Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO1600

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-002658-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 2 maart 2001 te Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 19.638 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 13.717 gram XTC-pillen, bevattende MDMA, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk een pakket onder meer inhoudende bovengenoemde middelen ten vervoer naar Ierland aangeboden bij Transportbedrijf [...].

Geen concrete aanwijzingen dat in casu sprake is geweest van het optreden van een criminele burgerinfiltrant of van een onrechtmatige handelwijze van de (Ierse) informant (wiens informatie overigens slechts een van de CIE-informaties is geweest naar aanleiding waarvan het (Nederlandse) onderzoek in deze strafzaak is gestart).

8 jaar gevangenisstraf + tenuitvoerlegging eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 96 dagen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 10a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002658-02

datum uitspraak 7 november 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 9 juli 2002 in de strafzaken onder parketnummers 15-035041-01 en 13-018385-98 (tul) van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] (Oostenrijk) op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Noord-Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 9 april 2002 en 25 juni 2002 en in hoger beroep van 24 oktober 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 juni 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging met betrekking tot feit 4 nietig is, nu daarin onvoldoende feitelijk omschreven is hetgeen verdachte wordt verweten.

Het hof verwerpt dit verweer nu de tenlastelegging op alle onderdelen, dus ook ten aanzien van feit 4, voldoet aan de eisen die artikel 261 WvSv. daaraan stelt.

Bovendien heeft verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting er geen blijk van gegeven niet te begrijpen waarvan hij (ook ten aanzien van feit 4) verdacht wordt.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging -kort en zakelijk weergegeven- nu het openbaar ministerie zowel de rechtbank als het hof onjuist heeft voorgelicht omtrent de aanvang en loop van het onderzoek. Daarbij is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging gehandeld. Kort gezegd komt het erop neer dat door de Ierse autoriteiten wellicht gebruik is gemaakt van een of meer criminele burgerinfiltranten, die op totaal ongecontroleerde wijze, ook op Nederlands grondgebied, zou/zouden hebben geopereerd. Wat er in de onderhavige zaak precies is gebeurd, is niet vast te stellen, nu de Ierse autoriteiten op dit punt geen opening van zaken hebben gegeven. Of terzake in strijd met de in Nederland geldende regels is gehandeld is derhalve voor de verdediging niet toetsbaar geweest. Daarbij komt nog dat de Ierse autoriteiten hebben aangegeven dat de Nederlandse autoriteiten niet is meegedeeld wie de informant was, en dat deze ook diens betrouwbaarheid niet hebben kunnen toetsen terwijl dit volgens CIE officier van justitie Van Straelen en de sectiechef van de CIE Zaanstreek-Waterland Gieling wel het geval is geweest.

Het hof verwerpt dit beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Gelet op het feit dat ook Ierland partij is bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (verdrag van 20 april 1959, Trb. 1965,10, Trb. 1969,63 en Trb. 1996,63 met Aanvullend Protocol van 17 maart 1978, Trb. 1979,121) mag er in beginsel op vertrouwd worden dat bij het totstandkomen van alle informatie die namens de Ierse autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten wordt aangeboden gehandeld is in overeenstemming met de in genoemd verdrag neergelegde normen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is van dergelijke omstandigheden in de onderhavige strafzaak echter niet gebleken. Concrete aanwijzingen dat in casu sprake is geweest van het optreden van een criminele burgerinfiltrant of van een onrechtmatige handelwijze van de (Ierse) informant (wiens informatie overigens slechts een van de CIE-informaties is geweest naar aanleiding waarvan het (Nederlandse) onderzoek in deze strafzaak is gestart) zijn niet aan het licht gekomen. Van een grove en doelbewust veronachtzaming van de belangen van de verdediging is geen sprake geweest. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in de weg staan en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging, is het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

hij op 2 maart 2001 te Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 19.638 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 13.717 gram XTC-pillen, bevattende MDMA, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk een pakket onder meer inhoudende bovengenoemde middelen ten vervoer naar Ierland aangeboden bij Transportbedrijf [naam];

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 5 mei 2001 te Neck, gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid amfetamine en 11.035 gram XTC-pillen, bevattende MDMA, zijnde telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

hij op 2 maart 2001 te Waddinxveen tezamen en in vereniging met anderen een pistool merk F.N., model H.P., met twee uitneembare patroonmagazijnen en 11 scherpe patronen, zijnde een wapen en munitie van categorie III, heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad

en hij

op 05 mei 2001 te Neck een semi-automatisch pistool merk Im-Metal model

HS2000 met twee uitneembare patroonmagazijnen en 13 scherpe patronen, zijnde een wapen en munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

hij op tijdstippen in de periode van 3 maart 2001 tot 9 mei 2001 te Purmerend en Neck en Midden-Beemster en Amsterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid MDMA en/of MDA (XTC-pillen) en/of een hoeveelheid amfetamine en/of een hoeveelheid cocaïne,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en

zich en een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft verschaft en/of

voorwerpen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit/die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar telkens opzettelijk:

- (telefonisch) contacten gelegd en/of

- afspraken gemaakt en/of

- ontmoetingen geregeld en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of

- voor verpakkingsmateriaal gezorgd en/of

- inlichtingen ingewonnen

(onder andere) over het regelen van het transport van een of meer van bovengenoemde middelen en/of

over de hoeveelheid/hoeveelheden van een of meer van bovengenoemde middelen en/of

over de betaling voor verleende diensten en/of

over (mogelijke) transport-/aankomstdata en/of

een of meer betaling(en) gedaan en/of laten doen voor een hand- en spandienst/werkzaamheid/hand-en spandiensten/werkzaamheden betrekking hebbend op vorenomschreven feit(en).

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

hij op of omstreeks 23 april 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 20.000 XTC-pillen, bevattende MDMA en/of MDA, zijnde een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers hebben zijn mededaders opzettelijk die XTC-pillen naar Ierland vervoerd.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid (oud), van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid (oud), van de Wet wapens en munitie;

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid (oud), van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid (oud), van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en een geldboete van 45.000 euro subsidiair 160 dagen hechtenis met verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer dan wel teruggave van de in beslaggenomen goederen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het daadwerkelijk uitvoeren van een grote hoeveelheid MDMA bevattende XTC-pillen naar Ierland. Voorts heeft verdachte samen met anderen grote hoeveelheden MDMA bevattende XTC-pillen en amfetamine ten uitvoer aangeboden en heeft hij grote hoeveelheden amfetamine, MDMA bevattende XTC-pillen en cocaïne met een ander aanwezig gehad. Deze hoeveelheden harddrugs waren onmiskenbaar bestemd voor verdere verspreiding en handel. Bovendien heeft verdachte zich samen met anderen gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de uitvoer naar Ierland van grote hoeveelheden harddrugs.

De wetgever heeft MDMA, amfetamine en cocaïne, gelet op de onaanvaardbare risico's van het gebruik daarvan voor de volksgezondheid, als middel op lijst I van de Opiumwet geplaatst. De handel in harddrugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Met de handel in voornoemde harddrugs worden grote winsten behaald.

Kennelijk heeft de verdachte, die een organiserende rol had bij het op de markt proberen te brengen van verdovende middelen, zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Tevens heeft verdachte al dan niet samen met anderen levensbedreigende vuurwapens met daarbij behorende munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens (met bijbehorende munitie) brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Tevens veroorzaakt dergelijk handelen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zeker in het drugsmilieu waarin verdachte opereerde het bezit van vuurwapens regelmatig tot het gebruik daarvan leidt, met alle risico's van dien voor betrokkenen doch ook voor toevallig aanwezige derden.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 25 juni 2003, is verdachte eerder veroordeeld.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- 1.00 stk Telefoontoestel kl: grijs ERICSSON 0652110576 en

- 3.00 stk Papier kl: wit stortingsbewijzen,

- 1.00 stk Papier kl wit, brief met recept voor chemisch produkt

- 3.00 stk Tapeband kl: groen A2206

- 1.00 stk Doos kl: bruin, A2401,

die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 18 juni 1999, in de zaak met parketnummer13-018385-98, waarbij de verdachte ter zake van een door hem gepleegd strafbaar feit is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 96 dagen met een proeftijd van twee jaar binnen welke periode, kort samengevat, de verdachte zich niet behoorde schuldig te maken aan het plegen van een nieuw strafbaar feit.

De proeftijd is ingegaan op 6 augustus 1999.

Gelet op het hiervoor bewezengeachte heeft de verdachte zich in de voormelde proeftijd wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Het hof zal derhalve, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14g, 24, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet (oud) en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie (oud).

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 stk Telefoontoestel kl: grijs ERICSSON 0652110576 en

- 3.00 stk Papier kl: wit stortingsbewijzen.

- 1.00 stk Papier kl wit, brief met recept voor chemisch produkt

- 3.00 stk Tapeband kl: groen A2206

- 1.00 stk Doos kl: bruin, A2401,

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Geld Nederlands 1 x 10

- 1.00 stk Akte kl: wit, A1111

- 1.00 stk Akte kl: wit, A1131 giro

- 5.00 stk Map kl: meerkl. A1142

- 1.00 stk Fotorol kl: zwart

- 1.00 stk Papier kl: wit A1162 prijzen voor bail

- 1.00 stk Sleutel kl: zilver A1172

- 1.00 stk Sleutel kl: zilver set A1504

- 10.00 stk Videoband kl: zwart A1173

- 8.00 stk Sleutel kl: meerkl.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2.00 stk Paspoort kl: rood Brits/Iers

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 juni 1999 met parketnummer 13-018385-98, te weten: 96 (zesennegentig) dagen.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland-van Veen, Mijnsberge en De Boer, in tegenwoordigheid van Bekker, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2003.

Mr. De Boer en Bekker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.