Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO7481

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
14-04-2004
Zaaknummer
611/2003
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2003:AN7521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De dochter, geboren in 1953, weet vanaf haar zeventiende jaar dat haar juridische vader niet haar biologische vader is. Zij heeft sedert 1981 een steeds intensiever contact met haar biologische vader.

Nadat in 2000 de juridische vader is overleden, hebben appellanten (de dochter en haar biologische vader) op 9 oktober 2001 een notariële akte van ontkenning en erkenning doen opmaken, waarin de dochter het vaderschap van de juridische vader heeft ontkend en de biologische vader het vaderschap over de dochter, met haar toestemming, heeft erkend. De moeder heeft haar toestemming tot deze erkenning gegeven en de moeder en de echtgenote van de biologische vader hebben het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen tussen de dochter en de biologische vader bevestigd.

Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden de dochter niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader door haarzelf, gegrond te verklaren.

Op grond van de overgangsbepaling III sub 3 bij het op 1 april 1998 in werking getreden nieuwe afstammingsrecht kan een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op inwerkingtreding van de wet bekend is dat de man die op het tijdstip van zijn geboorte de echtgenoot van zijn moeder was, vermoedelijk niet zijn biologische vader is, gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een verzoek tot ontkenning van het vaderschap doen overeenkomstig de bepalingen van de wet.

Vaststaat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap niet binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Het stellen van termijnen is in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen is in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind.

In het onderhavige geval is het de wens van alle betrokkenen de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Voorts bestaat geen onzekerheid over de positie van de juridische vader, nu hij reeds voor het instellen van het verzoek is overleden. Niet valt in te zien hoe de rechtszekerheid in het onderhavige geval zou worden geschaad bij het niet vasthouden aan de wettelijke termijnen.

Gebleken is dat tot het overlijden van de juridische vader bij de dochter niet de gedachte is gerezen om diens vaderschap te ontkennen, uit loyaliteit naar hem. Pas na diens overlijden is er, naar haar zeggen, ruimte gekomen om de band met haar biologische vader juridisch te formaliseren.

Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de dochter heeft moeten toegroeien naar de huidige situatie, vanwege de grote persoonlijke consequenties die de thans gewenste situatie met zich zou brengen.

Het belang van het kind is in geding. De dochter behoeft in dit geval geen bescherming maar heeft er integendeel belang bij dat tussen haar en de biologische vader een familierechtelijke band wordt gevestigd. Voorts heeft een familierechtelijke band tot gevolg dat zij bij het overlijden van de biologische vader ab intestaat van hem zal kunnen erven.

Nu aannemelijk is dat de rechtszekerheid in het onderhavige geval niet wordt geschaad en het belang van de dochter niet wordt beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200, zesde lid, BW, maar hierdoor juist wordt geschaad, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet herziening afstammingsrecht en regeling van adoptie III
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2004, 17 met annotatie van I.J. Pieters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 16 oktober 2003 in de zaak met rekestnummer 611/2003 van:

1. [de dochter],

wonende te [woonplaats],

2. [de biologische vader],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

procureur: mr. A. Volders.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten zijn in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 maart 2003 van de rechtbank Haarlem, met zaaknummer 82961/02.

1.2. De zaak is op 10 september 2003 ter zitting behandeld.

2. De feiten

[De dochter] is [in] 1953 staande het huwelijk van [de moeder] en [de juridische vader] geboren uit een relatie tussen de moeder en [de biologische vader].

Vanaf haar zeventiende jaar was de dochter op de hoogte van het feit dat haar juridische vader niet haar biologische vader was. In januari 1981 heeft zij haar biologische vader voor het eerst ontmoet en sindsdien zijn de contacten steeds intensiever geworden.

Nadat [in] 2000 de juridische vader is overleden, hebben appellanten op 9 oktober 2001 een notariële akte van ontkenning en erkenning doen opmaken, waarin de dochter het vaderschap van de juridische vader heeft ontkend en de biologische vader het vaderschap over de dochter, met haar toestemming, heeft erkend. De moeder heeft - voor zover nodig - haar toestemming tot deze erkenning gegeven en de moeder en de echtgenote van de biologische vader hebben het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen tussen de dochter en de biologische vader bevestigd.

3. Het geschil

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de dochter om de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader zoals vermeld in de notariële akte van 9 oktober 2001, gegrond te verklaren, niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Het appèl van appellanten strekt ertoe om, met vernietiging van de bestreden beschikking, de dochter alsnog ontvankelijk te verklaren in haar verzoek.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden de dochter niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader door haarzelf, gegrond te verklaren.

Onder het tot 1 april 1998 geldende afstammingsrecht bestond in een geval als dit voor het kind niet de mogelijkheid het vaderschap van zijn juridisch vader te ontkennen. Ingevolge artikel 1:200, zesde lid, BW, van het op 1 april 1998 in werking getreden nieuwe afstammingsrecht, kan een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap bij de rechtbank worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de echtgenoot van zijn moeder vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.

Op grond van de overgangsbepalingen bij deze wet, artikel III sub 3, kan een kind aan wie tijdens de meerderjarigheid bekend is geworden en op het moment van inwerkingtreding van de wet bekend is dat de man die op het tijdstip van zijn geboorte de echtgenoot van zijn moeder was, vermoedelijk niet zijn biologische vader is, gedurende een termijn van drie jaren te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de wet een verzoek tot ontkenning van het vaderschap doen overeenkomstig de bepalingen van de wet.

4.2. Appellanten erkennen dat het verzoek niet is ingediend binnen de onder 4.1. genoemde wettelijke termijn. Zij stellen zich echter op het standpunt dat de in artikel 1:200, zesde lid, BW gestelde termijn in dit concrete geval in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Op grond van artikel 8 EVRM is een beperking van het recht op eerbiediging van iemands gezinsleven slechts mogelijk indien deze beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een dergelijke noodzaak is volgens de appellanten in dit concrete geval geen sprake.

Zij beroepen zich hierbij op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 oktober 1994 (NJ 1995, 248) in de zaak Kroon, waarin is bepaald dat respect voor family life vereist dat de biologische en sociale werkelijkheid gaat boven een wettelijke presumptie welke zowel tegen de vaststaande feiten als tegen de wensen van betrokkenen ingaat zonder dat iemand daar werkelijk profijt van heeft. De rechtbank heeft volgens appellanten ten onrechte geoordeeld dat de situatie van het onderhavige geval wezenlijk verschilt van dat arrest en dat een beroep op dit arrest faalt.

Appellanten voeren aan dat bij de vraag of in dit geval de rechtszekerheid een voldoende rechtvaardiging vormt voor de inmenging in het family life van appellanten, behoort te worden meegewogen of ook de belangen van het kind hier moeten worden beschermd, hetgeen de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten. Zij stellen zich voorts op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de rechtszekerheid in het geding is. Alle betrokkenen wensen immers de ontkenning van het vaderschap.

Daarnaast is sprake van ongerechtvaardigd onderscheid op grond van geboorte nu de dochter binnen een huwelijk is geboren en voor haar een termijn geldt voor het vestigen van een familierechtelijk band met haar biologische vader, die niet geldt voor een kind dat buiten het huwelijk is geboren en nog geen juridische vader heeft. Ten slotte heeft de wetgever ten onrechte geen rekening gehouden met de situatie dat er sprake is van family life tussen de biologische vader en het kind, het verzoek uitgaat van het kind en alle betrokkenen de ontkenning wensen.

4.3. De advocaat-generaal heeft ter zitting betoogd dat de redenering die ten grondslag ligt aan het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 oktober 1994 (NJ 1995, 248) naar de kern genomen ook opgaat in de huidige casus, voor zover het de voorrang betreft van de feitelijke en sociale werkelijkheid boven de wettelijke presumptie. Bovendien is naar zijn oordeel het belang van het kind aan de orde en heeft de rechtbank dit belang ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De advocaat-generaal komt tot de conclusie dat in het onderhavige geval het belang van het kind is gediend met het niet vasthouden aan de wettelijke termijnen.

4.4. Vaststaat dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het juridisch vaderschap niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Het hof merkt op dat het stellen van termijnen in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen is in de zin van artikel 8 EVRM, nu de in de wet gegeven termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van het kind.

In het onderhavige geval is het de wens van alle betrokkenen de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Voorts bestaat geen onzekerheid over de positie van de juridische vader, nu hij reeds voor het instellen van het verzoek is overleden. Niet valt in te zien hoe de rechtszekerheid in het onderhavige geval zou worden geschaad bij het niet vasthouden aan de wettelijke termijnen.

4.5. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat tot het overlijden van de juridische vader bij de dochter niet de gedachte is gerezen om diens vaderschap te ontkennen, uit loyaliteit naar hem. Pas na diens overlijden is er, naar haar zeggen, ruimte gekomen om de band met haar biologische vader juridisch te formaliseren.

Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de dochter heeft moeten toegroeien naar de huidige situatie, vanwege de grote persoonlijke consequenties die de thans gewenste situatie met zich zou brengen.

4.6. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van het kind wel degelijk in geding is. De dochter behoeft in dit geval geen bescherming maar heeft er integendeel belang bij dat tussen haar en de biologische vader een familierechtelijke band wordt gevestigd. Voorts heeft een familierechtelijke band tot gevolg dat zij bij het overlijden van de biologische vader ab intestaat van hem zal kunnen erven.

4.7. Nu aannemelijk is dat de rechtszekerheid in het onderhavige geval niet wordt geschaad en het belang van de dochter niet wordt beschermd door de wettelijke termijn van artikel 1:200, zesde lid, BW, maar hierdoor juist wordt geschaad, vormt in dit specifieke geval de termijnstelling een ongerechtvaardigde inmenging in de zin van artikel 8, tweede lid EVRM.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende;

wijst het inleidend verzoek alsnog toe.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerritzen-Gunst, Peeperkorn en Wigleven, in tegenwoordigheid van mr. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2003.