon genaamd [slachtoffer 4] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging [slachtoffer 6]eld tegen [slachtoffers 5,6,7,8 en 9] en [slachtoffer 4], te plegen met oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een of meer van zijn mededaders het restaurant Zorba de Griek hebben betreden en een pistool, althans een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 5] heeft gericht en tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] heeft gehouden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffers 6,7,8 en 9] en [slachtoffer 4] en de woorden heeft gebezigd: "Dit is een overval, zitten blijven, niet bewegen" en "Geld, geld, anders schiet ik, maak ik je dood" en "Blijf zitten, ik schiet, rustig blijven" en met een vuurwapen een schot heeft gelost in de lucht en een stoel heeft gegooid in de richting van die [slachtoffer 6], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

- ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde -

hij op 31 mei 2001 te Zwijndrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, toebehorende aan [slachtoffer 10], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat een van verdachtes mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 10] heeft gericht en gericht gehouden en een van verdachtes mededaders een op een grote dolk gelijkend voorwerp tevoorschijn heeft gehaald.

Hetgeen in zaak A onder 1, 2 en 3 primair en in zaak B onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op de misdrijven:

- ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde-

De voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde-

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- ten aanzien van het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde -

Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde -

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat verdachte in een betrekkelijk korte tijd, samen met anderen en telkens voorzien van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een aantal overvallen heeft gepleegd. Zijn mededaders hebben daarbij telkens de daar aanwezige personen bedreigd met dat wapen (voorwerp) en, in de meeste gevallen, geld en goederen gestolen. Verdachtes aandeel was dat hij bij het merendeel van de overvallen volgens tevoren gemaakte afspraken met zijn mededaders, heeft opgetreden als bestuurder van de vluchtauto. Door aldus te handelen heeft verdachte materiële schade veroorzaakt en een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Naar de ervaring leert ondervinden slachtoffers van gewapende overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen van het gebeurde. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De ernst van de thans bewezengeachte feiten is zodanig dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur op haar plaats is.

Daar staat evenwel het volgende tegenover.

Uit een uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 18 september 2003 betreffende verdachte blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van enig misdrijf.

Omtrent de persoon van verdachte is voorts een aantal voorlichtingsrapporten uitgebracht, meest recentelijk op 3 november 2003, door klinisch en forensisch psycholoog A.D. Wallace, welke rapporten, en met name het laatste, de indruk bevestigen die het hof tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep door de verklaring en de houding van verdachte heeft gekregen, namelijk dat de verdachte daadwerkelijk tot inkeer is gekomen en dat hij zijn leven een keer ten goede heeft gegeven.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM heeft plaatsgevonden. Zij heeft - naar het hof begrijpt - verzocht met deze schending in strafverminderende zin rekening te houden bij de eventueel op te leggen straf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Omtrent het verloop van de procedure is het volgende gebleken.

Op 27 augustus 2001 is verdachte op verdenking van het plegen van een groot aantal gewapende roofovervallen aangehouden en in verzekering en voorlopige hechtenis gesteld. Op 27 februari 2002 vond het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Haarlem plaats en op 13 maart 2002 is door de rechtbank uitspraak gedaan, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Namens verdachte is daartegen op 19 maart 2002 hoger beroep ingesteld.

De verdachte is gedagvaard om in hoger beroep terecht te staan tegen de terechtzitting van 5 september 2002 van dit hof. De dagvaarding in hoger beroep is gedateerd 24 juni 2002 en aan de verdachte in persoon uitgereikt. Het hof heeft op deze terechtzitting de zaak aangehouden omdat het strafdossier nog niet bij het hof was binnengekomen, waarna de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 29 november 2002 opnieuw is aangehouden teneinde alsnog stukken in het dossier te voegen alsook om de strafzaak tegen een andere verdachte in hetzelfde feitencomplex op dezelfde zittingsdag te behandelen. Ook is de zaak aangehouden om, op verzoek van de verdediging, een getuige te horen.

Op de terechtzitting van 14 februari 2003 is de zaak wederom aangehouden omdat de opgeroepen getuige niet was verschenen. Ter terechtzitting van 14 mei 2003 is de getuige gehoord, waarna de zaak op bevel van het hof is verwezen naar de rechter-commissaris te Haarlem met de opdracht om een persoonlijkheidsonderzoek naar de verdachte te verrichten. Aangezien dit onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2003 nog niet was afgerond is de zaak wederom aangehouden tot de terechtzitting van 1 december 2003. Op die terechtzitting is de zaak afgerond en het onderzoek ter terechtzitting gesloten. Het hof heeft op 15 december 2003 einduitspraak gedaan.

Tussen het instellen van het hoger beroep op 19 maart 2002 en de einduitspraak in hoger beroep op 15 december 2003 heeft een jaar en ruim acht maanden gelegen. In die periode is de verdachte in de onderwerpelijke strafzaak preventief gedetineerd geweest.

Voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het verweer van de raadsvrouw wordt mitsdien verworpen.

Wel zal het hof, nu het tot veroordeling van de verdachte zal beslissen, in strafverminderende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte gedurende de langdurige behandeling in hoger beroep preventief gedetineerd is geweest in een huis van bewaring, welke inrichting een ongunstiger regime heeft dan de gevangenis.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Ad informandum gevoegde zaken

Behalve aan het bewezengeachte heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan drie ad informandum gevoegde zaken welke op de dagvaarding staan vermeld. Deze strafbare feiten heeft de verdachte op de terechtzitting van 14 februari 2003 in hoger beroep bekend. De feiten zijn door een korte vermelding op de dagvaarding ter kennis gebracht van de verdachte en het openbaar ministerie heeft door vermelding ervan op de dagvaarding te kennen gegeven de betreffende zaken gelijktijdig met de tenlastegelegde feiten aan de orde te willen stellen. Het hof gaat er derhalve van uit dat verdachte voor de door hem bekende ad info feiten niet meer afzonderlijk zal worden vervolgd. Bij de beslissing van de straf heeft het hof met deze feiten rekening gehouden

Beslag

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een personenauto, Volkswagen Golf, kenteken [nummer], kleur blauw, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien de bewezengeachte feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

een DUMP 2000 plastic tas;

een zwart breekijzer van 32 cm;

een handboei in een wit doosje;

een zwart gaspistool, merk Record;

een zwart alarmpistool, merk Gun Toys;

een patroon in blauw/wit doosje, UMAREX 6 mm;

een zwarte acryl muts met scheur;

een paar groene handschoenen;

een zwarte hoed, Fostex en

een paar doorzichtige handschoenen,

die aan de verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien deze goederen moeten worden beschouwd als een gezamenlijkheid van goederen en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De vorderingen van de benadeelde partijen

1. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 1], wonende te [adres], met een vordering tot vergoeding van door hem geleden immateriële schade tot een bedrag van € 907,56, welke vordering door de rechtbank geheel is toegewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, WvSv duurt de voeging in hoger beroep voort voor zover het gevorderde is toegewezen, nu de benadeelde partij zich niet (opnieuw) in hoger beroep heeft gevoegd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 907,56 worden toegewezen nu het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor immateriële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 907,56 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de drie hoofdelijk aansprakelijke daders.

2. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 10], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade tot een bedrag van € 495,79 welke vordering door de rechtbank geheel is toegewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, WvSv duurt de voeging in hoger beroep voort voor zover het gevorderde is toegewezen, nu de benadeelde partij zich niet (opnieuw) in hoger beroep heeft gevoegd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 495,79 worden toegewezen nu het in zaak B onder 2 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor materiële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 495,79 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de drie hoofdelijk aansprakelijke daders.

3. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 3], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door hem geleden (im)materiële schade tot een bedrag van € 2.042,-- welke vordering door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 1.225,21.

De benadeelde partij voornoemd heeft zich in hoger beroep ter terechtzitting van 14 mei 2003 op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, WvSv opnieuw gevoegd met een vordering van € 2.042,-- zoals door hem ook in eerste aanleg gevorderd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 500,-- worden toegewezen nu het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor immateriële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 500,-- aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de drie hoofdelijk aansprakelijke daders.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36d, 36f, 45, 56, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het hof:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2 en 3 primair en in zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in de rubriek het bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 1, 2 en 3 primair en in zaak B onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (VIER) JAREN EN 6 (ZES) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd, die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp te weten: een personenauto, Volkswagen Golf, kenteken [nummer], kleur blauw.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen te weten:

een DUMP 2000 plastic tas;

een zwart breekijzer van 32 cm;

een handboei in een wit doosje;

een zwart gaspistool, merk Record;

een zwart alarmpistool, merk Gun Toys;

een patroon in blauw/wit doosje, UMAREX 6 mm;

een zwarte acryl muts met scheur;

een paar groene handschoenen;

een zwarte hoed, Fostex en

een paar doorzichtige handschoenen.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

een zwarte agenda (bsur);

een vrijwaringbewijs (KX-40-HN) d.d. 3 augustus 2001;

een zilverkleurig Calvin Klein horloge;

een papier, A4 formaat, met diverse telefoonnummers en namen;

een rekening van Comcar, autohuur 03-GK-ZL;

een autosleutel (PD-45-GL);

een platte schakelarmband, twee kleuren goud;

een goudkleurig Raymond Weill herenhorloge;

een goudkleurige zegelring, drie kleuren zegel met strepen;

een goudkleurige, met grote bewerkte schakels, halsketting;

een goudkleurige hoefijzerschakelarmband;

een goudkleurige zegelring met ankertje en M;

een witte mitella met Arabische tekens;

een Ralph Lauren jas met zwart/rood embleem;

een witte Botticelli jas;

een zwarte Redskins jas en

een goudkleurige hanger, kruis met lichaam.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerp, te weten een zwarte attachékoffer

1. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] (wonende te [adres], rekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 907,56 (negenhonderdzeven euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, van een bedrag van € 907,56 (negenhonderdzeven euro en zesenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

2. Wijst voorts toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 10] (wonende te [adres], rekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 495,79 (vierhonderdenvijfennegentig euro en negenenzeventig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 10] voornoemd, van een bedrag van € 495,79 (vierhonderdenvijfennegentig euro en negenenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 (drie) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

3. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] (wonende te [adres], rekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige gedeelte niet ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, van een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 (drie) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Kleene-Eijk, Krikke en Van Atteveld in tegenwoordigheid van mr. Hardonk-Kruiswijk als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2003.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.