Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO3488

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
11-02-2004
Zaaknummer
01/90092
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens de bepalingen van de licentieovereenkomst is het belanghebbende toegestaan om het handelsmerk ook te gebruiken voor producten die zijn aangekocht van andere leveranciers dan G, mits deze producten over bepaalde eigenschappen en kenmerken beschikken die overeenkomen met eigenschappen en kenmerken van producten waarover de door G vervaardigde en geleverde goederen beschikken. De enkele omstandigheid dat een dergelijke voorwaarde voor het gebruik van een handelsmerk wordt gesteld, brengt naar het oordeel van de Douanekamer niet mee dat is voldaan aan het gestelde in artikel 159, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW. De bepalingen bevatten naar het oordeel van de Douanekamer niet zodanig beperkende of belemmerende afspraken dat daaruit moet worden afgeleid dat belanghebbende feitelijk geen goederen zou kunnen aankopen bij andere leveranciers dan G en die onder de merknaam zou kunnen doorverkopen. Evenmin kan uit deze bepalingen worden afgeleid dat belanghebbende de merknaam in feite alleen kan gebruiken voor producten die van G zijn betrokken. Voorts heeft de inspecteur niet weersproken dat een aanzienlijk deel van de door belanghebbende onder de merknaam verkochte goederen in de betrokken periode feitelijk afkomstig waren van andere fabrikanten en leveranciers dan G. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat het belanghebbende niet vrij zou staan in de zin van artikel 159, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW, om goederen als door G vervaardigd en geleverd, aan te kopen bij andere leveranciers. Voor een verhoging van de transactieprijs op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW is in dit geval dan ook geen plaats, aldus de Douanekamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 01/90092 DK (voorheen 0092/2001 TC)

de dato 16 december 2003

1. De procedure

1.1. Op 22 maart 2001 is een beroepschrift ingekomen bij de Tariefcommissie te Amsterdam van drs. A van B te Z, ingediend namens de besloten vennootschap C B.V. te Y, belanghebbende, en aangevuld bij brief van 18 mei 2001. Het beroepschrift is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 9 maart 2001, kenmerk ……., voor zover het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 21 juli 2000, kenmerk …… ten bedrage van ¦ 247.043,60 aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van ¦ 450,-- geheven. De inspecteur heeft op 13 augustus 2001 een verweerschrift ingediend. Namens belanghebbende is op 10 oktober 2001 een conclusie van repliek ingekomen. Op 6 november 2001 is een conclusie van dupliek van de inspecteur ontvangen.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 20 mei 2003. Ter zitting zijn verschenen namens belanghebbende drs. A alsmede E en namens de inspecteur mr. F. De gemachtigde en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende assembleert in de EG fietsen van onderdelen, afkomstig van binnen en buiten de EG. De fietsframes zijn altijd afkomstig van buiten de EG en worden uitsluitend gekocht van haar moedermaatschappij G (hierna: G), gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika. De overige fietsonderdelen zoals wielen, zadels, pedalen, remmen en verlichting, betrekt belanghebbende voornamelijk van andere, niet met haar gelieerde leveranciers in het Verre Oosten. De fietsen worden door belanghebbende onder de merknaam H rechtstreeks verkocht aan de detailhandel binnen Europa.

2.2. Belanghebbende handelt voorts in fietsonderdelen, fietskleding en fietsaccessoires. Deze bij invoer gerede producten worden gekocht bij G en bij leveranciers, gevestigd in het Verre Oosten of in Europa. Ook deze goederen worden door belanghebbende onder de merknaam H rechtstreeks verkocht aan de Europese detailhandel.

2.3. Belanghebbende beschikt over een particulier douane-entrepot van het type E, waarin alle van buiten de EG afkomstige goederen worden opgeslagen en vervolgens aangegeven voor het vrije verkeer. Voor de goederen die zij heeft gekocht van G, wordt bij invoer de douanewaarde berekend met toepassing van de transactiewaardemethode.

2.4. Op 13 juni 1996 is tussen belanghebbende en G een licentieovereenkomst ("Trademark License Agreement") gesloten. De overeenkomst, waarin belanghebbende als "Licensee" en G als "Licensor" is aangeduid, houdt onder meer het volgende in:

" WITNESSETH

WHEREAS, Licensor is the owner of certain Trademark Rights as set forth on Schedule B hereto which relate to H branded products (as hereinafter defined); and

WHEREAS, Licensor desires to grant, and Licensee desires to acquire, the rights and licenses described in the Agreement.

NOW, THEREFORE, in consideration of the foregoing and the mutual covenants herein contained the parties agree as follows:

ARTICLE 1. DEFINITIONS

(…)

1.2 (…)

If the Licensee acquires products from sources other than the Licensor, and attaches the H brand, trademark or logo to products manufactured by a third party manufacturer for sale in the Licensed Territory, Licensee must take all necessary steps to insure that such products are of a quality, finish, and workmanship equal or better than that of similar products produced or supplied by Licensor.

(…)

ARTICLE 3. REPORTS AND PAYMENTS

3.1 In consideration of the rights and licenses granted hereunder, Licensee agrees to pay a royalty, at the rate of seven and 25/100th percent (7.25%) of Net Sales of H branded products sold under this Agreement.

(…)

ARTICLE 7. TRADEMARKS, NOTICES AND QUALITY CONTROL

7.1 The parties hereto recognize that Licensor manufactured and sold H branded products for a number of years in several countries of the world under the Trademark Rights, and that the Trademark Rights have become identified with high quality products manufactured and/or sold by Licensor and with the standards of quality maintained by Licensor. The Trademark Rights have thereby acquired substantial value in all countries in which H branded products so marked have been sold, whether or not the Trademark Rights have been registered as trademarks therein. It is understood and agreed that any use of the Trademark Rights by or under the authority of Licensee hereunder shall inure to the benefit of Licensor and shall be such as not to impair their value to the Licensor or Licensee in any way in any country, including the Licensed Territory.

7.2 The H branded products shall have the appropriate trademark affixed or embossed thereon in the manner stipulated by Licensor. Licensee shall provide appropriate notice in all catalogs, advertising materials and other written materials that any of the Trademark Rights used in any manner by Licensee or a sublicensee is a trademark of Licensor.

7.3. Except as expressly authorized by this Agreement, Licensee agrees not to use or to authorize the use of any of the Trademark Rights, or identical or confusingly similar designations, on or in connection with any products sold by or for Licensee or any sublicensee during or after the life of this Agreement, nor to use any of the Trademark Rights in any way other than in accordance with the applicable laws of the Licensed Territory.

7.4 The Licensor shall have the right of inspection of the H branded products sold under this Agreement, and upon request, Licensee shall supply Licensor with samples of such products as well as samples of the then current or proposed trade dress, packaging and advertising relating to them. Licensor shall have the right to terminate this Agreement at any time for failure of Licensee to maintain the Licensor's standards of quality, or to comply with the provisions of Sections 7.1, 7.2, or 7.3."

2.5. Bij belanghebbende is in 1999 een onderzoek ingesteld door het Landelijk Waardeteam van de Belastingdienst. Het onderzoek betrof onder meer de door belanghebbende aangegeven douanewaarde van de goederen die zij van G had betrokken in het tijdvak juli 1996 tot en met september 1999. In het ter zake van dit onderzoek op 8 oktober 1999 opgemaakte rapport, waarin belanghebbende is aangeduid als C, is onder meer het volgende vermeld:

"5.3 Goederen betrokken via G in de USA.

(…)

Uit het onderzoek is niet gebleken dat de transferprijs (…) zodanig beïnvloed is door verbondenheid dat deze niet meer zou kunnen dienen voor het vaststellen van de douanewaarde ingevolge artikel 29 CDW.

(…)

5.8 Royalty's.

(…)

Door C worden royalty's betaald aan G. Tot 30 juni 1996 werd door C 2 % van haar omzet betaald. Achteraf is vanaf 1 juli 1996 het royalty percentage gesteld op 7,25 % van de netto verkopen van C. De royalty's worden per kwartaal afgedragen aan G. De royalty's zijn verschuldigd over de verkoopprijs van fietsen, kleding en accessoires van het merk H.

(…)

Door het afsluiten van een nieuw royalty contract ten gevolge waarvan de royalty's met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1996 van 2 naar 7,25 % worden verhoogd, dient een nieuw oordeel te worden gevormd inzake het tot de douanewaarde behoren van deze royalty's met ingang van 1 juli 1996.

5.8.1 Royalty in de zin van artikel 32 lid 1 letter c CDW.

Tussen G en C is een trademark licence agreement gesloten, ingevolge waarvan C een royalty dient te betalen van 7,25 % van haar omzet van H artikelen voor het gebruiken van de merknaam H.

Gezien de inhoud van de license agreement vallen de ingevolge dit contract betaalde royalty's en licentierechten onder de noemer van artikel 32 lid 1 letter c CDW.

(…)

5.8.2 Zien op het ingevoerde goed.

In het geval dat de goederen meer dan een eenvoudige bewerking ondergaan tussen het moment van invoer en de verkoop en de royalty verschuldigd is over de verkoop in bewerkte staat, vormt de royalty ingevolge artikel 158 TVo geen onderdeel van de douanewaarde.

(…)

Derhalve vormt de royalty inzake de verkoop van fietsen, geen onderdeel van de douanewaarde welke bij invoer dient te worden aangegeven voor frames en onderdelen welke worden gebruikt voor het vervaardigen van fietsen. Van fietsonderdelen en fietsframes welke zonder bewerking ook als onderdeel worden verkocht, fietskleding en fietsaccessoires kan worden gesteld dat de bij verkoop verschuldigde royalty's zien op het ingevoerde goed.

(…)

5.8.3 Voorwaarde voor verkoop

De royalty dient ook een voorwaarde voor de verkoop te vormen. Rekening houdend met de inhoud van Conclusie 24 van het Comité Douanewetboek, afdeling douanewaarde van de EEG, kan inzake de onderdelen, kleding en accessoires welke van andere fabrikanten dan G worden betrokken, niet gesteld worden dat de betaling van royalty's een voorwaarde voor de verkoop vormt. De niet met C verbonden fabrikanten verlangen immers niet van C dat deze een royalty aan G betaalt. Blijft over het beoordelen van het aanwezig zijn van een voorwaarde voor verkoop inzake onderdelen, frames, accessoires en kleding die C betrekt van haar moederbedrijf G. Tussen C en G is geen distributie overeenkomst gesloten. Blijkbaar vond het moederbedrijf het in de verbonden situatie vanzelfsprekend dat de afspraken die daarin normaliter worden opgenomen, zoals het betalen voor de goederen en het betalen van royalty's, door C worden nageleefd, dat men dit niet nodig heeft gevonden.

(…)

De derde voorwaarde is dat het de koper niet vrij mag staan dergelijke goederen bij andere, niet met de verkoper verbonden leveranciers aan te kopen. Hoewel nergens is vastgelegd dat C bij derden in mag kopen, gebeurt dit inzake onderdelen, kleding en accessoires wel. Gezien het gestelde in artikel 7.1 van het license agreement inzake de kwaliteitseisen waaraan een artikel moet worden voldoen, het gestelde in hoofdstuk 7.4 dat G het recht heeft de kwaliteit van de C producten te controleren en indien deze producten niet aan de kwaliteitseisen voldoen, het royalty contract te ontbinden, kan worden gesteld dat het C niet vrijstaat goederen bij een derde te kopen. Dat C hierin niet vrij is blijkt ook nog eens duidelijk uit artikel 2.2 letters c) en d) van de "clothing and accessory license". Ingevolge dit artikel heeft G het recht om direct te beslissen of een leverancier van C al dan niet aan zijn kwaliteitsstandaard voldoet, daarnaast heeft G het recht om de voorwaarden waarvoor een fabrikant voor CE werkt af te dwingen en heeft G zelfs het recht om de werkzaamheden van een fabrikant voor CE te beëindigen.

(…)

5.8.4 Conclusie.

De royalty's welke verschuldigd zijn inzake de verkoop van bij G betrokken frames, onderdelen, accessoires en kleding, welke zonder bewerking worden doorverkocht, ingevolge artikel 32 lid 1 letter c CDW, deel uitmaken van de douanewaarde.

(…)

6. VASTSTELLING VAN DE DOUANEWAARDE

(…)

Ingevolge artikel 32 lid 1 letter c CDW dient de douanewaarde van frames, onderdelen, kleding en accessoires betrokken van G, welke zonder bewerking worden doorverkocht, te worden verhoogd met de inzake de verkoop van deze goederen verschuldigde royalty's. ( thans 7,25 % van de verkoopprijs )"

2.6. Naar aanleiding van de bevindingen van het Landelijk Waarde Team heeft de inspecteur met dagtekening 21 juli 2000 de onderhavige uitnodiging tot betaling, groot ¦ 247.043 (€ 112.103,50), uitgereikt. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar ten dele gegrond verklaard. In de uitspraak is dienaangaande onder meer het volgende opgenomen:

"Het Landelijk Waarde Team komt in haar rapport, (…) tot de conclusie dat de douanewaarde voor frames, onderdelen, kleding en accessoires, betrokken van G, welke zonder bewerking worden doorverkocht, dient te worden verhoogd met het vastgestelde percentage voor royalties, i.c. 7,25%. Uit een uitgevoerde herberekening is gebleken dat uw stelling juist was. Bij de herberekening is het bedrag van de navordering voor zover dit betrekking heeft op andere leveringen dan door G buiten beschouwing gebleven."

De inspecteur heeft daarop teruggaaf verleend van een bedrag van ¦ 48.063,30/ € 21.810,17.

3. Het geschil

3.1. In geschil is of de inspecteur, voor het vaststellen van de douanewaarde van de van G gekochte en zonder bewerking doorverkochte goederen, terecht de prijs op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) heeft verhoogd met royalty's die belanghebbende aan G heeft betaald.

3.2. Subsidiair is in geschil, of de verhoging van de prijs, gelet op artikel 29, derde lid, onderdeel c, van het CDW, beperkt dient te blijven tot een deel, te weten 2/7,25 van de betaalde royalty's, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist. Ingeval het gelijk op dit punt aan belanghebbende is dan is tussen partijen niet in geschil dat de uitnodiging tot betaling verminderd dient te worden tot ¦ 97.768,25.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De royalty die door belanghebbende wordt betaald aan G kan niet worden bijgeteld bij de prijs omdat niet is voldaan aan de in artikel 159, derde gedachtestreepje, van de Uitvoeringsverordening van het CDW (hierna: UCDW), gestelde voorwaarde, dat het de koper niet vrijstaat dergelijke goederen bij andere, niet met de verkoper verbonden leveranciers aan te kopen. In het contract inzake de licentierechten is geen verbod opgenomen dergelijke goederen bij derden te kopen. Dit wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat belanghebbende in de navorderingsperiode daadwerkelijk een aanzienlijk deel van haar inkopen bij derden heeft gedaan.

4.2. Zo de royalty's in beginsel bij de prijs dienen te worden geteld, is bijtelling niet mogelijk in verband met de toepassing van artikel 220 van het CDW. Correctie van de douanewaarde kan niet plaatsvinden bij prijsaanpassingen achteraf. Ten tijde van de aanvaarding van de aangifte door de douane, was het bij belanghebbende niet bekend dat de licentieovereenkomst zou worden gewijzigd.

4.3. Ingeval artikel 220 van het CDW niet aan bijtelling van de royalty's in de weg staat, neemt belanghebbende subsidiair het standpunt in dat de uitnodiging tot betaling beperkt dient te worden tot een bedrag van ¦ 97.768,25. Een deel van de royalty, 2/7,25, behoort volgens belanghebbende, gelet op artikel 29, derde lid, onderdeel c, van het CDW niet tot de douanewaarde, omdat het in feite kosten voor promotie van de goederen betreft, die niet voor rekening van G worden verricht.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende haar standpunt dat de brief van de inspecteur van 21 juli 2000 niet kan worden aangemerkt als een uitnodiging tot betaling ingetrokken.

4.5. Niet in geschil is dat de uitnodiging tot betaling in verband met de beperking van de termijn van navordering tot drie jaar, dient te worden verlaagd tot een bedrag van ¦ 135.003,30.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Ingevolge artikel 159 van de UCDW kan een royalty betreffende het recht om een handelsmerk te gebruiken slechts worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde prijs, indien het de koper niet vrijstaat dergelijke goederen bij andere niet met de verkoper verbonden leveranciers aan te kopen. Hoewel in de overeenkomst geen expliciet verbod is opgenomen, wordt naar de mening van de inspecteur aan deze voorwaarde voldaan. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor bijtelling van de royalty is voldaan.

5.2. De inspecteur heeft ter zitting met name verwezen naar artikel 7.3 en 7.4 van de tussen belanghebbende en G gesloten licentieovereenkomst. In dit verband heeft de inspecteur ter zitting opgemerkt dat in het verweerschrift abusievelijk is verwezen naar artikel 2.2 van de licentieovereenkomst. Uit de artikelen 7.3 en 7.4 van evenbedoelde overeenkomst blijkt, aldus de inspecteur ter zitting, dat de door moedermaatschappij G gestelde (kwaliteits)eisen zo stringent zijn dat belanghebbende feitelijk alleen dan bij derden kan inkopen ingeval G daartoe toestemming geeft.

5.3. De inspecteur heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat in het kader van een licentieovereenkomst als de onderhavige iedere licentiegever vanuit zijn belang bij de waarde van het handelsmerk een zekere kwaliteitscontrole zal uitoefenen op het gebruik dat de licentienemer maakt van het handelsmerk doch dat in dit geval dermate verstrekkende bevoegdheden in het kader van de kwaliteitscontrole aan G zijn toegekend dat daaruit kan worden geconcludeerd dat aan de voorwaarde van artikel 159 van de UCDW wordt voldaan.

5.4. Met betrekking tot de subsidiaire stelling van belanghebbende dat de bijtelling beperkt dient te worden tot een bedrag van ¦ 97.768,25 heeft belanghebbende niet aangetoond dat 2% van de betaling inzake royalty's ziet op kosten als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel c, van het CDW.

5.5. De inspecteur bestrijdt dat artikel 220 van het CDW navordering verhindert.

5.6. In verband met de beperking van de termijn van navordering tot drie jaar, dient de uitnodiging tot betaling te worden verlaagd tot een bedrag van ¦ 135.003,30.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW wordt, voor zover hier van belang, voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 van het CDW de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met royalty's en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, die de koper, als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen, hetzij direct, hetzij indirect moet betalen, voor zover deze royalty's en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen. Gelet op artikel 159, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW wordt de royalty of het licentierecht betreffende het recht om van een fabrieks- of handelsmerk gebruik te maken slechts aan de voor het ingevoerde goed werkelijk betaalde prijs of te betalen prijs toegevoegd indien onder meer wordt voldaan aan de voorwaarde dat het de koper niet vrijstaat dergelijke goederen bij andere, niet verbonden leveranciers aan te kopen.

6.2. Blijkens de bepaling onder 1.2. van de onder 2.3. genoemde licentieovereenkomst is het belanghebbende toegestaan om het handelsmerk ook te gebruiken voor producten die zijn aangekocht van andere leveranciers dan G, mits deze producten over bepaalde eigenschappen en kenmerken beschikken die overeenkomen met eigenschappen en kenmerken van producten waarover de door G vervaardigde en geleverde goederen beschikken. De enkele omstandigheid dat een dergelijke voorwaarde voor het gebruik van een handelsmerk wordt gesteld, brengt naar het oordeel van de Douanekamer niet mee dat is voldaan aan het gestelde in artikel 159, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW.

6.3. De bepalingen in 7.3. en 7.4. van de licentieovereenkomst strekken blijkens de bewoordingen ertoe te waarborgen dat alle onder het handelsmerk verkochte goederen over de onder 6.2. bedoelde eigenschappen en kenmerken beschikken. Deze bepalingen bevatten naar het oordeel van de Douanekamer niet zodanig beperkende of belemmerende afspraken dat daaruit moet worden afgeleid dat belanghebbende feitelijk geen goederen zou kunnen aankopen bij andere leveranciers dan G en die onder de merknaam zou kunnen doorverkopen. Evenmin kan uit deze bepalingen worden afgeleid dat belanghebbende de merknaam in feite alleen kan gebruiken voor producten die van G zijn betrokken. Voorts heeft de inspecteur niet weersproken dat een aanzienlijk deel van de door belanghebbende onder de merknaam verkochte goederen in de betrokken periode feitelijk afkomstig waren van andere fabrikanten en leveranciers dan G. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat het belanghebbende niet vrij zou staan in de zin van artikel 159, aanhef en derde gedachtestreepje, van de UCDW, om goederen als door G vervaardigd en geleverd, aan te kopen bij andere leveranciers. Voor een verhoging van de transactieprijs op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het CDW is in dit geval dan ook geen plaats.

6.4. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de uitnodiging tot betaling dient te worden vernietigd.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, repliek, verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht) x € 322,-- = € 1.207,50.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vernietigt de uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 1.207,50 aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ad € 204,20 te vergoeden.

Aldus gewezen op 16 december 2003 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit ge-rechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.