Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO4101

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
19-02-2004
Zaaknummer
54/2003 en 55/2003
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ouders van de minderjarige zijn het niet eens met de door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogdij-instelling verschillen van inzicht over het gebruik van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het standpunt van de gezinsvoogdij-instelling dat de machtiging gebruikt zou kunnen worden als het opnieuw niet goed zou gaan met de minderjarige vindt geen steun in de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

(bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 17 april 2003 in de zaken met rekestnummers 54/2003 (ondertoezichtstelling) en 55/2003 (uithuisplaatsing) van:

Z,

wonende te Q,

DE MINDERJARIGE,

te dezer zake vertegenwoordigd door:

X en Y,

in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige,

wonende te Q,

DE VADER EN DE MOEDER / DE OUDERS,

procureur: mr. M.A. Aalmoes,

t e g e n

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, VESTIGING UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

DE RAAD.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De minderjarige en de ouders (tezamen te noemen: appellanten) zijn in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 november 2002 en de beschikking van 4 december 2002, beide van de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht, met rekestnummer 153107/JE RK 02-1154.

1.2. De Raad heeft geen verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op 17 maart 2003 ter zitting behandeld.

1.4. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder ter zitting niet in persoon verschenen.

2. De feiten

2.1. De minderjarige is op 15 december 1987 geboren uit het huwelijk van de ouders. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de minderjarige uit.

2.2. FORA heeft een ambulant psychologisch-pedagogisch onderzoek naar de minderjarige verricht en op 28 juni 2002 daarover gerapporteerd aan de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, (hierna: de Raad).

2.3. De Raad heeft op 28 oktober 2002 een rapport uitgebracht, waarin wordt geadviseerd de minderjarige onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Utrecht (verder: de gezinsvoogdij-instelling) alsmede een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een residentiële voorziening te verlenen. Vervolgens zijn de hierna onder 3.1 genoemde beschikkingen gegeven.

2.4. Bij besluit van 28 november 2002 heeft het zorgtoewijzingsorgaan van de gezinsvoogdij-instelling (ZTO) in het kader van de uithuisplaatsing de Glen Mills School als voorziening aan de minderjarige toegewezen.

2.5. De minderjarige is van 6 september 2002 tot 15 januari 2003 gedetineerd geweest.

2.6. Van 15 januari 2003 tot 28 januari 2003 heeft de minderjarige op de Glen Mills School te Wezep verbleven. Op 28 januari 2003 is hij daar weggelopen en sindsdien verblijft hij met instemming van de gezinsvoogdij-instelling thuis bij de ouders. De minderjarige volgt sinds 12 februari 2003 weer onderwijs op een reguliere school.

3. Het geschil

3.1. Bij de bestreden beschikking van 22 november 2002 is De minderjarige voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de gezinsvoogdij-instelling. Bij de bestreden beschikking van 4 december 2002 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige op de Glen Mills School van 4 december 2002 tot 22 november 2003 verleend. Deze beslissingen zijn gegeven op het inleidende verzoek van de Raad.

3.2. Appellanten verzoeken de bestreden beschikkingen te vernietigen en - naar het hof verstaat - alsnog het inleidende verzoek van de Raad af te wijzen.

4. De beoordeling van het hoger beroep

In de zaak met rekestnummer 54/2002

4.1. Het hof is van oordeel dat appellanten niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep, nu zij geen gronden hebben aangevoerd ter onderbouwing van het appel.

In de zaak met rekestnummer 55/2002

4.2. Aan de orde is de vraag of de kinderrechter terecht en op goede gronden een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige heeft verleend. Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW dient te worden beoordeeld of een uithuisplaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

4.3. Appellanten betogen dat een uithuisplaatsing van de minderjarige niet noodzakelijk is. De ouders zijn zeer betrokken bij de minderjarige. De communicatie tussen hen verloopt goed en de ouders gedragen zich zoals van goede ouders mag worden verwacht. Het gaat thans zeer goed met de minderjarige. Verder stellen appellanten dat de minderjarige slechts is veroordeeld voor één van de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht. Dit feit had hij bekend. Ten onrechte heeft de kinderrechter geen rekening gehouden met het feit dat de minderjarige vervolgens drie maanden in detentie heeft gezeten: de minderjarige heeft daarvan geleerd en wil een nieuwe start maken. Hij volgt sinds medio februari 2003 weer onderwijs.

4.4. De Raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend. De Raad verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het FORA-rapport.

4.5. Uit het FORA-rapport blijkt dat de minderjarige cognitief gezien op een ruim boven gemiddeld tot hoog niveau functioneert. Hij heeft echter steun en structuur nodig om tot een optimale prestatie te kunnen komen, terwijl de ouders vanuit de thuissituatie dit niet althans niet voldoende kunnen bieden en geen controle over hem hebben. Uit het rapport komt naar voren dat de minderjarige een zelfgerichte, gevoelsontkennende indruk maakt, zijn omgeving naar zijn hand probeert te zetten, een beperkte frustratietolerantie en een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie heeft en imponeert als een manipulerende, eigengereide jongen die vooral is gericht op de vervulling van eigen behoeften. Deze bevindingen in combinatie met de beperkte structuur en controle vanuit de thuissituatie en de aantrekkingskracht van oudere en criminele jongeren op de minderjarige acht het hof zeer zorgelijk. Zowel uit de stukken als uit het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de ouders de problemen rondom de minderjarige, waaronder het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld, bagatelliseren door de oorzaak neer te leggen bij de vrienden van de minderjarige. Blijkens het FORA-rapport is het echter niet aannemelijk dat de minderjarige, gezien zijn persoonlijkheidsstructuur, een meeloper is.

4.6. Het voorgaande overziende en wegende is het hof van oordeel dat gevreesd moet worden voor verder afglijden van de minderjarige en dat een uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige is. Gelet op de ernst van de problemen, doet de verklaring van appellanten dat het thans goed gaat met de minderjarige en hij een nieuwe start wil maken, niet af aan het oordeel van het hof. De door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing was derhalve terecht en op goede gronden gegeven. Het hof heeft goede nota genomen van de toezegging van de Raad ter zitting toe te zien op de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, gelet op het ter zitting gebleken verschil van inzicht van de Raad en de gezinsvoogdij-instelling over het gebruik van de machtiging. Het hof merkt daarbij op dat het standpunt van de gezinsvoogdij-instelling dat de machtiging gebruikt zou kunnen worden als het opnieuw niet goed zou gaan met de minderjarige, geen steun vindt in de wet.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak met rekestnummer 54/2002:

verklaart de appellanten niet ontvankelijk in hun hoger beroep;

in de zaak met rekestnummer 55/2002:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Broekhuijsen-Molenaar, Hermans en Splint in tegenwoordigheid van Wong als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2003.