Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO2416

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2003
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
99/90161
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende voor de opstelling van de litigieuze aangiften gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, als gevolg waarvan ten onrechte geen douanerechten zijn gegeven. Tegenover de betwisting door belanghebbende is de inspecteur er naar het oordeel van de Douanekamer evenwel niet, althans onvoldoende, in geslaagd, zodanige betrokkenheid van belanghebbende aannemelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

In de zaak nr. 99/90161 DK (voorheen: 0161/99 TC)

de dato 30 mei 2003

1. De procedure

1.1. Op 10 augustus 1999 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van mr. A, advocaat te Z, ingediend namens B te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict C (hierna: de inspecteur) van 30 juni 1999, nr. ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 18 november 1997, nr. ……, vermelde bedrag aan douanerechten, in totaal f 78.198,30, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 150,-- (€ 68,07) geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer op 21 november 2002. Daar zijn verschenen belanghebbende, zijn zoon D, en zijn gemachtigde mr. A voornoemd, en namens de inspecteur mr. E. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de jaren 1993, 1994 en 1995 heeft F B.V. te Y importeur van textielproducten (hierna: F) aan de douane-expediteur G B.V. te X (hierna: G) opdrachten verstrekt tot het doen van aangiften voor het vrije verkeer van textielproducten, afkomstig uit Laos. Op de aangiften werd door vermelding van code 142 aanspraak gemaakt op toepassing van een preferentieel tarief in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (hierna: het APS). Ten bewijze van de oorsprong werden certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd waarop de exporteur van de goederen H te Vientiane (Laos) verklaart dat de textielproducten zijn gefabriceerd in Laos en voldoen aan de voorwaarden die in het kader van het APS zijn gesteld. De formulieren A zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit, de Lao National Chamber of Commerce and Industry te Vientiane (hierna: C.C.I.). De goederen zijn met toepassing van het preferentiële tarief in het vrije verkeer gebracht.

2.2. Bij brief van 18 november 1997, met kenmerk ……, heeft de inspecteur aan belanghebbende, voorzover hier van belang, het volgende medegedeeld:

"(…)

De Europese Commissie heeft naar aanleiding van een aantal fraudesignalen een ad hoc-missie samengesteld, welke in november 1995 een onderzoek heeft ingesteld in de Volksrepubliek Laos naar de echtheid en geldigheid van in Laos in de voorafgaande jaren voor textielproducten afgegeven formulieren A, welke bij de invoer van die goederen in de Gemeenschap zijn overgelegd ter staving van de oorsprong uit Laos. Aan dat onderzoek is medewerking verleend door de Laotiaanse regering. Het onderzoek richtte zich in de eerste plaats op de afgifte van de certificaten door de daarvoor aangewezen autoriteit, te weten de Lao National Chamber of Commerce and Industry te Vientiane (de C.C.I). Daarnaast zijn ter plaatse onderzoeken ingesteld bij een representatief aantal textielfabrikanten/exporteurs.

Valse certificaten

De missie heeft vastgesteld dat een deel van de door haar onderzochte, bij invoer in Nederland overgelegde certificaten niet is afgegeven door de daarin vermelde autoriteit, de C.C.I. Van deze certificaten is derhalve gebleken dat zij vals dan wel vervalst zijn. De Laotiaanse regering en de C.C.I. hebben dit bevestigd.

Geldigheid overige certificaten

De missie heeft ten aanzien van de overige door haar onderzochte, bij invoer in Nederland overgelegde certificaten vastgesteld dat zij wel door de C.C.I. zijn afgegeven. Bij het onderzoek van de onderliggende dossiers en de zich daarin bevindende douanedocumenten is evenwel gebleken dat de certificaten in alle onderzochte gevallen betrekking hadden op de uitvoer van goederen, welke voorafgaand tijdelijk in Laos waren ingevoerd. Bovendien maakten de door de fabrikanten/exporteurs daarbij overgelegde bescheiden slechts melding van fabricagekosten, welke in rekening waren gebracht ter zake van de be-/verwerking van de goederen.

(...)

Conclusie inzake de geldigheid

De missie heeft uit haar bevindingen ten aanzien van de onderzochte, door de C.C.I. afgegeven certificaten van oorsprong geconcludeerd dat deze ten onrechte door de C.C.I. zijn geldig gemaakt, en dat de goederen waarvoor de certificaten zijn afgegeven, niet voldoen aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als van oorsprong uit de Volksrepubliek Laos. Voor deze goederen bestond derhalve bij invoer in de Europese Gemeenschap geen aanspraak op de toekenning van een verlaagd douanerecht in het kader van het APS. De Laotiaanse regering en de C.C.I. hebben deze conclusie bevestigd.

Ten slotte heeft de missie bij het door haar ingestelde onderzoek kunnen vaststellen dat in de Volksrepubliek Laos geen vervaardiging plaatsvindt van textielproducten, welke kan voldoen aan de voorwaarden voor een preferentiële behandeling bij invoer in de Gemeenschap binnen het stelsel van het APS. Daaruit kan worden geconcludeerd dat in alle gevallen van bij de invoer overgelegde certificaten van oorsprong voor textielproducten uit Laos, deze certificaten door de C.C.I. ten onrechte zijn geldig gemaakt.

Navordering

Uit het voorgaande volgt dat bij de door uw bedrijf gedane invoeraangiften voor textielproducten uit Laos ten onrechte aanspraak is gemaakt op een preferentieel tarief, nu de overgelegde oorsprongsbescheiden vals dan wel ongeldig zijn gebleken. Als gevolg daarvan is ter zake van de invoer een lager bedrag aan douanerechten geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag. Krachtens artikel 220, eerste lid, van het CDW (Verordening (EEG) nr. 2913/92) zullen daarom aanvullend in te vorderen bedragen aan rechten geboekt worden.

(...)

Mede-aansprakelijkheid voor de douaneschuld

Bij het hiervoor weergegeven onderzoek door de missie heeft de manager van H verklaard dat u bent opgetreden als agent en dat u kennis droeg van het feit dat de weefsels waaruit de textielproducten zijn vervaardigd niet in Laos waren geweven maar rechtstreks waren betrokken uit andere Aziatische landen. Niettegenstaande uw bekendheid met het feit dat de textielproducten niet aan de oorsprongseisen voor het APS systeem voldeden, hebt u de douane expediteur in de invoeraangiften laten verzoeken om toepassing van een preferentieel tarief. In verband daarmee merk ik u, naast F B.V. en de aangever, ingevolge artikel 201, derde lid, tweede alinea, van het CDW mede aan als schuldenaar voor de douaneschuld.".

2.3. Op 18 november 1997 is aan belanghebbende de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling uitgereikt voor de volgende aangiften:

Aangifte Datum Goederen Form A Te heffen douanerechten

…… 20 augustus 1993 15360 stuks hemdtruien 7924 f 8.056,40

…… 20 augustus 1993 17920 stuks hemdtruien 7924 f 9.843,90

…… 20 augustus 1993 1680 stuks T-shirts 7924 f 608,80

…… 20 augustus1993 1440 stuks T-shirts 7924 f 530,40

…… 1 juni 1994 184 kartons poloshirts 10426 f 12.235,10

…… 2 juni 1994 13 kartons T-shirts 10441 f 610,30

…… 22 juli 1994 310 kartons sous pulls 10210 f 17.167.10

…… 27 januari 1995 120 kartons poloshirts 10744 f 2.403,40

…… 29 juni 1995 224 kartons herentops 14307 f 2.273,70

…… 31 juli 1995 348 kartons pully-shirts 14955 f 7.111,50

…… 31 juli 1995 6553 stuks pully-shirts 14955 f 4.611,00

…… 31 juli 1995 5733 stuks serafino shirts 14955 f 4.097.70

…… 31 juli 1995 5403 stuks serafino shirts 14955 f 3.861,70

…… 31 juli 1995 2844 stuks poloshirts 14955 f 2.125,80

…… 31 juli 1995 2724 stuks poloshirts 14955 f 2.036,20

…… 26 oktober 1995 21 kartons pully-shirts 15546 f 271,20

…… 26 oktober 1995 146 stuks pully-shirts 15546 f 42,10

…… 26 oktober 1995 336 stuks serafino shirts 15546 f 96,90

…… 26 oktober 1995 570 stuks serafino shirts 15546 f 164,80

…… 26 oktober 1995 109 stuks poloshirts 15546 f 28,50

…… 26 oktober 1995 83 stuks poloshirts 15546 f 21,80

Totaal f 78.198,30

Ook aan F is op die dag voor dezelfde bedragen een uitnodiging tot betaling ter zake van de hiervoor genoemde aangiften uitgereikt.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een naar aanleiding van het sub 2.2. in Laos door een EG-missie verricht onderzoek opgemaakt rapport van de Commissie van 9 juli 1996, nr. Doc/SG 3595/96, dat, voorzover hier van belang, als volgt luidt:

"Certificates issued by LNCCI - Visit to the companies

(…)

In total 24 textile companies were visited in order to check the production capacity, the book-keeping and the records (…).

(…)

All 24 exporters declared in writing that all production for export was made from 100% imported woven or knitted fabric. They stated as a fact that the quality of domestic production of fabric was such that it could not be used for export.

(…)

Following companies were visited:

(…)

H (…)

(…)

VI Conclusion

It is the conclusion of the mission, based on the information gained during the course of the joint enquiries, statements of the representatives of the competent Laotian authorities and other government representatives, interviews with responsible officers of the relevant garment manufactures/exporters and detailed examination of company records and the records at the premises of the competent authorities; that - with the exception of small quantities of "ethnic" design or specialised garments - only non-originating raw materials have been used, in the past, by Laotian garment manufacturers in order to obtain finished products - ready made garments - exported to the European Community under cover of GSP certificates of origin Form A.".

Het als bijlage bij het rapport gevoegde "Schedule C" bevat een lijst van certificaten "which do not satisfy the rules of origin". In deze bijlage worden onder meer genoemd de certificaten nrs. ……, ……, ……, ……, ……, en …...

2.5. Inzake certificaat nr. …… hebben de Laotiaanse autoriteiten bij brief van 24 april 1998 verklaard: "we (...) found that these Forms were issued by the competent authority of the Lao PDR. They are authentic. These goods were produced in Laos from imported fabrics.".

2.6. Tot de gedingstukken behoort een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, vestiging W (hierna: FIOD), dossiernummer ……, met onder meer een verklaring van de managing director van de Laotiaanse exporteur H van 23 november 1995, die, voorzover hier van belang, als volgt luidt:

"This company started operation in November 1993 and produced certain textile garment such as

T-Shirts, Polo Shirts and Sweat Shirts. All of the finished garments are sold to date with Laos GSP Form 'A' to customers in Europe. The production of the garments as mentioned above and exported with GSP Form 'A' certificate to the European Union countries has taken place to date exclusively from knitted fabrics, imported from other Asian countries such as PRC China, Hong Kong, Taiwan & Thailand. This factory in Vientiane has been visited on several occasions by many European Customers such as (…) & my agent from Holland Mr. B. My customers were aware of the fact that raw materials were originated from other Asian countries.".

3. Het geschil

In geschil is onder meer of belanghebbende met toepassing van artikel 201, derde lid, derde volzin, CDW (casu quo artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988, Pb EG 1988, L 102), jo. artikel 124e van de Wet inzake de douane voor de douaneschuld aansprakelijk kan worden gesteld. Omdat de Douanekamer aangaande dit geschilpunt zal overwegen en beslissen in voege als hierna sub 6. casu quo sub 8. zal volgen, is een omschrijving van de overige geschilpunten en de standpunten van partijen daaromtrent niet relevant.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende was agent voor in het verre oosten te confectioneren kledingstukken; hij werkte voor H en fungeerde als postadres en "doorgeefluik" van dit bedrijf naar F. Hij was nimmer bij de invoer van goederen betrokken. Op hem rustte geen enkele onderzoeksplicht.

Belanghebbende speelde een ondergeschikte rol. Zijn handelen was nimmer gericht

op het ontgaan van de heffing van rechten bij invoer.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende was vaste verkoopagent voor onder meer F, hij was op de hoogte van het productieproces en is ook in Laos geweest. Hij moet hebben geweten hoe nauw de toepassing van de oorsprongscriteria op specifieke textielproducten luistert, en met welk oogmerk die criteria zijn geformuleerd. Hij moet hebben geweten dat de onderhavige textielproducten niet aan de oorsprongscriteria voldeden, en hebben begrepen dat de laotiaanse autoriteiten hadden gedwaald, toen hij de geviseerde certificaten van oorsprong ontving. Ook moet hij, gelet op het belang van een APS-certificaat voor de uiteindelijke inkoop- en kostprijs, op de hoogte zijn geweest van de fiscale gevolgen van het inleveren van een geldig certificaat: de inkoopprijs ligt dan voor de afnemer 12-14% lager. Belanghebbende heeft willens en wetens onjuiste certificaten van oorsprong, hetzij zelf, hetzij door tussenkomst van D, en al dan niet via de postdiensten, aan de aangever ter beschikking gesteld, opdat geen douanerechten zouden worden geheven, terwijl daarop geen aanspraak kon worden gemaakt.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende voor de opstelling van de litigieuze aangiften gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, als gevolg waarvan ten onrechte geen douanerechten zijn gegeven. Tegenover de betwisting door belanghebbende is de inspecteur er naar het oordeel van de Douanekamer evenwel niet, althans onvoldoende, in geslaagd, zodanige betrokkenheid van belanghebbende aannemelijk te maken.

6.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2,5 (beroepschrift, conclusie van repliek, verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x € 322,-- = € 1.207,50. Het onderhavige beroep en het beroep nr. 02/1437 DK, dat gelijktijdig ter zitting is behandeld, zijn samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van genoemd Besluit. Derhalve dient aan belanghebbende ½ x € 1.207,50 = € 603,75 te worden vergoed.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, en de uitnodiging tot betaling van 18 november 1997, nr. ……;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 603,75 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ad € 68,07 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen op 30 mei 2003 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.