Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO3653

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-000576-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, op verzoek van de zus [..] van mededader [E.B.] en in ruil voor een deel van het verzekeringsgeld, met twee anderen 's nachts haar zonnestudio in brand gestoken. Een van de mededaders, [S.B.], is daarbij om het leven gekomen en de verdachte heeft tengevolge van de brand zeer ernstige brandwonden opgelopen. De zonnestudio is geheel uitgebrand. Omdat deze gevestigd was in een dichtbevolkte wijk in Amsterdam, heeft ook een aantal omliggende woningen schade opgelopen en werden de bewoners daarvan in gevaar gebracht.

Verklaringen van getuigen bruikbaar voor het bewijs.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000576-03

datum uitspraak 27 november 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 4 oktober 2002 in de strafzaak onder parketnummer 13/124318-01 van het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende op het adres [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 20 september 2002 en in hoger beroep van 24 maart 2003, 3 juli 2003, 23 september 2003 en 13 november 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 september 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

op 17 oktober 2001 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht in de op de begane grond van het perceel [adres] gevestigde zonnestudio "[naam studio]", immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid benzine in voornoemde zonnestudio gebracht, waardoor de aanzienlijke hoeveelheid benzine vrij heeft kunnen uitdampen en door een ontstekingsbron is ontstoken ten gevolge waarvan een ontploffing en brand is ontstaan en de op de begane grond van het pand [adres] gevestigde zonnestudio geheel is uitgebrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de woningen in het pand [adres] en de omliggende panden en de zich daarin bevindende woningen en de zich in de woningen in het pand [adres] en in de omliggende panden bevindende personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen te duchten was, en dit feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De getuige [getuige 1]

Omtrent de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaring van de getuige [getuige 1] overweegt het hof als volgt.

Deze getuige heeft bij de politie een aantal verklaringen afgelegd, onder meer op 19 juni 2002, op 21 juni 2002 en op 25 juni 2002. Vervolgens heeft de getuige op 8 augustus 2002 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Tenslotte is de getuige tweemaal ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, te weten op 3 juli 2003 en op 23 september 2003. Kort gezegd heeft deze getuige bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van 3 juli 2003 verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 2], tijdens hun gezamenlijk verblijf in het Huis van Bewaring te Zwaag aan hem, [getuige 1], heeft verteld dat hij, [medeverdachte 1], in opdracht dan wel op verzoek van zijn zuster (medeverdachte [medeverdachte 2]) dan wel in overleg met haar, haar winkel in brand heeft gestoken samen met twee andere jongens, en dat één van die jongens bij de brand is omgekomen. Tijdens de laatstgenoemde behandeling in hoger beroep heeft de getuige al zijn eerdere - belastende - verklaringen ingetrokken. Hij heeft toen verklaard dat hij eerder niet de waarheid heeft verklaard omdat hij overgeplaatst wilde worden naar een ander Huis van Bewaring en om die reden een belastende verklaring over [medeverdachte 1] heeft afgelegd.

Hoewel gezegd kan worden dat door het afleggen van tegenstrijdige verklaringen de betrouwbaarheid van deze getuige is aangetast, is het hof van oordeel dat de inhoud van de verklaringen die de getuige heeft afgelegd bij de politie, de rechter-commissaris en op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2003, als consistent en betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof dat de getuige uit eigen beweging tegenover de verbalisanten Van Mourik, Mestrom en later ook Cerrone heeft verklaard over zijn gesprek met [medeverdachte 1], hetgeen ook bevestigd wordt door deze verbalisanten. Voorts heeft hij er blijk van gegeven dat hij op de hoogte is van zodanig specifieke details betreffende de brandstichting en het verloop van de politieverhoren van [medeverdachte 1] dat hij deze details onmogelijk van "andere jongens" kan hebben gehoord, zoals hij wel heeft verklaard ter terechtzitting van 23 september 2003. Tenslotte heeft de getuige de inhoud van deze verklaring in grote lijnen en op essentiële onderdelen consequent tegenover de politie, de rechter-commissaris en op de terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2003 tegenover het hof herhaald. Het hof acht de door de getuige afgelegde verklaring daarom bruikbaar voor het bewijs.

De getuige [getuige 2]

Omtrent de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte, op 18 oktober 2001 door de getuige [getuige 2] afgelegde verklaring (pagina 244 e.v.), overweegt het hof als volgt.

[getuige 2] heeft als getuige op de volgende data verklaringen afgelegd: op 18 oktober 2001 bij de politie; op 8 november 2001 en op 29 januari 2002 bij de rechter-commissaris. Daarin heeft [getuige 2] -kort samengevat- verklaard dat zijn beste vriend [slachtoffer] hem kort voor de brandstichting heeft verteld dat [slachtoffer] samen met [medeverdachte 1] en nog een ander een winkel in brand zou steken om de verzekering op te lichten, dat hij daarvoor geld zou krijgen, en voorts dat [verdachte] misschien zou meegaan.

Bij brief van 10 juni 2002 aan de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard zijn eerdere verklaringen te willen "terugtrekken" omdat deze niet kloppen en omdat [slachtoffer] hem niet over brandstichting heeft verteld.

De rechter-commissaris heeft [getuige 2] op 1 juli 2003 nogmaals als getuige gehoord. [getuige 2] heeft toen overeenkomstig zijn eerdere verklaringen bevestigd dat hij [slachtoffer] enkele weken voor de brand heeft gesproken en dat deze hem toen heeft verteld over de brandstichting.

Aangezien [getuige 2] uiteindelijk heeft verklaard dat hij blijft bij zijn eerste verklaring, die op de dag na de brand is afgelegd, kan deze voor het bewijs gebruikt worden.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

medeplegen van opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is en terwijl het feit iemands dood tengevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, op verzoek van de zus [medeverdachte 2] van mededader [medeverdachte 2] en in ruil voor een deel van het verzekeringsgeld, met twee anderen 's nachts haar zonnestudio in brand gestoken. Een van de mededaders, [slachtoffer], is daarbij om het leven gekomen en de verdachte heeft tengevolge van de brand zeer ernstige brandwonden opgelopen. De zonnestudio is geheel uitgebrand. Omdat deze gevestigd was in een dichtbevolkte wijk in Amsterdam, heeft ook een aantal omliggende woningen schade opgelopen en werden de bewoners daarvan in gevaar gebracht. Door het handelen van de verdachte, ingegeven door puur financieel gewin, is niet alleen zeer ernstige materiële schade aangericht, maar is ook aan de familie en vrienden van het slachtoffer [slachtoffer] veel verdriet en leed toegebracht. Voorts heeft de brand in de omliggende buurt gezorgd voor gevoelens van onveiligheid en angst.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de verdachte nog lange tijd de lichamelijke en psychische gevolgen van de brand zal ervaren, hetgeen aanleiding is de hem op te leggen straf te matigen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 6 augustus 2003, is verdachte niet eerder door de strafrechter veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Voorlopige hechtenis

Het hof zal de op 22 november 2001 bevolen schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen, aangezien thans geen termen voor schorsing meer aanwezig zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIER JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Tilleman, Van Lingen en Van Wijnen-Vergeer, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2003.