Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1855

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2003
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
03/00241
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 3.120, achtste lid, Wet IB 2001. Belanghebbende heeft een eigen woning in Nederland en een chalet in Zwitserland. Tevens heeft hij drie leningen, waarvan twee hypothecaire. Niet alle door belanghebbende in 2001 betaalde rente is aftrekbaar en het beroep op het vertrouwensbeginsel is tevergeefs, evenals dat op het gelijkheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120, geldigheid: 2003-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 105
FutD 2004-0167
FED 2004/66

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur, gedagtekend 11 december 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 december 2003.

Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft in Z een eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende heeft de eigen woning gefinancierd met een hypothecaire geldlening waarvan het saldo op 31 december 2001 € 78.526 bedroeg. Ter zake van deze lening heeft belanghebbende in 2001 € 3.141 rente betaald.

2. Belanghebbende heeft van zijn moeder, mevrouw A, een chalet in Zwitserland gekocht en hij was hiervan in 2001 nog steeds eigenaar. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 heeft hij de waarde van de Zwitserse woning in aanmerking genomen bij de bepaling van de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen. In verband met de aankoop van het chalet heeft belanghebbende in 1992 f 315.000 geleend van zijn moeder; de schuldbekentenis bevatte geen specifieke zekerheden met betrekking tot deze lening. Na aflossingen en schenkingen bedroeg de schuld ultimo 2001 nog f 115.000 (€ 52.184). In 2001 heeft belanghebbende ter zake van deze lening € 3.335 rente betaald.

3. In 1997 heeft belanghebbende bij B N.V. een hypothecaire lening van € 81.680 afgesloten. Van deze lening heeft belanghebbende € 68.067 benut voor een gedeeltelijke aflossing van de schuld aan zijn moeder; het restant heeft hij benut voor het verbeteren van zijn liquiditeitspositie. In 2001 heeft belanghebbende ter zake van deze lening € 4.533 rente betaald.

4. In het beroepschrift schrijft belanghebbende onder meer:

1 Ik ben het niet eens met het standpunt van de Belastingdienst dat de door mij betaalde rente over de vorderingen op mij van mevrouw A en B NV niet in aftrek mogen worden gebracht als financieringskosten in het kader van de eigen woning. Het betreft een bedrag van Euro 7868 te verminderen met Euro 756 (5,55% x Euro 13613 die voor andere doeleinden dan de eigen woning is gebruikt), derhalve in totaal Euro 7112.

2 Weliswaar zijn de van mevrouw A en B NV geleende gelden (met uitzondering van de genoemde Euro 13613) gebruikt voor de financiering van mijn tweede woning; deze financiering is tot stand gekomen per 31.12.1992.

5. Voor het jaar 2001 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een verzamelinkomen van € 87.385. Dat inkomen bestond voor € 83.277 uit inkomen uit werk en woning en voor € 4.108 uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur de rente op de leningen, omschreven onder 2 en 3, niet in aftrek gebracht. Voorts heeft hij deze leningen in aanmerking genomen bij het vaststellen van de rendementsgrondslag ter berekening van de het inkomen uit sparen en beleggen, waardoor dat inkomen uitkwam op nihil.

6. Belanghebbende stelt dat het onder 4 genoemde bedrag van € 7.112 in aanmerking kan komen als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning en dan ook kan vallen onder het inkomen uit werk en woning. Hij beroept zich zowel op het vertrouwensbeginsel omdat "als onder een bepaald fiscaal regiem een bepaalde beslissing wordt genomen, de fiscale behandeling van de door die beslissing ontstane situatie niet wordt veranderd zolang die situatie niet veranderd" als op het gelijkheidsbeginsel omdat de onder 2 en 3 genoemde leningen gelijksoortig zijn aan hypothecaire leningen, afgesloten vóór 31 december 1995, waarvan de rentelasten door alle eigen woning-bezitters afgetrokken mogen worden, ongeacht de aanwending van de geleende middelen.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat het genoemde bedrag van € 7.112 op grond van de Wet IB 2001 (waaronder het achtste lid van artikel 3.120) niet in aanmerking kan komen ter berekening van het inkomen uit werk en woning. Het Hof acht dit standpunt juist. Evenmin heeft de wetgever voor de situatie van belanghebbende enige wettelijke voorziening getroffen in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. De inspecteur heeft de aanslag dan ook opgelegd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

8. Op basis van het vertrouwensbeginsel dient een inspecteur, een bestuursorgaan, de gerechtvaardigde verwachtingen die hij bij belastingplichtigen ten aanzien van een door hem te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover hem kan beroepen, te respecteren. Het vertrouwensbeginsel, een beginsel van behoorlijk bestuur, strekt zich echter niet uit tot de wetgever. Het staat de wetgever vrij de wettelijke regeling te veranderen en andere fiscale gevolgen te verbinden aan een reeds bestaand feitencomplex. Dat de wetgever voor het onderhavige geval geen overgangsregeling heeft getroffen als beoogd door belanghebbende, staat niet ter beoordeling van de rechter.

9. Het gelijkheidsbeginsel, eveneens een beginsel van behoorlijk bestuur, strekt zich evenmin uit tot de wetgever. Het staat de rechter niet vrij de bepaling van het achtste lid van artikel 3.120 van de Wet IB 2001 (behelzende een wettelijke fictie voor per 31 december 1995 bestaande schulden, verzekerd door een hypotheek op de eigen woning) ook toe te passen op de onder 2 en 3 genoemde schulden, te minder nu de wetgever er blijkens de wetsgeschiedenis nadrukkelijk voor gekozen heeft deze bepaling niet van toepassing te laten zijn op per 31 december 1995 bestaande, niet-hypothecair verzekerde schulden (onder meer Kamerstukken II, 26 727, nummer 3, blz. 157; Kamerstukken I, 26 727/26 728, nummer 202C, blz. 38 en 39).

Om doelmatigheidsredenen heeft de staatssecretaris voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gesteld dat de Belastingdienst er in beginsel vanuit moet gaan dat in 1995 bestaande geldleningen die zijn verzekerd door hypotheek op de eigen woning, betrekking hebben op de verwerving, het onderhoud en/of de verbetering van die woning, mits de schuldpositie blijkt uit de aangifte 1995. Nu in de situatie van belanghebbende ultimo 1995 geen sprake was van een hypothecaire zekerheid voor de onder 2 en 3 genoemde schulden, is er geen sprake van gelijke gevallen, nog daargelaten de vraag of een dergelijke beleid van de staatssecretaris, gelet op de vorige alinea, zou kunnen doorwerken voor de jaren na 2000.

10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

11. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 31 december 2003 door mr. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.