Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2003
Datum publicatie
30-01-2004
Zaaknummer
99/90229
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat betaling van een douaneschuld in de zin van artikel 233 van het CDW heeft plaatsgevonden raakt niet de rechtmatigheid van (één of meer) uitnodigingen tot betaling als bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het CDW juncto artikel 22a van de AWR, waarin het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit die douaneschuld is medegedeeld. In casu heeft betaling van het bedrag van de rechten door een medeschuldenaar tot gevolg dat de douaneschuld teniet is gegaan, maar dit laat onverlet dat de inspecteur belanghebbende terecht door middel van het uitreiken van de uitnodiging tot betaling als schuldenaar voor de onderwerpelijke douaneschuld heeft aangesproken. Verder is de Douanekamer van oordeel dat geen sprake is geweest van een vergissing als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW, zodat de bestreden uitspraak wordt bevestigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 99/90229 DK (voorheen: nr. 0229/99 TC)

de dato 30 mei 2003

1. De procedure

1.1. Op 25 november 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van A van B N.V. te Z, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 15 november 1999, nr. ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 29 oktober 1996, nr. ……, vermelde bedrag aan douanerechten, in totaal f 59.158,80 (e 26.845,09), werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 10 september 2002. Daar zijn verschenen namens belanghebbende A en namens de inspecteur mr. E en F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in opdracht van G B.V. te X (hierna: G) in de jaren 1994 en 1995 bij de douane te D aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor textielproducten, afkomstig uit Laos. Op de aangiften werd door vermelding van code 142 aanspraak gemaakt op toepassing van een preferentieel tarief in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (hierna: het APS). Ten bewijze van de oorsprong werden certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd waarop de exporteur van de goederen H te Vientiane (Laos) verklaart dat de textielproducten zijn gefabriceerd in Laos en voldoen aan de voorwaarden die in het kader van het APS zijn gesteld. De formulieren A zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit, de Lao National Chamber of Commerce and Industry te Vientiane (hierna: C.C.I.). De goederen zijn met toepassing van het preferentiële tarief in het vrije verkeer gebracht.

2.2. Bij brief van 14 oktober 1996, met kenmerk ……, heeft de inspecteur aan belanghebbende, voorzover hier van belang, het volgende medegedeeld:

"(…)

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van een aantal fraudesignalen een ad hoc-missie samengesteld, welke in november 1995 een onderzoek heeft ingesteld in de Volksrepubliek Laos naar de echtheid en geldigheid van in Laos in de voorafgaande jaren voor textielproducten afgegeven formulieren A, welke bij de invoer van die goederen in de Gemeenschap zijn overgelegd ter staving van de oorsprong uit Laos. Aan dat onderzoek is medewerking verleend door de Laotiaanse regering. Het onderzoek richtte zich in de eerste plaats op de afgifte van de certificaten door de daarvoor aangewezen autoriteit, te weten de C.C.I. Daarnaast zijn ter plaatse onderzoeken ingesteld bij een representatief aantal textielfabrikanten/exporteurs.

Valse certificaten c.q. ongeldige certificaten

(…)

Ten aanzien van de overige door haar onderzochte, bij invoer in Nederland overgelegde certificaten is vastgesteld dat zij wel door de C.C.I. zijn afgegeven. Bij het onderzoek van de onderliggende dossiers en de zich daarin bevindende douanedocumenten is evenwel gebleken dat de certificaten in alle onderzochte gevallen betrekking hadden op de uitvoer van goederen, welke voorafgaand tijdelijk in Laos waren ingevoerd. Bovendien maakten de door de fabrikanten/exporteurs daarbij overgelegde bescheiden slechts melding van fabricagekosten, welke in rekening waren gebracht ter zake van de be-/verwerking van de goederen.

De missie heeft uit haar bevindingen ten aanzien van de onderzochte, door de C.C.I. afgegeven certificaten van oorsprong geconcludeerd dat deze ten onrechte door de C.C.I. zijn geldig gemaakt, en dat de goederen waarvoor de certificaten zijn afgegeven, niet voldoen aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als van oorsprong uit de Volksrepubliek Laos. Voor deze goederen bestond derhalve bij invoer in de Europese Gemeenschap geen aanspraak op de toekenning van een verlaagd douanerecht in het kader van het APS. De Laotiaanse regering en de C.C.I. hebben deze conclusie bevestigd.

Ten slotte heeft de missie bij het door haar ingestelde onderzoek kunnen vaststellen dat in de Volksrepubliek Laos geen vervaardiging plaatsvindt van textielproducten, welke kan voldoen aan de voorwaarden voor een preferentiële behandeling bij invoer in de Gemeenschap binnen het stelsel van het APS. Daaruit kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen van bij de invoer overgelegde certificaten van oorsprong voor textielproducten uit Laos, deze certificaten door de C.C.I. ten onrechte zijn geldig gemaakt.

Navordering

Uit het voorgaande volgt dat bij de door uw bedrijf gedane invoeraangiften voor textielproducten uit Laos ten onrechte aanspraak is gemaakt op een preferentieel tarief, nu de overgelegde oorsprongsbescheiden vals dan wel ongeldig zijn gebleken. Als gevolg daarvan is ter zake van de invoer een lager bedrag aan douanerechten geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag. Krachtens artikel 220, eerste lid, van het CDW (Verordening (EEG) nr. 2913/92) zullen daarom aanvullend in te vorderen bedragen aan rechten geboekt worden. Op grond van het bepaalde in artikel 201, derde lid, eerste volzin, van het CDW is uw bedrijf als aangever schuldenaar voor de douaneschuld.

(…)

Ik merk ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de navordering nog het volgende op. Ik heb aanleiding de opdrachtgever voor de onderhavige invoeraangiften op grond van het bepaalde in de laatste volzin van art. 201, derde lid, van het CDW mede aan te merken als schuldenaar voor de douaneschuld. In verband daarmee zal ook aan de opdrachtgever een uitnodiging tot betaling voor de aanvullend in te vorderen rechten worden gezonden. Daarbij heb ik de intentie de invordering van de schuld in eerste aanleg volledig te richten op de medeschuldenaar en voorshands niet op uw bedrijf. De ontvanger bij het douanedistrict zal u in verband daarmee tegelijk met de toezending van de uitnodiging tot betaling ambtshalve uitstel van betaling verlenen.

(…)".

2.3. Op 29 oktober 1996 is aan belanghebbende de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling uitgereikt voor de volgende aangiften:

Aangifte Datum Goederen Form A Te heffen douanerechten

…… 1 juni 1994 184 kartons poloshirts 10426 f 12.235,10

…… 2 juni 1994 13 kartons T-shirts 10441 f 610,30

…… 22 juli 1994 310 kartons sous pulls 10210 f 17.167.10

…… 27 januari 1995 120 kartons poloshirts 10744 f 2.403,40

…… 29 juni 1995 224 kartons herentops 14307 f 2.273,70

…… 31 juli 1995 348 kartons pully-shirts 14955 f 7.111,50

…… 31 juli 1995 6553 stuks pully-shirts 14955 f 4.611,00

…… 31 juli 1995 5733 stuks serafino shirts 14955 f 4.097.70

…… 31 juli 1995 5403 stuks serafino shirts 14955 f 3.861,70

…… 31 juli 1995 2844 stuks poloshirts 14955 f 2.125,80

…… 31 juli 1995 2724 stuks poloshirts 14955 f 2.036,20

…… 26 oktober 1995 21 kartons pully-shirts 15546 f 271,20

…… 26 oktober 1995 146 stuks pully-shirts 15546 f 42,10

…… 26 oktober 1995 336 stuks serafino shirts 15546 f 96,90

…… 26 oktober 1995 570 stuks serafino shirts 15546 f 164,80

…… 26 oktober 1995 109 stuks poloshirts 15546 f 28,50

…… 26 oktober 1995 83 stuks poloshirts 15546 f 21,80

Totaal f 59.158,80

Ook aan G is op die dag voor dezelfde bedragen een uitnodiging tot betaling ter zake van de hiervoor genoemde aangiften uitgereikt. Op 18 november 1996 heeft de inspecteur I, werkzaam bij G, aangesproken tot betaling van de verschuldigde douanerechten door aan hem een uitnodiging tot betaling uit te reiken.

2.4. Tot de processtukken behoort een naar aanleiding van het sub 2.2. in Laos door een EG-missie verricht onderzoek opgemaakt rapport van de Commissie van 9 juli 1996, nr. ……, dat, voorzover hier van belang, als volgt luidt:

"Certificates issued by LNCCI - Visit to the companies

(…)

In total 24 textile companies were visited in order to check the production capacity, the book-keeping and the records (…).

(…)

All 24 exporters declared in writing that all production for export was made from 100% imported woven or knitted fabric. They stated as a fact that the quality of domestic production of fabric was such that it could not be used for export.

(…)

Following companies were visited:

(…)

H (…)

(…)

VI Conclusion

It is the conclusion of the mission, based on the information gained during the course of the joint enquiries, statements of the representatives of the competent Laotian authorities and other government representatives, interviews with responsible officers of the relevant garment manufactures/exporters and detailed examination of company records and the records at the premises of the competent authorities; that - with the exception of small quantities of "ethnic" design or specialised garments - only non-originating raw materials have been used, in the past, by Laotian garment manufacturers in order to obtain finished products - ready made garments - exported to the European Community under cover of GSP certificates of origin Form A.".

2.5. Tot de gedingstukken behoort een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, vestiging W (hierna: FIOD), van 26 februari 1996, dossiernummer ……, met onder meer een verklaring van de managing director van de Laotiaanse exporteur H. die, voorzover hier van belang, als volgt luidt:

"This company started operation in November 1993 and produced certain textile garment such as T-Shirts, Polo Shirts and Sweat Shirts. All of the finished garments are sold to date with Laos GSP Form 'A' to customers in Europe. The production of the garments as mentioned above and exported with GSP Form 'A' certificate to the European Union countries has taken place to date exclusively from knitted fabrics, imported from other Asian countries such as PRC China, Hong Kong, Taiwan & Thailand. This factory in Vientiane has been visited on several occasions by many European Customers such as (…) & my agent from Holland Mr. I. My customers were aware of the fact that raw materials were originated from other Asian countries.".

2.6. Op 25 november 1999 heeft de ontvanger belanghebbende onder meer het volgende bericht:

"(…)

Ook dhr. I had een bezwaarschrift ingediend. Op basis van art. 244 CDW heb ik, teneinde uitstel te kunnen verlenen voor de duur van de behandeling van het bezwaarschrift, een zekerheid geëist. Die zekerheid heeft hij steeds voor een beperkte duur gesteld. Op een gegeven moment zag dhr. I van het steeds weer stellen van een zekerheid af en besloot tot betaling over te gaan. Die betaling is alhier ontvangen op 21 mei 1999. (…) Uiteindelijk is dus de gehele ten name van dhr. I openstaande belastingschuld door hem op 15 juni 1999 voldaan.

Uw conclusie dat de invordering als gevolg van de betaling door dhr. I als gelukt moet worden beschouwd, is in mijn ogen een te snelle conclusie. Zoals u weet heeft dhr. I tegen de afwijzende uitspraak op zijn bezwaarschrift een beroepschrift ingediend bij de Tariefcommissie. Als gevolg daarvan is de aan dhr. I uitgereikte uitnodiging tot betaling nog niet onherroepelijk komen vast te staan.

(…).".

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling moet worden vernietigd op grond van de omstandigheid dat de douaneschuld teniet is gegaan, nu de persoon die mede hoofdelijk tot betaling van deze schuld was gehouden, de verschuldigde douanerechten heeft betaald. Subsidiair verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of onder de gegeven omstandigheden navordering op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) achterwege had moeten blijven.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. In de sub 2.6. geciteerde brief heeft de douane bevestigd, dat de heer I op 15 juni 1999 zijn douaneschuld volledig heeft voldaan. Op grond van artikel 233, aanhef, onder a, CDW ging door de betaling van de heer I de douaneschuld van belanghebbende teniet. In gevallen, waarin meerdere personen als douaneschuldenaren zijn aangemerkt voor één en dezelfde douaneschuld, doet het er niet toe wie deze douaneschuld betaalt; van belang is uitsluitend dat die douaneschuld is betaald. Het instellen van bezwaar of beroep en een uitspraak van de Douanekamer hebben niets te maken met het herroepelijk of onherroepelijk zijn van een betaling van douanerechten.

4.2. De Laotiaanse overheid heeft nagelaten de autoriteiten, die bevoegd waren om de formulieren A af te geven, in te lichten over de regels die in het kader van het APS van toepassing zijn. De Laotiaanse autoriteiten hebben jarenlang duizenden certificaten van oorsprong afgegeven, hetgeen duidt op een actieve gedraging. Er is derhalve sprake van een vergissing van de Laotiaanse autoriteiten, die belanghebbende zelf redelijkerwijs niet kon ontdekken. Belanghebbende heeft bij de overlegging van de certificaten van oorsprong volledig te goeder trouw gehandeld, en zich gehouden aan alle voorschriften op douanegebied. Gelet op het vorenstaande had de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW niet bij belanghebbende mogen navorderen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Een betaling in de zin van artikel 233, aanhef, onder a, CDW wordt pas onherroepelijk als de schuld, waarvoor die betaling dient, onherroepelijk is komen vast te staan, en de douaneschuldenaar zich niet langer tegen de betaling kan verzetten. Naast belanghebbende, de aangever van de onderhavige goederen, zijn op grond van artikel 201, derde lid, CDW in dit geval ook andere personen als douaneschuldenaar aangewezen. De definitieve betaling van de douaneschuld is tot op heden uitgebleven; de betaling is verzekerd doordat één van de medeschuldenaren een geldbedrag bij de ontvanger heeft gedeponeerd. Zolang de douaneschuld nog niet onherroepelijk bij één van de douaneschuldenaren is vastgesteld, kan de ontvanger deze zekerheid niet omzetten naar een definitieve betaling. De andere douaneschuldenaren hebben zich tegen de betaling van de douaneschuld verzet en hun schuldenaarschap is in rechte nog niet definitief vastgesteld, zodat de douaneschuld nog niet is tenietgegaan als bedoeld in artikel 233, aanhef, onder a, CDW.

5.2. Wat betreft belanghebbendes beroep op artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW wordt verwezen naar de jurisprudentie van de Tariefcommissie, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat in dit geval wel terecht is nagevorderd.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De feiten die tot de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling hebben geleid, hebben plaatsgevonden in 1994 en 1995; derhalve zijn voor de grondslag van de verschuldigdheid van de douanerechten van toepassing de destijds geldende bepalingen van het CDW en de Wet inzake de douane (hierna: WD).

6.2. In artikel 4, onderdeel 9, van het CDW wordt een douaneschuld omschreven als 'de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer (douaneschuld bij invoer) of de rechten bij uitvoer (douaneschuld bij uitvoer) die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen'. Ingevolge artikel 4, onderdeel 12, van het CDW is een schuldenaar 'elke persoon die gehouden is tot betaling van het bedrag van de douaneschuld'. Belanghebbende bestrijdt - behoudens het gestelde onder 4.2., waarop hierna onder 6.6. zal worden ingegaan - niet dat ter zake van de sub 2.3. genoemde aangiften een douaneschuld bij invoer in de zin van artikel 201, eerste lid, onder a, van het CDW is ontstaan, en dat zij als aangever op grond van het artikel 201, derde lid, schuldenaar is. Door middel van de uitreiking van een uitnodiging tot betaling heeft de inspecteur op de voet van artikel 221, eerste lid, van het CDW juncto artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan belanghebbende mededeling gedaan van de boeking van de douanerechten en belanghebbende de verplichting opgelegd om de geboekte douanerechten te betalen.

6.3. Indien voor een douaneschuld meerdere personen schuldenaar zijn, zijn deze personen ingevolge artikel 213 van het CDW hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden. Deze hoofdelijke gehoudenheid tot betaling houdt in dat de douaneautoriteiten aan ieder van deze schuldenaren de verplichting kunnen opleggen om het gehele bedrag aan verschuldigde rechten bij invoer te betalen. Het staat in casu vast dat de inspecteur G en I op grond van de derde volzin van artikel 201, derde lid, van het CDW juncto artikel 124e van de WD naast belanghebbende als schuldenaren voor de onder 6.2. bedoelde douaneschuld heeft aangemerkt, en dat hij hun mededeling heeft gedaan van de boeking en de verplichting de geboekte douanerechten te betalen.

6.4. Ingevolge artikel 233, aanhef, onder a, van het CDW gaat de douaneschuld - onder meer - teniet door betaling van het bedrag van de rechten. Deze bepaling moet, gelet op hetgeen in artikel 4, onderdelen 9 en 12, van het CDW als omschrijving van de douaneschuld en de schuldenaar is gegeven, zo worden uitgelegd dat indien een persoon de op hem of haar rustende verplichting tot betaling van rechten bij invoer nakomt, daarmee de verplichting tot betaling van deze schuld jegens de douane-autoriteiten ophoudt te bestaan. Als dan kunnen de douane-autoriteiten - zoals ook de inspecteur heeft erkend - niet nog eens betaling van deze schuldenaar of andere schuldenaren eisen. De omstandigheid dat betaling van een douaneschuld in de zin van artikel 233 van het CDW heeft plaatsgevonden raakt niet de rechtmatigheid van (één of meer) uitnodigingen tot betaling als bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het CDW juncto artikel 22a van de AWR, waarin het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit die douaneschuld is medegedeeld. Immers, deze betreffen de mededeling aan de schuldenaar van het bestaan van zijn verplichting om een douaneschuld te voldoen. Het tenietgaan van de douaneschuld door een betaling van de rechten door de schuldenaar heeft niet tot gevolg dat deze mededeling teniet zou gaan dan wel vernietigd dient te worden. Evenmin kan een dergelijke gevolgtrekking worden gemaakt in een situatie zoals de onderhavige waarin een schuldenaar die mede hoofdelijk is gehouden tot betaling van hetzelfde bedrag aan douanerechten, zijn verplichting tot betaling nakomt. Betaling van het bedrag van de rechten door een medeschuldenaar heeft derhalve tot gevolg dat de douaneschuld teniet is gegaan, maar laat onverlet dat de inspecteur belanghebbende terecht door middel van het uitreiken van de uitnodiging tot betaling als schuldenaar voor de sub 6.2. genoemde douaneschuld heeft aangesproken.

6.5. Uit het vorenstaande volgt dat de door belanghebbende aangevoerde grond niet tot vernietiging van de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling kan leiden.

6.6. Of de inspecteur - zoals belanghebbende betoogt - op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW, had moeten afzien van een navordering, dient aan de hand van de in dit artikel limitatief opgesomde voorwaarden te worden beoordeeld. Onderzocht moet worden of het niet-boeken van het verschuldigde bedrag aan rechten het gevolg is geweest van een vergissing van de douane-autoriteiten zelf, waaronder mede kunnen worden begrepen de tot afgifte van certificaten van oorsprong bevoegde autoriteiten in het land van uitvoer. Van een dergelijke vergissing is geen sprake, wanneer laatstgenoemde autoriteiten op basis van door de fabrikant of exporteur aangeleverde gegevens, die bij een algemene controle geloofwaardig lijken, certificaten van oorsprong geldig maken. Belanghebbende heeft niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten van Laos zelf een actieve bijdrage hebben geleverd bij het verzamelen van de oorspronkelijke gegevens op basis waarvan de certificaten zijn opgemaakt. Evenmin is komen vast te staan dat die autoriteiten, terwijl zij op de hoogte waren van de juiste feitelijke gegevens, de Laotiaanse oorsprong hebben gecertificeerd op basis van een onjuiste uitlegging van de oorsprongsregels. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de Douanekamer dat geen sprake is van een door de Laotiaanse autoriteiten begane vergissing.

6.7. Nu ook anderszins niet is gebleken dat sprake is geweest van een vergissing als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW, leidt hetgeen onder 6.1. tot en met 6.6 is overwogen tot de conclusie dat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen op 30 mei 2003 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, H.J. Bokhorst en mr. E.N. Punt, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.