Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO8803

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2003
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
23-004197-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een betrekkelijk korte tijd, samen met anderen en telkens voorzien van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vijf overvallen gepleegd.

5 jaar en 6 maanden gevangenisstraf + schadevergoedingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2003-12-15
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2003-12-15
Wetboek van Strafrecht 77b, geldigheid: 2003-12-15
Wetboek van Strafrecht 77k, geldigheid: 2003-12-15
Wetboek van Strafrecht 77dd, geldigheid: 2003-12-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 23-004197-02

datum uitspraak 15 december 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2002 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15/085116-01 (zaak A), 15/030394-02 (zaak B), 15/081319-01 (zaak C) en 15/030457-02 (zaak D) en de daarvan deeluitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 15/085116-99 van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

volgens opgave verdachte wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Rijksinrichting voor jongens "De Hartelborgt" te Spijkenisse.

De omvang van het hoger beroep

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 februari 2003 is in deze zaak door het openbaar ministerie geen hoger beroep ingesteld.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2003 door de verdediging gedane mededeling, is het hoger beroep van de verdachte - anders dan in de akte instellen rechtsmiddel is vermeld - niet gericht tegen de eindbeslissing van de rechtbank houdende vrijspraak van het in zaak B ten laste gelegde.

Het voorgaande brengt mee dat aan het oordeel van het hof zijn onderworpen alle in het vonnis waarvan beroep genomen eindbeslissingen ten aanzien van de in zaak A, C en D tenlastegelegde feiten, alsmede voornoemde van dat vonnis deeluitmakende beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg van 27 februari 2002, 21 mei 2002, 6 augustus 2002 en 1 oktober 2002 en in hoger beroep ter terechtzittingen van 14 februari 2003, 14 mei 2003, 22 september 2003 en 1 december 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd - voorzover in hoger beroep nog aan de orde - hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen in zaak A, zaak C en zaak D. Van die dagvaardingen zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlasteleggingen worden hier overgenomen.

Voorzover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voorzover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 6 primair en in zaak C onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 subsidiair en in zaak C onder 1 en 2 en in zaak D is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde -

hij op 19 mei 2001 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, ongeveer ƒ 650,--, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te voorschijn hebben gehaald en op die [slachtoffer 1] hebben gericht en gericht gehouden en voornoemde [slachtoffer 1] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp geslagen;

- ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde -

op 1 juli 2001 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of enig goed, toebehorende aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffers 3,4,5,6 en 7] en [slachtoffer 2], te plegen met oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, verdachte, en/of een of meer van zijn mededaders het restaurant Zorba de Griek hebben betreden en een pistool, althans een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 3] heeft gericht en tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] heeft gehouden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 4,5,6 en 7] en [slachtoffer 2] en de woorden heeft gebezigd: "Dit is een overval, zitten blijven, niet bewegen" en "Geld, geld, anders schiet ik, maak ik je dood" en "Blijf zitten, ik schiet, rustig blijven" en met een vuurwapen een schot heeft gelost in de lucht en een stoel heeft gegooid in de richting van die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

- ten aanzien van het in zaak A onder 3 primair ten laste gelegde -

op 12 juli 2001 te Alphen aan den Rijn, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 8] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 8], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, hij en of een of meer van zijn mededaders naar die [slachtoffer 8] zijn gelopen en die [slachtoffer 8] heeft vastgepakt en een op een pistool gelijkend voorwerp in de buik van die [slachtoffer 8] heeft gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

- ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde -

hij op 13 augustus 2001 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, een geldbedrag van

ƒ 650,--, gouden halskettingen en een toilettas toebehorende aan [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9], en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat een van verdachtes mededaders een op een pistool gelijkend voorwerp heeft gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer 9], [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en een op een pistool gelijkend voorwerp in de zij van die [slachtoffer 10] heeft geduwd en met kracht kettingen van de hals van die [slachtoffer 9] heeft getrokken en dreigend heeft gezegd: "Dit is een overval" en "Ga liggen, liggen jij" en "Jij blijf zitten, zitten jij, anders schiet ik" en " Waar is de kassa? ";

- ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde -

hij op 15 augustus 2001 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas inhoudende een laptopcomputer en een grote hoeveelheid geld ter waarde van ongeveer ƒ 31.000,-- en creditcards en bankpassen en een tas inhoudende de boekhouding, een leren portemonnee, een gouden trouwring, een rijbewijs, een paspoort, een digitale camera, een organizer, een horloge, zegelringen, een gouden ketting en vliegtuigpassen toebehorende aan [slachtoffer 12], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 12], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat een van verdachtes mededaders een op een pistool gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 12] heeft gericht en gericht gehouden;

- ten aanzien van het in zaak A onder 6 subsidiair ten laste gelegde -

hij in of omstreeks de periode van 4 september 2001 tot en met 16 oktober 2001 te Hoofddorp een autoradiocompactdiscspeler en een radarverklikker voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde autoradiocompactdiscspeler en radarverklikker wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

- ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde -

hij op 8 september 2001 te Hoofddorp opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 13], krachtig met een tot vuist gebalde hand op de bovenlip heeft geslagen en aan de van een eerdere breuk herstellende rechtermiddelvinger heeft getrokken, althans tegen die vinger heeft geduwd en met een geschoeide voet tegen het linkerbeen heeft geschopt, waardoor deze [slachtoffer 13] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

- ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde -

hij op 28 april 2000 te Hoofddorp opzettelijk en wederrechtelijk de hoorn van een telefoontoestel, toebehorende aan KPN-Telecom heeft beschadigd;

- ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde -

hij in de periode van 6 december 2001 tot en met 12 december 2001 te Amsterdam [medeverdachte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [medeverdachte] dreigend de woorden toegevoegd:

"Äls ik jullie te pakken krijg, ik maak jullie af, ik zweer op mijn moeder" en

"Ik zorg dat jij een kogel door je kop krijgt en dat je familie wordt uitgeroeid" en

"Ik volg je, waar je ook naar toe gaat, ik blijf je mijn hele leven achtervolgen, jij en die dikke Mario van je" en

"Jullie gaan er sowieso aan door de anderen die nog wel vrij zijn"en

"dan had ik echt jullie koppen verbouwd, maar dat komt wel" en

"Ik bouw al mijn woede op tot de dag ik jullie tegenkom en dan barst ik uit en dan zal je de nachtmerrie van je leven krijgen"en

"Ik laat je alleen maar weten dat je niet meer veilig over straat kunt lopen dus vraag aan de politie of ze jullie bescherming willen geven" en

"Wat jij waard bent is het kogeltje en dat zal je krijgen ook".

Hetgeen in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 subsidiair en in zaak C onder 1 en 2 en in zaak D meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op de misdrijven:

- ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 4 ten lastegelegde-

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

- ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde -

Poging tot diefstal, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

- ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde-

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- ten aanzien van het in zaak A onder 6 subsidiair ten laste gelegde-

Opzetheling.

- ten aanzien van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde -

Mishandeling.

- ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde -

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

- ten aanzien van het in zaak D ten laste gelegde -

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat verdachte in een betrekkelijk korte tijd, samen met anderen en telkens voorzien van een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, vijf overvallen heeft gepleegd. Hij heeft daarbij met die anderen, de daar aanwezige personen bedreigd met dat wapen (voorwerp) en, in de meeste gevallen, geld en goederen gestolen. Door aldus te handelen heeft verdachte materiële schade veroorzaakt en een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Naar de ervaring leert ondervinden slachtoffers van gewapende overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen van het gebeurde. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan een mishandeling van een jeugdig persoon, beschadiging van een telefoonhoorn en een niet mis te verstane bedreiging per brief van een medeverdachte van de overvallen omdat deze persoon - naar verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard - hem "erbij had gelapt" en verdachte zich daardoor verraden voelde.

Gelet op de persoon van verdachte en de aard van de thans bewezengeachte feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zal het hof recht doen overeenkomstig het meerderjarigenstrafrecht. De ernst van de thans bewezengeachte feiten is zodanig dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur op haar plaats is.

Uit een uittreksel van het Justitieel Documentatieregister van 18 september 2003 betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake van soortgelijke misdrijven tot onder meer voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en dat hij de onderhavige gewapende roofovervallen heeft gepleegd gedurende die aan hem opgelegde proeftijd.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de over de persoon van verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapporten, meest recentelijk op 30 oktober 2003, door klinisch en forensisch psycholoog A.D. Wallace.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat verdachte uiteindelijk, ter terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2003 schoon schip heeft gemaakt en een bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van een groot aantal hem ten laste gelegde feiten. Het vindt mede daarin aanleiding de in eerste aanleg opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf enigszins te matigen.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat thans na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

De vorderingen van de benadeelde partijen

1. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van

Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 12], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade tot een bedrag van € 26.984,04 welke vordering door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 17.243,65.

De benadeelde partij voornoemd heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, WvSv opnieuw gevoegd met een vordering van, zo begrijpt het hof, € 26.984,04 zoals door hem ook in eerste aanleg gevorderd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 17.243,65 worden toegewezen nu het in zaak A onder 5 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor materiële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 17.243,65 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de vier hoofdelijk aansprakelijke daders.

2. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 11], namens deze gemachtigd op te treden [gemachtigde], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door [slachtoffer 11] geleden immateriële schade tot een bedrag van € 453,78, welke vordering door de rechtbank geheel is toegewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, WvSv duurt de voeging in hoger beroep voort voor zover het gevorderde is toegewezen, nu de benadeelde partij zich niet (opnieuw) in hoger beroep heeft gevoegd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 453,78 worden toegewezen nu het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor immateriële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 453,78 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de vier hoofdelijk aansprakelijke daders.

3. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 10], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door hem geleden materiële schade tot een bedrag van € 294,96, welke vordering door de rechtbank geheel is toegewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, WvSv duurt de voeging in hoger beroep voort voor zover het gevorderde is toegewezen, nu de benadeelde partij zich niet (opnieuw) in hoger beroep heeft gevoegd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 294,96 worden toegewezen nu het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor materiële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 294,96 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de vier hoofdelijk aansprakelijke daders.

4. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd [slachtoffer 9], wonende te [adres] met een vordering tot vergoeding van door haar geleden materiële schade tot een bedrag van € 302,01 (ƒ 665,55) welke vordering door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 136,13.

De benadeelde partij voornoemd heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, WvSv opnieuw gevoegd met een vordering van € 136,13 zoals in eerste aanleg is toegewezen.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 136,13 worden toegewezen nu het in zaak A onder 4 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor materiële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering tot betaling van € 136,13 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de vier hoofdelijk aansprakelijke daders.

5. Als benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich in het onderhavige strafproces gevoegd KPN Telecom B.V. afdeling OC&P. B 508, Postbus 3053 te (3800 DB) Amersfoort met een vordering tot vergoeding van door haar geleden materiële schade tot een bedrag van € 85,82 welke vordering door de rechtbank geheel is toegewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, WvSv duurt de voeging in hoger beroep voort voor zover het gevorderde is toegewezen, nu de benadeelde partij zich niet (opnieuw) in hoger beroep heeft gevoegd.

De verdediging heeft de vordering en de hoogte daarvan niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van de benadeelde partij kan tot een bedrag van € 85,82 worden toegewezen nu het in zaak C onder 2 ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard en voldoende is aangetoond dat aan de benadeelde partij rechtstreeks daardoor materiële schade tot dit bedrag is toegebracht.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken. De tot nu toe gemaakte kosten begroot het hof op nihil.

De vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging te gelasten van de voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden waartoe verdachte bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem van 23 maart 2000 is veroordeeld in de strafzaak onder parketnummer 15/085116-99 en - naar het hof begrijpt - deze geheel te vervangen door een gevangenisstraf voor dezelfde duur.

Deze vordering is toewijsbaar, nu uit de verdere inhoud van dit arrest blijkt dat veroordeelde zich voor het einde van de bij laatstgenoemd vonnis bepaalde proeftijd van 2 jaar schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A tenlastegelegde feiten en ook overigens is voldaan aan de bij de wet gestelde voorwaarden .

Het hof is voorts van oordeel dat de jeugddetentie geheel moet worden vervangen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden nu de tenuitvoerlegging daarvan zal plaatshebben nadat veroordeelde de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt en het hof van oordeel is dat gelet op de ernst van de bewezengeachte feiten, en de persoonlijkheid van de verdachte veroordeelde niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 77b, 77k, 77dd, 285, 300, 312, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Het hof:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 6 primair en in zaak C onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 subsidiair en in zaak C onder 1 en 2 en in zaak D tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven in rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in zaak A onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5 en 6 subsidiair en in zaak C onder 1 en 2 en in zaak D meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (VIJF) JAREN EN 6 (ZES) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd, die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

twee bruine schoenen, Prada en

een telefoontoestel, Nokia.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerpen, te weten:

een bromfiets certificaat;

een autospiegel, Opel Tigra;

een KBB kortingspas;

een roze plastic tas;

een autoradiocompactdisc, Panasonic;

een autoradiocompactdiscspeler, Philips;

een Quintezz radarverklikker;

een carkit, Nokia 511061107110;

een CJIB-beschikking ten name van H. Zouhri;

een geluidsbox, Caliber 110S;

een compactdiscspeler, Sony;

een versterker, Kenwood en

een videorecorder, Sony.

1. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 12] (wonende te [adres], rekeningnummer onbekend) een bedrag

van € 17.243,65 (zeventienduizendtweehonderdendrieënveertig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 12] voor het overige gedeelte niet ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 12] voornoemd, van een bedrag van € 17.243,65 (zeventienduizendtweehonderddrieënveertig euro en vijfenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 27 (zevenentwintig) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

2. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11], namens deze gemachtigd op te treden [gemachtigde], en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 11] (per adres te [adres], rekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 453,78 (vierhonderddrieenvijftig euro en achtenzeventig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 11] voornoemd, van een bedrag van € 453,78 (vierhonderddrieenvijftig euro en achtenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

3. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 10] (wonende te [adres], rekeningnummer onbekend) een bedrag van € 294,96 (tweehonderdvierennegentig euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 10] voornoemd, van een bedrag van € 294,96 (tweehonderdvierennegentig euro en zesennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (een) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

4. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 9] (wonende te [adres], rekeningnummer [nummer] ) een bedrag van € 136,13 (eenhonderdenzesendertig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 9] voornoemd, van een bedrag van € 136,13 (eenhonderdenzesendertig euro en dertien eurocent), bij gebreke van betaling en n verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (een) DAG, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de evenvermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

5. Wijst toe de vordering van de benadeelde partij KPN Telecom B.V. en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan KPN Telecom B.V., (gevestigd te (3800 DB) Amersfoort, Postbus 3053, rekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 85,82 (vijfentachtig euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Kleene-Eijk, Krikke en Van Atteveld in tegenwoordigheid van mr. Hardonk-Kruiswijk als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2003.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.