Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1632

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-004576-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2002:AF1189
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht (onder meer) bewezen dat verdachte zich - door uit een rijdende auto met een pistool op het slachtoffer te schieten - heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op het slachtoffer, doch ook op de zich in de buurt van het slachtoffer bevindende omstanders (slachtoffers 2 en 3).

Volgt veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar.

Ten aanzien van de motivering van de strafoplegging sluit het hof aan bij de uitgebreide motivering van de rechtbank, die als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004576-02

datum uitspraak 10 november 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 27 november 2002 in de strafzaak onder parketnummer 13-124365-01 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring "Almere Binnen" te Almere.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 13 november 2002 en in hoger beroep van 7 augustus 2003 en 27 oktober 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2003 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

-ten aanzien van feit 1-

hij op 26 oktober 2001 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven met die opzet met een vuurwapen vanuit een rijdende auto meermalen in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] heeft geschoten;

-ten aanzien van feit 2-

hij op 26 oktober 2001 te Amsterdam met anderen op de openbare weg, de Bos en Lommerweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het naar die [slachtoffer 1] toelopen en het dicht bij die [slachtoffer 1] gaan staan en uit het richten van een vuurwapen op genoemde [slachtoffer 1] en uit het meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en het slaan tegen het hoofd van genoemde [slachtoffer 1] en uit het slaan met een hard voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 1] en uit het schoppen in de zij en in het gezicht van die op de grond liggende [slachtoffer 1];

-ten aanzien van feit 3-

hij op 3 januari 2002 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, kaliber 9x19 mm en munitie van categorie III, te weten 25 patronen merk S&B, kaliber 9 mm luger en 15 patronen, merk Geco, kaliber 9 mm luger, voorhanden heeft gehad;

-ten aanzien van feit 4-

hij op 26 oktober 2001 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een autoband toebehorende aan [slachtoffer 4] heeft vernield door vanuit een rijdende auto een kogel in die band te schieten.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Voorafgaande aan de schietpartij is de verdachte in een auto, gezeten op de passagiersplaats, langs [slachtoffer 1] gereden en heeft hij, terwijl de auto werd stilgezet, het pistool op de aan de kant van de straat staande [slachtoffer 1] gericht, in een woonwijk waar, naar verdachte kon waarnemen, zich ook anderen op straat bevonden.

De auto is vervolgens gekeerd en nogmaals langs [slachtoffer 1] gereden. De verdachte heeft toen vanuit de rijdende auto, hangend met zijn bovenlijf uit het autoraampje en met zijn hoofd en arm uitstekend boven het dak, vijftien kogels in de richting van de zich (nog steeds) aan de overkant van die straat bevindende [slachtoffer 1] afgevuurd. Aldus handelend heeft de verdachte (op zijn minst) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze [slachtoffer 1] door de afgevuurde kogels dodelijk zou worden getroffen. Voorts heeft de verdachte, evenzeer willens en wetens, de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij het schieten als voormeld [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], die zich als omstanders in de omgeving van deze [slachtoffer 1] bevonden, dodelijk zouden worden getroffen.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van feit 1-

poging tot doodslag;

-ten aanzien van feit 2-

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

-ten aanzien van feit 3-

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

-ten aanzien van feit 4-

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte -kort gezegd- veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte -kort gezegd- zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de motivering van de strafoplegging sluit het hof aan bij de uitgebreide motivering van de rechtbank, die het hof overneemt en als hier herhaald en ingelast beschouwt. Het hof neemt daarbij nog in het bijzonder in aanmerking, voor wat het onder 2 bewezengeachte betreft, dat het geweld jegens het slachtoffer is voortgezet nadat hij op de grond was terechtgekomen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 20 oktober 2003, is verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer 1], heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 1.134,45 zoals door de rechtbank in eerste aanleg is toegewezen.

De rechtbank heeft de vordering voor het overige -zijnde het materiële gedeelte- niet ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft de vordering betwist door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het tenlastegelegde onder 1 en 2.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij -dat het immateriële gedeelte betreft- van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het hof begroot deze schade op € 1134,45. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 1.134,45 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 141, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 (oud) en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] wonende te Amsterdam, op bankrekeningnummer 32.46.42.342 ten name van Mr M.A.C. van Overmeire te Amsterdam een bedrag van € 1.134,45 (elfhonderdvierendertig euro en vijfenveertig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot

€ 1.134,45 (elfhonderdvierendertig euro en vijfenveertig eurocent), zulks ten behoeve van R. [slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien en voorzover verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Willems-Morsink, Van Wijnen-Vergeer en Brouwer, in tegenwoordigheid van mr. Westerhout, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 november 2003.

Mrs. Willems-Morsink en Brouwer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.