Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-004585-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2002:AF1401
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de nacht van 30 april 1997 heeft verdachte in een drukbezochte discotheek op het Rembrandtplein in Amsterdam van korte afstand geschoten op (slachtoffer 1) en op (slachtoffer 2).

[slachtofer 1]. is zeer kort daarna in het ziekenhuis aan de opgelopen schotverwondingen overleden. Hij is 27 jaar oud geworden

[slachtoffer 2], de acht jaar jongere halfbroer van [slachtoffer 1], is in zijn buik door een kogel getroffen en ernstig gewond geraakt. Zijn leven is gespaard gebleven, maar het letsel aan zijn ruggenwervel is van blijvende aard. De kogel in zijn lichaam is niet verwijderd kunnen worden.

12 jaar gevangenisstraf + schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004585-02

datum uitspraak 6 oktober 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 3 december 2002 in de strafzaak onder parketnummer 13/126038-97 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]), op [geboortedatum] 1967 ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Zwaag De Compagnie 1, 1689 AG Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 november 2002 en de terechtzittingen in hoger beroep van 11 september 2003 en 22 september 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 augustus 2000 en 19 november 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 30 april 1997 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] geschoten, terwijl hij, verdachte, zich op korte afstand van die [slachtoffer 1] bevond, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

op 30 april 1997 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl hij, verdachte, zich op een korte afstand van die [slachtoffer 2] bevond.

Hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

Doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 primair bewezengeachte:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jarenbij de tenuitvoerlegging waarvan de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering dient te worden gebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft door gebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

In de nacht van 30 april 1997 heeft verdachte in een drukbezochte discotheek op het Rembrandtplein in Amsterdam van korte afstand geschoten op [slachtoffer 1] en op [slachtoffer 2].

[slachtoffer 1] is zeer kort daarna in het ziekenhuis aan de opgelopen schotverwondingen overleden. Hij is 27 jaar oud geworden

[slachtoffer 2], de acht jaar jongere halfbroer van [slachtoffer 1], is in zijn buik door een kogel getroffen en ernstig gewond geraakt. Zijn leven is gespaard gebleven, maar het letsel aan zijn ruggenwervel is van blijvende aard. De kogel in zijn lichaam is niet verwijderd kunnen worden.

De aanleiding voor de schietpartij is in het duister gebleven. Enkele getuigen hebben verklaard dat er een woordenwisseling aan vooraf is gegaan.

Verdachte heeft geen opening van zaken gegeven.

De dood van [slachtoffer 1] heeft diens nabestaanden onnoemelijk groot verdriet berokkend. [slachtoffer 2] heeft daarbij ook nog het leed van zijn persoonlijk blijvend letsel.

De rechtsorde is door deze gebeurtenissen zeer ernstig geschokt.

Een gevangenisstraf van lange duur is alleszins gerechtvaardigd.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 18 augustus 2003, is verdachte niet eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen; schadevergoedingsmaatregel

[moeder slachtoffer 1] heeft zich overeenkomstig artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde. Zij vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6607,68. De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem tenlastegelegde feit.

Vast is komen te staan dat [moeder slachtoffer 1], de moeder van [slachtoffer 1], als gevolg van het onder 1 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en wel tot het door haar gevorderde bedrag.

De vordering van [moeder slachtoffer 1], zal dan ook volledig worden toegewezen.

Het hof acht termen aanwezig om, als extra waarborg voor de betaling van de vordering van [moeder slachtoffer 1], de verdachte de verplichting op te leggen tot betaling van € 6607,68 aan de Staat ten behoeve van [moeder slachtoffer 1].

[slachtoffer 2] heeft zich overeenkomstig artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde. Hij vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4538,-. De rechtbank heeft deze vordering volledig toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem tenlastegelegde feit.

Vast is komen te staan dat [slachtoffer 2] als gevolg van het onder 2 primair bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en wel tot het door hem gevorderde bedrag.

De vordering van partij [slachtoffer 2] zal dan volledig worden toegewezen.

Het hof acht termen aanwezig om, als extra waarborg voor de betaling van de vordering van [slachtoffer 2], de verdachte de verplichting op te leggen tot betaling van € 4538,- aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer 1] en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [moeder slachtoffer 1] (wonende te [woonplaats], bankrekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 6607,38 (zesenzestighonderdzeven euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot € 6607,38 (zesenzestighonderdzeven euro en achtendertig eurocent), ten behoeve van [moeder slachtoffer 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 132 (honderdtweeëndertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] (wonende te [woonplaats], bankrekeningnummer [nummer]) een bedrag van € 4538,-(vijfenveertighonderdachtendertig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot € 4538,- (vijfenveertighonderdachtendertig euro), ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 (negentig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Hartsuiker, Splinter-van Kan en Peters, in tegenwoordigheid van mr. Putman, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 oktober 2003.

Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.