Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO3293

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
09-02-2004
Zaaknummer
99/90244
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge de Algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur zijn (onder meer) de aantekeningen op de hoofdstukken wettelijk bepalend voor de indelingen onder de posten en de onderverdelingen van de posten van het GDT. De omstandigheid dat nieuwe productietechnieken zijn ontwikkeld, kan er niet toe leiden dat in casu Aantekening 4, onderdeel a, op Hoofdstuk 40 van het GDT buiten toepassing blijft. Immers, wanneer technische ontwikkelingen een andere tariefindeling rechtvaardigen, is het de taak van de Raad en de Commissie het GDT te wijzigen, maar mag men niet, naar gelang van de technische ontwikkeling, het GDT anders gaan uitleggen (H.v.J. 20 januari 1989, zaak nr. 234/87, Jur. 1989, blz. 63), aldus de Douanekamer. In casu staat Aantekening 4, onderdeel a, op hoofdstuk 40 van het GDT aan indeling van de onderhavige goederen onder post 4002 in de weg. Met toepassing van de genoemde algemene indelingsregels moeten de goederen worden ingedeeld onder post 3921 90 60 van het GDT.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

In de zaak 99/90244 DK (voorheen 0244/99 TC)

de dato 22 juli 2003

1. De procedure

1.1. Op 21 december 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z, belanghebbende, ingediend door mr. B van C, belastingadviseurs te Y. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Rotterdam (hierna: de inspecteur) van 9 november 1999, kenmerk …, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 27 april 1998 betreffende aangifte nummer … werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- (€ 204,20) geheven. Op 13 juli 2000 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend. Vervolgens is op 8 november 2000 van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen en in reactie daarop op 11 december 2000 een conclusie van dupliek van de inspecteur.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 11 juni 2002. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende D en mr. E ; namens de inspecteur zijn verschenen mr. F en G.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 20 januari 1998 heeft belanghebbende aangifte voor het vrije verkeer gedaan van "andere vellen van niet geharde gevulkaniseerde rubber". De goederen werden aangegeven onder post 4008 21 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (het GDT). Bij de goederen was een factuur gevoegd waarop de goederen zijn omschreven als "H". Bij de verificatie van de aangifte zijn de goederen daadwerkelijk opgenomen en zijn er monsters genomen. De verificatie is aangehouden voor onderzoek van een monster door het Douane Laboratorium (hierna: het Laboratorium).

2.2. De uitslag van het monsteronderzoek, nummer …, luidt als volgt:

"Bij onderzoek bevonden:

Weefsel van synthetische textielvezels van polyester, aan beide zijden bekleed met kunststof van copolymeren van ethyleen en propyleen. Volgens de opgave van belanghebbende bestaat de bekleding uit een rubber van ethyleen-propyleen. Ethyleen-propyleenrubber kan echter niet worden gevulcaniseeerd met zwavel. Op grond van Aantekening 4a op Hoofdstuk 40 kan ethyleen-propyleenrubber daarom niet worden aangemerkt als rubber van Hoofstuk 40. Het product is aan te merken als een vel van kunststof van polymerisatieproducten verkregen door polyadditie, zonder celstructuur en versterkt met een weefsel van kunststof van polyester.

Advies goederencode: 3921.9060".

2.3. Belanghebbende heeft een heronderzoek gevorderd. De uitslag van dit onderzoek van 9 juni 1998, nummer …, luidt als volgt:

"In de inleiding van het rapport van het onderzoek instituut BDA wordt het product H omschreven als: een kunststof dakbaan, gebaseerd op ethyleen propyleen rubber met toeslagstoffen voor UV-stabilisatie en brandvertraging. Dit komt overeen met de bevindingen van het douane laboratorium nl.:

Het product bestaat uit een weefsel van polyester vezels dat aan beide zijden bekleed is met kunststof, zonder celstructuur, van een copolymeer van ethyleen en propyleen. Ethyleen-propyleen rubber (EP rubber) is namelijk een copolymeer van ethyleen en propyleen waarin de beide monomeer eenheden elkaar afwisselen. De structuur van dit product vertoont grote overeenkomst met die van natuurlijke rubber wat de rubberachtige eigenschappen verklaart. Het grote verschil met natuurlijke rubber is echter dat EP-rubber geen koolstof-koolstof onverzadigdheid bevat terwijl dit wel het geval is in natuurlijke rubber. In aantekening 4a op hoofdstuk 40 wordt gesteld dat, voor indeling in hoofdstuk 40, synthetische rubbers onverzadigdheid moeten bevatten en dat ze op niet-omkeerbare wijze door vulkanisatie met zwavel moet kunnen worden omgezet in niet thermoplastische producten die niet afbreken indien zij, bij een temperatuur tussen 18 en 29° C, uitgerekt worden tot driemaal hun aanvankelijke lengte en die, na te zijn uitgerekt tot tweemaal hun aanvankelijke lengte, binnen vijf minuten weer krimpen tot een lengte, niet groter dan anderhalf maal hun aanvankelijke lengte. Echter EP-rubber is een copolymeer zonder koolstof-koolstof onverzadigdheid en kan daarom niet gevulkaniseerd worden met zwavel. EP-rubber voldoet daarom niet aan de eisen gesteld in aantekening 4a en moet aangemerkt worden als een kunststof van hoofdstuk 39.

Ter verduidelijking nog het volgende:

EP-rubber is inderdaad in grote lijnen vergelijkbaar met EPDM. Echter EPDM bevat naast de ethyleen en propyleen monomeren tevens een klein percentage van een monomeer dat koolstof-koolstof onverzadigdheid bevat. Om die reden is EPDM wel te vulkaniseren met zwavel. Wanneer het met zwavel gevulkaniseerde EPDM voldoet aan de andere eisen gesteld in aantekening 4a, wordt dit product ingedeeld in hoofdstuk 40.Op grond van aantekening 2a punt 3 op hoofdstuk 59 moet H niet aangemerkt worden als een weefsel bekleed met kunststof maar als een vel van kunststof zonder celstructuur van een copolymeer van ethyleen en propyleen versterkt met een weefsel.

Advies goederen code: 3921.9060.90.00".

2.4. Bij de beëindiging van de verificatie op 27 april 1998 zijn de goederen in afwijking van de aangifte ingedeeld onder post 3921 90 60 van het GDT, waarvoor ten tijde van de aangifte een douanerecht van 10,1% gold. Als gevolg hiervan is van belanghebbende f 7.774,-- geheven.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of de onderhavige goederen moeten worden ingedeeld onder post 3921 90 60 van het GDT, zoals de inspecteur bepleit, dan wel onder post 4002 70 00, hetgeen belanghebbende voorstaat. Voormelde posten luiden als volgt:

Post 3921 90 60:

"3921 Andere platen, vellen, foliën, stroken en strippen,

van kunststof:

- met celstuctuur

(...)

3921 90 - andere

(...)

3921 90 60 -- van polymerisatieproducten verkregen door

additie".

Post 4002 70 00

"4002 Synthetische rubber en uit olie vervaardigde factis,

in primaire vormen of in platen, vellen of strippen;

mengsels van producten bedoeld bij post 4001 met

producten bedoeld bij deze post, in primaire

vormen of in platen, vellen of strippen:

(...)

4002 70 00 - ethyleen-propyleen-ideen (niet-geconjugeerd)

rubber (EPDM)".

Partijen hebben Aantekening 4, onderdeel a, op Hoofdstuk 40 van het GDT en en de Toelichting IDR op Aantekening 1 op Hoofdstuk 40 van het GDT in hun beschouwingen betrokken. Aantekening 4 luidt, voorzover van belang, als volgt:

Aantekening 4:

"4. Onder "synthetische rubber" bedoeld bij aantekening 1 op dit hoofdstuk en bij post 4002 worden verstaan:

a) onverzadigde synthetische stoffen die op niet-omkeerbare wijze door vulkanisatie met zwavel kunnen worden omgezet in niet-thermoplastische producten die niet afbreken indien zij, bij een temperatuur tussen 18 en 29°C, uitgerekt worden tot driemaal hun aanvankelijke lengte en die, na te zijn uitgerekt tot tweemaal hun aanvankelijke lengte, binnen vijf minuten weer krimpen tot een lengte, niet groter dan anderhalfmaal hun aanvankelijke lengte.".

De Toelichting IDR op Aantekening 1 op Hoofdstuk 40 van het GDT luidt, voorzover van belang:

Toelichting IDR op Aantekening 1 op Hoofdstuk 40:

"De term "gevulkaniseerd" heeft gewoonlijk betrekking op rubber (synthetische rubber daaronder begrepen) waarin dwarsverbindingen tot stand gebracht zijn met behulp van zwavel of ongeacht welk vulkanisatiemiddel (bijvoorbeeld zwavelchloride, bepaalde oxiden van meerwaardige metalen, selenium, tellurium, thiuramdisulfiden en thiuramtetrasulfiden, bepaalde organische peroxiden, bepaalde synthetische polymeren), al dan niet met gebruik van druk, warmte of hogeenergiestraling, zodat een product is verkregen dat van een hoofdzakelijk plastische staat is overgegaan in een hoofdzakelijk elastische staat. Benadrukt wordt dat de criteria voor de vulkanisatie met zwavel alleen dienen te worden toegepast in het kader van Aantekening 4 IDR, dat wil zeggen voor het bepalen of een zelfstandigheid al dan niet synthetische rubber is. Wanneer is vastgesteld dat een zelfstandigheid synthetische rubber is, worden de daaruit vervaardigde artikelen als artikelen van gevulkaniseerde rubber beschouwd voor de toepassing van de posten 40.07 tot en met 40.17, ongeacht of zij met zwavel of met een ander vulkanisatiemiddel zijn gevulkaniseerd.".

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De inspecteur erkent dat het onderhavige product de eigenschappen van synthetische rubber bezit. Naar aard en gebruik is het een synthetische rubber. Het arrest van het Hof van Justitie van 2 juli 1981, zaak nr. 160/80, Jur. 1981, blz. 1767, betekent dat een product niet kan worden ingedeeld in een post aan de bewoordingen waarvan het naar aard en samenstelling voldoet, indien de systematiek van het GDT zich tegen zodanige indeling verzet.

4.2. Het onderhavige product komt tot stand in een modern productieproces; in het kader daarvan is het niet mogelijk materiaal dat nog dubbele koolstofverbindingen kent, te isoleren om dit vervolgens te vulkaniseren met zwavel, alleen om te voldoen aan de bewoordingen van Aantekening 4. De bewoordingen van die Aantekening eisen ook niet dat de onverzadigde stof daadwerkelijk met zwavel wordt gevulkaniseerd. Op theoretische basis is het mogelijk de chemische reactie van vulkanisatie met zwavel op te stellen. De kenmerken van het product zouden niet wezenlijk veranderen, wel de stabiliteit van het product.

4.3. Gezien de huidige stand van de techniek kan de vraag worden gesteld of het vereiste van vulkaniseerbaarheid met zwavel nog wel relevant is. Volgens prof. dr. ir. I, hoogleraar rubbertechnologie aan de Technische Universiteit X, wordt in de handelsliteratuur de volgende definitie gehanteerd om te bepalen of een product als rubber kan worden aangemerkt: "Als het materiaal tenminste tot drie keer de oorspronkelijke lengte is op te rekken zonder dat het breekt en als het tevens na een verlenging van 200% binnen en minuut weer tot maximaal anderhalf keer de oorspronkelijke lengte terugkeert, is er sprake van rubber.". Het onderhavige product voldoet aan dit criterium.

4.4. Indien daarvoor gegronde redenen zijn, kunnen de aantekeningen op de hoofdstukken van het GDT buiten beschouwing blijven. Dergelijke redenen doen zich in casu voor; de aantekening dateert uit een tijd dat de toegepaste productietechniek van het ingevoerde synthetische rubber nog niet was ontwikkeld. Synthetische rubber, geproduceerd volgens de modernste technieken, bevat geen dubbele koolstofbindingen meer.

4.5. Het onderhavige product is goed vergelijkbaar met EPDM, een van de bekendste synthetische rubbers.

4.6. Indien de Douanekamer de het standpunt van belanghebbende niet zou delen, wordt verzocht inzake de indeling van het onderhavige product een prejudiciële vraag te stellen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende stelt dat het productieproces niet toelaat materiaal dat nog dubbele koolstofverbindingen kent, te isoleren om het vervolgens te vulkaniseren met zwavel. Nu derhalve niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor indeling, gesteld in Aantekening 4, onderdeel a, op Hoofdstuk 40 van het GDT, kan het product niet worden aangemerkt als synthetische rubber en moet het worden ingedeeld als een kunststof van Hoofdstuk 39.

5.2. Betwist wordt dat via een theoretisch model kan worden aangetoond dat vulkanisatie met zwavel wel mogelijk is. Volgens de chemici van het laboratorium is het niet mogelijk een zwavelatoom in een koolstofketen in te bouwen. Tijdens vulkanisatie met zwavel wordt normaal gesproken een driedimensionaal netwerk gevormd. In de door belanghebbende toegepaste methode wordt slechts een tweedimensionaal netwerk gevormd. Vulkanisatie is in de praktijk niet mogelijk, waardoor evenmin kan worden getoetst of aan de tweede voorwaarde van Aantekening 4 - de rek- en krimpproef - wordt voldaan. Er kan verschil zijn tussen het begrip "rubber" in handelstechnische zin, en het tarieftechnische begrip "rubber".

5.3. EPDM heeft, anders dan het onderhavige product, dubbele koolstofbindingen (koolstof-koolstof overzadigdheid); daardoor is het wel vulkaniseerbaar met zwavel.

5.4. Hetgeen in de aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken van het GDT is vermeld, is mede wettelijk bepalend voor de indeling van de goederen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, moet ervan worden uitgegaan dat het bij de vervaardiging van het onderhavige product toegepaste productieproces een product doet ontstaan, dat zich niet leent voor vulkanisatie met zwavel. Belanghebbende heeft vooropgesteld dat door de bijzondere wijze van produceren het eindproduct niet meer kan worden gevulkaniseerd, en heeft voorts volstaan met te wijzen op een louter theoretische mogelijkheid van vulkanisatie waarbij de stabiliteit van het product (wezenlijk) wijzigt. Dit vormt op zichzelf onvoldoende grondslag voor de conclusie dat aan Aantekening 4, onderdeel a, op Hoofdstuk 40 van het GDT is voldaan, mede in het licht van de betwisting door de inspecteur dat in een theoretisch model kan worden aangetoond dat een dergelijke vulkanisatie mogelijk zou zijn.

6.2. Ingevolge de Algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur zijn (onder meer) de aantekeningen op de hoofdstukken wettelijk bepalend voor de indelingen onder de posten en de onderverdelingen van de posten van het GDT. De omstandigheid dat nieuwe productietechnieken voor gesynthetiseerd rubber zijn ontwikkeld, kan er niet toe leiden dat de sub 6.1. genoemde Aantekening buiten toepassing blijft. Immers, wanneer technische ontwikkelingen een andere tariefindeling rechtvaardigen, is het de taak van de Raad en de Commissie het GDT te wijzigen, maar mag men niet, naar gelang van de technische ontwikkeling, het GDT anders gaan uitleggen (H.v.J. 20 januari 1989, zaak nr. 234/87, Jur. 1989, blz. 63). Voorts valt niet in te zien dat, zoals belanghebbende met verwijzing naar het sub 4.1. genoemde arrest van het Hof van Justitie lijkt te betogen, de systematiek van het GDT zich tegen de indeling overeenkomstig genoemde Aantekening 4 verzet. De Douanekamer ziet derhalve geen aanleiding het Hof van Justitie op grond van artikel 234 EG te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitleg van de in het geding zijnde postonderverdelingen.

6.3. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat EPDM rubber van post 4002 70 00 een andere samenstelling heeft dan het onderhavige product, en wel vulkaniseerbaar met zwavel is. Derhalve kan de verwijzing naar EPDM rubber belanghebbende niet baten.

6.4. Gelet op het hiervoor overwogene staat Aantekening 4, onderdeel a, op hoofdstuk 40 van het GDT aan indeling van de onderhavige goederen onder post 4002 in de weg. Met toepassing van de in 6.2. genoemde algemene indelingsregels moeten de goederen worden ingedeeld onder post 3921 90 60 van het GDT.

6.5. Het beroep is ongegrond.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen in raadkamer op 22 juli 2003 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en mr. M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.